Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6122

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
200.252.276
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meervoudig arrest. De betrokkene stelt dat hij door het gebruik van de Autopilot niet als feitelijk bestuurder in de zin van artikel 61a van het RVV kan worden aangemerkt. Het hof zoekt voor de uitleg van het begrip ''bestuurder'' aansluiting bij eerder publiceerde arresten waaruit volgt dat als bestuurder moet worden aangemerkt elke persoon die één of meer bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging of rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt. Het inschakelen en ingeschakeld houden van de Autopilot - die immers rechtstreeks de bedieningsorganen beïnvloedt - brengt mee dat op die wijze of met behulp daarvan de bedieningsorganen worden gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van het motorvoertuig worden beïnvloed. Het gebruikmaken van een dergelijk systeem betekent dat de betrokkene als feitelijk bestuurder dient te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.252.276

31 juli 2019

CJIB 211457356

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 22 november 2018

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een totaal bedrag van € 250,50.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 juli 2019. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

Beslissing kantonrechter

1. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd wegens schending van de hoorplicht en vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

De gronden van het hoger beroep

2. In het beroepschrift is door de (eerdere) gemachtigde van betrokkene aangevoerd dat de kantonrechter geen beslissing had mogen nemen op het administratief beroep tegen de inleidende beschikking. Dit is volgens de gemachtigde geen beslissing die de kantonrechter op grond van artikel 13 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) kan nemen. Volgens de gemachtigde kan de beslissing van de kantonrechter om die reden dan ook geen stand houden.

3. Artikel 13, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat de kantonrechter, indien hij het beroep ontvankelijk acht en van oordeel is dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en de daarbij bestreden beslissing vernietigt dan wel wijzigt.

4. De Wahv voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te wijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid, van de Wahv verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen terugwijzingsmogelijkheid niet van toepassing is in zaken betreffende de Wahv. Indien de kantonrechter de zaken had teruggewezen naar de officier van justitie, dan zou de kantonrechter hebben gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wahv. Het verweer treft derhalve geen doel.

Gedraging

5. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”, welke gedraging zou zijn verricht op 10 oktober 2017 om 11:15 uur op de Rijksweg A27 te Utrecht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .

Het standpunt van de betrokkene

6. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij niet als (feitelijk) bestuurder van het motorrijtuig kan worden aangemerkt. De Tesla (Model X) is voorzien van een Autopilot-systeem. De software in dit voertuig zorgt ervoor dat het voertuig zelf kan sturen en remmen, zonder dat ingrijpen van een persoon noodzakelijk is, zelfs in noodsituaties, aldus de gemachtigde. De software die het voertuig bestuurt dient te worden aangemerkt als feitelijk bestuurder. De software zorgt immers ervoor dat het voertuig geheel autonoom kan remmen en sturen zonder ingrijpen van de betrokkene. Gelet hierop dient dan ook te worden geoordeeld dat de betrokkene slechts lijfelijk in het voertuig aanwezig is en dat onder zijn toezicht een voertuig zichzelf bestuurt. Het rijden met de Autopilot vertoont volgens de gemachtigde overeenkomsten met de rol van de rijinstructeur. De rijinstructeur is volgens de wet niet feitelijk bestuurder en die mag dus wel een mobiele telefoon vasthouden. De rijinstructeur houdt echter toezicht op een niet gekwalificeerde en onervaren leerling, die

- omdat hij leerling is - nog fouten maakt. Een rijinstructeur staat volgens de gemachtigde veel dichter bij het feitelijk bestuurderschap dan de betrokkene. Het wringt dan ook dat de betrokkene geen mobiele telefoon in zijn handen mag houden, terwijl dit aanzienlijk veiliger is dan een bellende rijinstructeur. Verder wordt nog opgemerkt dat de kantonrechter voorbij is gegaan aan de strekking van artikel 61a (oud) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Het gebruik van een mobiele telefoon in een zelfrijdend voertuig doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid. De gemachtigde verwijst naar een onderzoeksrapport van Tesla en naar een onderzoek van de Amerikaanse overheid waaruit (samengevat) blijkt dat door het automatisch sturen van zelfrijdende auto's van Tesla het aantal ongelukken significant is gedaald.

Het standpunt van het openbaar ministerie

7. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter. De betrokkene was, ook met een ingeschakelde Autopilot, de bestuurder van het voertuig. Zijns inziens is er geen sprake van een dusdanige analogie met de rijinstructeur dat geconcludeerd kan worden dat de betrokkene niet de feitelijk bestuurder was en doet het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden wel degelijk afbreuk aan de verkeersveiligheid.

8. Artikel 61a (oud) van het RVV 1990, luidt als volgt:

''Het is degene die een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig dat is uitgerust met een motor bestuurt verboden tijdens het rijden een mobiele telefoon vast te houden. Onder een mobiele telefoon wordt verstaan een apparaat dat bestemd is voor het gebruik van mobiele openbare telecommunicatiediensten."

9. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder n, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) staat het begrip ''bestuurder'' als volgt omschreven: ''bestuurder van een motorrijtuig: degene die het motorrijtuig bestuurt of degene die, overeenkomstig de bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarde, wordt geacht het motorrijtuig onder zijn onmiddellijk toezicht te doen besturen."

10. In artikel 1 van het RVV 1990 wordt het begrip bestuurder voor het wegverkeer gedefinieerd als

''alle weggebruikers behalve voetgangers''. Daaronder staat vermeld:

''bestuurder van een motorvoertuig:

1. hij die het motorvoertuig bestuurt of

2. voor zover het betreft een motorvoertuig voor het besturen waarvan een rijbewijs AM, B, C, D of E, is vereist en dat is voorzien van een dubbele bediening, hij die rijonderricht geeft of toezicht houdt in het kader van een vanwege de overheid ingesteld onderzoek naar de rijvaardigheid, niet zijnde een onderzoek als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet.''

Oordeel van het hof

11. Ter discussie staat niet of de betrokkene een mobiele telefoon heeft vastgehouden, aangezien de betrokkene dit erkent, maar of de betrokkene ten tijde van de gedraging kon worden aangemerkt als bestuurder in de zin van artikel 61a (oud) van het RVV 1990. Tevens staat in deze zaak - op basis van de gegevens zoals in het zaakoverzicht opgenomen - niet ter discussie dat de Autopilot ten tijde van de gedraging stond ingeschakeld.

12. De WVW 1994 en het RVV 1990 kennen twee soorten bestuurders die voor het onderscheid worden aangeduid als feitelijk bestuurder of juridisch bestuurder:

- De feitelijk bestuurder is degene die de bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt.

Deze omschrijving is ontleend aan Weersma en Polak (Weersma/Polak, Wegenverkeerswet, p. 41) en in de jurisprudentie ook algemeen aanvaard als een juiste uitleg van dat begrip (Hof Leeuwarden 25 januari 2011, VR 2012/15). Over de wijze van voortbewegen of de mate van beïnvloeding is ook de nodige jurisprudentie verschenen, onder meer kan als bestuurder

van een motorrijtuig worden aangemerkt het duwen of aan de hand meevoeren van een motorrijtuig (HR 12 juni 1990, NJ 1991/29), het zitting hebben achter het stuur van een gesleept motorrijtuig (HR 1 december 1987, NJ 1988/689) en het aantrekken van de handrem (HR 30 augustus 2005, NJ 2005/542).

- De juridisch bestuurder is degene die een feitelijk bestuurder onder toezicht laat besturen.

De hiervoor genoemde regelgeving beperkt het begrip juridisch bestuurder limitatief tot de rijinstructeur en de examinator.

13. Blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit van 4 februari 2002 tot wijziging van het RVV 1990 (verbod handmatig telefoneren), Stb. 2002, 67, is artikel 61a (oud) van het RVV 1990 van toepassing op de feitelijk bestuurder. Hierin staat namelijk - voor zover hier relevant - het volgende:

''Artikel 61a van het RVV 1990 richt zich tot degene die een motorvoertuig, invalidenvoertuig of bromfiets bestuurt. (…) Bestuurders die vallen onder het begrip degene die een motorvoertuig bestuurt, zijn bijvoorbeeld automobilisten, vrachtwagen- en buschauffeurs en motorrijders. Het gaat daarbij bovendien om degene die daadwerkelijk achter het stuur zit, de feitelijk bestuurder. Het verbod strekt zich dus niet uit tot de rijinstructeur die wordt geacht onder zijn onmiddellijk toezicht een motorvoertuig te doen besturen.1 (…).''

14. Voor de vaststelling van de onderhavige gedraging is dus vereist dat de betrokkene de feitelijk bestuurder was van het voertuig ten tijde van de gedraging.

15. De betrokkene stelt dat hij door het gebruik van de Autopilot niet als feitelijk bestuurder kan worden aangemerkt. Het hof zoekt voor de uitleg van het begrip ''bestuurder'' aansluiting bij de hiervoor vermelde arresten, waaruit volgt dat als bestuurder in de zin van de WVW 1994 moet worden aangemerkt elke persoon die één of meer bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging of rijrichting van het motorrijtuig beïnvloedt.

16. Het inschakelen en ingeschakeld houden van de Autopilot - die immers rechtstreeks de bedieningsorganen beïnvloedt - brengt mee dat op die wijze of met behulp daarvan de bedieningsorganen worden gehanteerd waardoor de voortbeweging en rijrichting van het motorvoertuig worden beïnvloed. Het gebruikmaken van een dergelijk systeem betekent dat de betrokkene als feitelijk bestuurder dient te worden aangemerkt.

17. Gelet op het voorgaande staat vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op gevoerde verweer, te beoordelen of er omstandigheden zijn die meebrengen dat het opleggen van een sanctie niet billijk is dan wel dat de sanctie op een lager bedrag moet worden vastgesteld.

18. Het hof stelt voorop dat artikel 61a (oud) van het RVV 1990 een absoluut verbod betreft. Het is dus niet aan de individuele bestuurder om afhankelijk van de mate waarin hij gebruikmaakt van de Autopilot of een soortgelijk systeem om te bepalen of hij zich zodanig veilig gedraagt dat hij zelf kan bepalen om van dat verbod af te wijken.

Slotsom

19. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, is terecht een sanctie opgelegd en is van feiten of omstandigheden die het achterwege laten van de sanctie of matiging van het bedrag van de sanctie rechtvaardigen, niet gebleken. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

20. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Beswerda, Sekeris en Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

1 Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 10 april 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:3286.