Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6068

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
14-08-2019
Zaaknummer
200.259.557
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot zekerheidsstelling voor proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.259.557

(zaaknummer rechtbank Gelderland, 350697)

arrest in kort geding van 23 juli 2019

in het incident in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Oryxa Capital L.P.,

gevestigd te Grand Cayman (Kaaimaneilanden),

appellante, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Oryxa,

advocaat: mr. G.T.J. Hoff,

tegen:

1. de naamloze vennootschap

Intercont Industrial Holding N.V.,

gevestigd te Huissen,

geïntimeerde, eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Intercont,

advocaat: mr. L. te Linde,

en

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

Landwasser A.G.,

gevestigd te Landquart (Zwitserland),

geïntimeerde, eiseres in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Landwasser,

advocaat: mr. R.G.J. de Haan.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het kort geding vonnis van 9 april 2019 (nader uitgewerkt op 23 april 2019) dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep van 6 mei 2019 met grieven,

- de incidentele memorie tot zekerheidsstelling voor de proceskosten (artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) namens Intercont,

- de incidentele memorie tot zekerheidsstelling voor proceskosten ex artikelen 224 jo. 353 lid 2 Rv namens Landwasser, met productie 1,

- de memorie van antwoord in het incident.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident in kort geding bepaald.

3 De motivering van de beslissing in het incident

3.1

Kort gezegd gaat dit geschil om het volgende. Tussen Landwasser en Oryxa is een koopovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Landwasser van Oryxa aandelen in Intercont, call optierechten op aandelen in Intercont en obligaties heeft gekocht. Door middel van (een eerste) arbitrage in Zwitserland is, kort gezegd, bevestigd dat tussen partijen op 3 november 2017 een koopovereenkomst bestond. Bij de uitvoering van die overeenkomst zijn problemen ontstaan, waarin partijen aanleiding vonden opnieuw (een tweede) arbitrage in Zwitserland te starten. Voor zover het hof bekend, is in die procedure nog geen arbitraal vonnis gewezen. In afwachting van de arbitrage heeft Oryxa in kort geding voorlopige voorzieningen gevorderd die neerkomen op een tijdelijke standstill met betrekking tot belangrijke en onomkeerbare besluitvorming binnen Intercont. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding de vorderingen van Oryxa afgewezen. Van dit vonnis is Oryxa bij dit hof in hoger beroep gekomen.

3.2

In dit incident hebben zowel Intercont als Landwasser gevorderd dat Oryxa wordt veroordeeld tot zekerheidsstelling voor de proceskosten. Intercont heeft gevorderd dat Oryxa, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om binnen een door het hof te bepalen termijn na het wijzen van het arrest in dit incident zekerheid te stellen voor een bedrag van € 3.152,-, althans voor ieder ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, via een onvoorwaardelijke en onherroepelijke bankgarantie die wordt afgegeven door een Nederlandse bank, of door een bedrag van € 3.152,-, althans ieder ander door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, over te maken naar de derdengeldrekening van – kort gezegd – de advocaat van Intercont, met veroordeling van Oryxa in de kosten van dit incident. Landwasser heeft gevorderd dat Oryxa, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om binnen twee weken na het wijzen van het arrest in dit incident een door een Nederlandse grootzakelijke bank uitgegeven onherroepelijke en onvoorwaardelijke bankgarantie te doen stellen ten gunste van Landwasser, onder welke garantie Landwasser tot een maximum van € 23.634,- op eerste afroep, binnen vijf dagen na die afroep, kort gezegd, betaling zal kunnen verkrijgen (primair) of door een bedrag van € 23.634,- over te maken naar de derdengeldrekening van de advocaat van Landwasser (subsidiair), met – kort gezegd – veroordeling van Oryxa in de kosten van het incident.

3.3

De incidentele vorderingen van Intercont en Landwasser betreffen de wijze van procederen tegenover de Nederlandse rechter waarop op grond van artikel 10:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht van toepassing is. Daarbij is het niet van belang door welk materieel recht de rechtsbetrekking tussen partijen wordt beheerst (en zelfs niet of de in eerste aanleg geadieerde voorzieningenrechter bevoegd was om van het geschil kennis te nemen).

3.4

Artikel 224 lid 1 Rv bepaalt – voor zover hier relevant – dat degene die zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland een vordering instelt in een geding alhier, verplicht is om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden. Ingevolge artikel 353 Rv is artikel 224 lid 1 Rv in hoger beroep op Oryxa van toepassing. Op grond van artikel 353 lid 2 Rv geldt de verplichting ook voor de oorspronkelijk eiser in appel.

3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat Oryxa geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in Nederland, maar is gevestigd op de Kaaimaneilanden. Oryxa is de partij die bij een Nederlandse rechter een vordering heeft ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat zich een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingsgronden voordoet. Nu Oryxa bovendien, behoudens de hoogte van de gevorderde zekerheidsstelling door Landwasser, heeft ingestemd met het stellen van zekerheid voor de proceskosten door middel van storting van een bedrag op de derdengeldrekening van de advocaten van respectievelijk Intercont en Landwasser, komen de vorderingen – behoudens het navolgende – voor toewijzing in aanmerking.

3.6

De verplichting tot zekerheidstelling ex artikel 224 lid 1 Rv heeft enkel betrekking op de (geliquideerde en te liquideren) kosten van de procedure in hoger beroep en de schade die het rechtstreeks gevolg is van het in rechte opkomen van Intercont en Landwasser in hoger beroep. Genoemde bepaling biedt derhalve geen grondslag voor de door Landwasser gevorderde zekerheid met betrekking tot de in eerste aanleg uitgesproken veroordelingen van Oryxa tot betaling van proceskosten aan Landwasser ten bedrage van € 1.619,-. De vordering van Landwasser zal in zoverre worden afgewezen. De door Landwasser gevorderde nakosten vallen wel onder de reikwijdte van artikel 237 e.v. Rv.

3.7

Voor de begroting van het bedrag waarvoor Oryxa jegens Intercont en jegens Landwasser in hoger beroep aanvullende zekerheid dient te stellen, gaat het hof voor zowel Landwasser als Intercont uit van één punt voor een memorie van antwoord in het incident, één punt voor memorie van antwoord en twee punten voor pleidooi in de hoofdzaak; een totaal van vier punten voor iedere geïntimeerde. Het hof gaat er daarbij thans van uit dat zich in het procesverloop geen complicaties zullen voordoen en beperkt zal blijven tot het nemen van nog een memorie van antwoord in de hoofdzaak en het houden van pleidooien.

Aangezien het niet ondenkbaar is (zoals Landwasser heeft aangevoerd) dat het hof bij de bepaling van de proceskosten tarief VIII zal toepassen, zal het hof bij de bepaling van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld, uitgaan van dat tarief. Onder die omstandigheden gaat het hof voorshands uit van een salaris van € 22.004,- (4 x € 5.501,-), te vermeerderen met een griffierecht van € 741,- en € 157,- nakosten; in totaal derhalve € 22.902,.

3.8

Intercont heeft gevorderd dat Oryxa zekerheid stelt voor een bedrag van € 3.152,- of ieder ander in goede justitie door het hof te bepalen bedrag. De desbetreffende vordering kan op grond van het hiervoor overwogene worden toegewezen. Het hof zal de desbetreffende vordering van Landwasser toewijzen tot het voornoemde bedrag van € 22.902,- en die vordering voor het meerdere afwijzen.

3.9

Een termijn van twee weken voor het stellen van de zekerheid komt het hof, gelet op de aard van de procedure en de aard van de te stellen zekerheid, redelijk voor. Het hof zal daarom bepalen dat Oryxa zekerheid dient te stellen binnen twee weken na dagtekening van dit arrest op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak (artikel 616 lid 3 Rv).

3.10

Het hof houdt de beslissing over de kosten van het incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak.

3.11

Het hof heeft reeds pleidooi bepaald op 5 september 2019. Het hof zal de hoofdzaak naar de rol verwijzen voor memorie van antwoord op 20 augustus 2019 namens Intercont en namens Landwasser. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

4 De beslissing

Het hof, recht doende:

in het incident:

veroordeelt Oryxa om, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, binnen twee weken na heden zekerheid te stellen voor aan de zijde van Intercont te vallen proceskosten tot een bedrag van € 3.152,- in de vorm van het storten van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Intercont;

veroordeelt Oryxa om, op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, binnen twee weken na heden zekerheid te stellen voor aan de zijde van Landwasser te vallen proceskosten tot een bedrag van € 22.902,- in de vorm van het storten van dit bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van Landwasser;

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;

verklaart dit arrest in het incident uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 20 augustus 2019 voor het nemen van memories van antwoord;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, H. Wammes en H. van Loo en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.