Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6054

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
200.222.999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil tussen verhuurder en huurder over de hoogte van de meerpremie voor de brandverzekering van een bedrijfsruimte. Oordeel dat over aantal jaren ten onrechte niet is heronderhandeld over beding, nu kennelijk niet sprake was van marktconforme meerpremie. Tussenarrest. Partijen mogen zich nog uitlaten over onderdeel met betrekking tot niet doorberekende korting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.222.999

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem: 5062485)

arrest van 23 juli 2019

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Inbev Nederland N.V.,

gevestigd te Breda,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Inbev,

advocaat: mr. B. Poort,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Movie Unlimited Zevenaar B.V.,

gevestigd te Zevenaar,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: MUZ,

advocaat: mr. J.M. Deveer.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 oktober 2017 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 15 december 2017,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord.

1.3

Vervolgens hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het bestreden tussenvonnis van 14 september 2016 en in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden tussenvonnis van 31 mei 2017.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Het gaat in dit geding kort gezegd om het volgende. MUZ huurt van Inbev de bovenverdiepingen van een pand in Zevenaar waarin zij een bioscoop exploiteert. Op de begane grond exploiteert een andere huurder een grand café. Inbev huurt het hele pand op haar beurt van de eigenaar, Malant B.V. (hierna: Malant). Inbev heeft het pand tegen bepaalde risico’s verzekerd. Inbev maakt op grond van de huurovereenkomst met MUZ aanspraak op betaling van de zogenoemde meerpremie voor een brandverzekering (hierna: meerpremie). MUZ heeft deze meerpremie over de jaren 2014 en 2015 deels onbetaald gelaten omdat zij het niet eens is met de hoogte ervan.

3.2

Inbev vordert in conventie betaling van de onbetaalde meerpremie 2014 en 2015. MUZ vordert in reconventie alle vanaf 2002 ten onrechte betaalde meerpremie als onverschuldigd betaald terug. De rechtbank heeft geoordeeld dat uitleg van de bepaling over de meerpremie geen ruimte laat voor de door Inbev voorgestane interpretatie dat zij naar believen de hoogte van de verzekeringspremies kan bepalen, ongeacht de aanleiding daartoe. Onder verwijzing naar de limitatieve opsomming van de gronden ervoor in de bepaling en de constatering dat deze zich niet voordoen is de vordering in conventie afgewezen. Vervolgens heeft de rechtbank in reconventie na bewijslevering geoordeeld dat de over de jaren 2003 en 2008 tot en met 2015 betaalde meerpremie tot een bedrag van € 24.913,78 onverschuldigd was betaald, zodat dit bedrag met rente is toegewezen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Inbev komt tegen de genoemde vonnissen en de rolbeschikking van de rechtbank op met vijftien grieven, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen.

4.2

In hoger beroep draait het om de vraag hoe artikel 23 B van de tussen Inbev en MUZ geldende huurovereenkomst moet worden uitgelegd. Dit artikel luidt als volgt:

“(…)

Artikel 23

(…)B Indien de premie van de door de verhuurder met betrekking tot het gehuurde, alsmede het complex waartoe het gehuurde behoort gesloten uitgebreide opstalverzekering op basis van een normale winkelruimte (thans 1‰) wordt verhoogd, als gevolg van het door huurder in het gehuurde uitgeoefende bedrijf, dan wel als gevolg van de door huurder met betrekking tot het gehuurde aangebrachte onroerende voorzieningen, dan komt de daaruit voortvloeiende verhoging van de premie geheel en al voor rekening van de huurder. De huurder zal die meer-premie op eerste verzoek aan de verhuurder vergoeden. De verhuurder is vrij in de bepaling van het te verzekeren bedrag, de keuze van de assurantiemaatschappij(en) en in de beoordeling van de redelijkheid van de verschuldigde premie (thans 4,4 ‰). (…)”

4.3

De huurovereenkomst is in 2001 aangegaan door enerzijds Interbrew, de rechtsvoorgangster van Inbev en anderzijds de toenmalige bestuurders van MUZ. De personen die toen bij de onderhandelingen betrokken waren zijn nu niet meer bij deze zaak betrokken en er zijn geen aanknopingspunten in het dossier dat er is onderhandeld over bedoeld artikel. Op het moment van het sluiten van de huurovereenkomst was het beoogd gebruik van de bovenverdiepingen, zo blijkt uit die huurovereenkomst, een bioscoop met horeca-exploitatie horecabedrijfsruimte. Verder was in het contract al de premie voor normale winkelruimte bepaald, vastgesteld op 1‰ en de meerpremie zoals deze op dat moment gold, namelijk 4,4‰.

4.4

De uitleg van een contractuele bepaling vindt in beginsel plaats aan de hand van de Haviltexnorm. Daarbij komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan een tussen hen geldende schriftelijke bepaling mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Die betekenis mag uit alle omstandigheden worden afgeleid. Er bestaat een vloeiende overgang tussen deze Haviltex-norm en de CAO-norm die van toepassing is als moet worden vastgesteld welke betekenis een derde, die niet bij de totstandkoming van een overeenkomst betrokken is geweest, mag toekennen aan een bepaling in een schriftelijk stuk waarin die overeenkomst is vastgelegd. Bij toepasselijkheid van de CAO-norm moet de bedoeling van de contracterende partijen naar objectieve maatstaven worden uitgelegd, dat wil zeggen dat de uitleg van een bepaling wordt gebaseerd op objectief kenbare gegevens.

4.5

Aan de orde is de uitleg van een bepaling uit een huurcontract waarover niet is onderhandeld en die voor een groot aantal huurverhoudingen geschreven is. Dit betekent dat de uitleg ervan met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de betreffende bepaling is gesteld.

4.6

Het hof is van oordeel dat deze bepaling als volgt moet worden uitgelegd. Als normale premie (volgens de tekst van de huurovereenkomst een premie op basis van een normale winkelruimte) moet worden verstaan de brandverzekering die is verschuldigd bij een neutraal gebruik van de bedrijfsruimte, dus zonder verhoogd brandrisico. De door de huurder gedane aanpassingen of de door de aard van het door de huurder uitgeoefende bedrijf veroorzaakte verhoogde risico’s die leiden tot een meerpremie voor de verzekering tegen brand, mag de verhuurder doorberekenen aan huurder. Daarvan is hier sprake nu er een bioscoop met buffetfunctie in de bedrijfsruimte is gevestigd en de meerpremie daarbij in de huurovereenkomst is vastgesteld op 4,4‰. De grieven die zich richten tegen de door de rechtbank gegeven uitleg dat er bij aanvang van de huurovereenkomst geen meerpremie gold en die dus niet mocht worden doorberekend, gaan in die zin op. Uitgangspunt bij het aangaan van de overeenkomst tussen partijen is dus deze meerpremie van 4,4‰.

4.7

Inbev heeft zich op het vrij algemeen verwoorde standpunt gesteld (met verwijzing naar jurisprudentie in andere zaken waarin een vergelijkbare bepaling gold) dat er na het sluiten van het huurcontract met deze bepaling geen ruimte meer is voor onderhandelingen en dat de verhuurder vervolgens vrij is in de keuze van de verzekering en de hoogte van de meerpremie. De verzekeringspremie wordt dan bepaald door de opstalverzekeraar op basis van de aard van het bedrijf dat in het pand is uitgeoefend en de huurder zit dus aan zo’n meerpremie vast zo lang dat bedrijf er wordt uitgeoefend.

4.8

Het hof is in dit specifieke geval van oordeel dat Inbev niet in dit standpunt kan worden gevolgd. Het betreft een duurovereenkomst, waarbij partijen zich over een weer jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid, hetgeen onder bepaalde omstandigheden de verplichting tot heronderhandelen met zich kan brengen. De verhuurder zal daarbij de redelijke belangen van de huurder in acht moeten nemen. In dit geval blijkt uit de stukken dat MUZ in elk geval sinds 2010 vragen heeft gesteld over de hoogte van de meerpremie en heeft verzocht om een toelichting op de hoogte ervan. Daarbij is verzocht om over de huurovereenkomst in heronderhandeling te treden en zo te komen tot aanpassing van de meerpremie dan wel de huursom. Inbev heeft steeds haar (onder 4.7 weergegeven) standpunt herhaald en elk overleg afgehouden. Zij heeft steeds verwezen naar de afgesloten verzekeringspolis met genoemde bepaling en meerpremie, waarbij de aan Malant verschuldigde premie door Inbev één-op-één is doorbelast aan MUZ .

4.9

Zoals onder 4.3 is overwogen spelen de bij het sluiten van de overeenkomst betrokken natuurlijke personen geen rol meer en is er niet onderhandeld over het meerpremie-artikel. Daarnaast acht het hof de volgende omstandigheden van belang. Het betreft een door Inbev opgesteld beding dat de mogelijkheid tot wijziging van de verzekeringspremie eenzijdig bij haar legt, zodat MUZ lastig kan inschatten wat de verzekeringspremie in de opvolgende jaren gaat worden en daarop zijn bedrijfsvoering niet kan afstemmen. Verder is de bepaling niet onmiddellijk duidelijk want voor tweeërlei uitleg vatbaar. De bepaling zou ook zó zou kunnen worden gelezen dat de verzekeringspremie opnieuw aan de orde komt als de huurder de bestemming of inrichting van het gehuurde tijdens de looptijd van het huurcontract zou veranderen. Een en ander brengt met zich dat in dit specifieke geval de bepaling op de voor MUZ meest gunstige wijze (contra proferentum) moet worden uitgelegd. De door Inbev voorgestane uitleg dat de bepaling haar in feite “carte-blanche” geeft en dat zij naar eigen goeddunken te allen tijde een eenzijdig bepaalde meerpremie kan doorbelasten gaat in dit geval niet op.

4.10

MUZ heeft het volgende aangevoerd. Het gaat in dit geval om een bioscoop met buffetfunctie, dat wil zeggen dat er drankjes, popcorn en snoep wordt verkocht maar geen eten wordt bereid. MUZ kreeg op enig moment zelf nog een aantal bioscopen met buffetfunctie in beheer en constateerde dat die een veel lagere meerpremie hadden (rond 1,25‰). Inbev weigerde MUZ enig inzicht te verschaffen in de polisvoorwaarden en verwees daarvoor steeds naar de eigenaar Malant. Inbev heeft aangegeven dat zij verschillende keren heeft geprobeerd bij de eigenaar duidelijkheid te verkrijgen. De eigenaar weigerde echter inzicht te verschaffen in de afgesloten polis en de samenstelling van de premie.

4.11

Vervolgens is desgevraagd namens de eigenaar van het pand aan MUZ meegedeeld (bij e-mailbericht van 15 juli 2013) dat bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is gekozen voor een langdurig contract met de verzekeringsmaatschappij, omdat het niet eenvoudig was om alle horecapanden van Malant verzekeringstechnisch onder te brengen en dat het openbreken van het contract om meerdere redenen voor de eigenaar geen optie is. Inzicht in de polis werd nog steeds geweigerd. Wel werd uit de jaarlijkse overzichten duidelijk dat op één polisnummer meerdere panden zijn verzekerd. Weliswaar verschilt de premie per pand, maar daarmee is niet uit te sluiten, zoals MUZ aanvoert, dat het gezamenlijk onderbrengen van het pand van MUZ met andere mogelijk moeilijker te verzekeren panden een opdrijvend effect heeft gehad op de premie voor de bioscoop. MUZ heeft bovendien gewezen op een pand in Malden uit het overzicht over 2014 waar eveneens een bioscoop wordt geëxploiteerd, waarvoor een veel lagere meerpremie geldt. Ook daarvoor is door de verhuurder geen (gemotiveerde) verklaring gegeven. Tot slot is in dit kader van belang dat MUZ bij dezelfde verzekeraar (Interpolis) via dezelfde tussenpersoon (Rabobank) heeft geïnformeerd wat de meerpremie zou bedragen indien zij het pand in eigendom zou hebben. De aan MUZ in dat kader opgegeven meerpremie was 1,3 ‰. Weliswaar heeft Inbev een verklaring overgelegd dat dit een te lage premie zou zijn geweest en dat dit aanbod was ingegeven door commerciële overwegingen, omdat er veel meer te verzekeren objecten in het vooruitzicht werden gesteld – hetgeen MUZ overigens heeft betwist – maar daaruit volgt dan in elk geval dat bij verzekering voor verschillende bedrijfspanden met soortgelijk gebruik in één hand kennelijk een (veel) gunstigere premie kan worden verkregen.

4.12

Weliswaar staat het Malant als eigenaar van het pand en als verhuurder vrij zelf een keuze te maken voor een verzekeraar en is zij niet gehouden de beste verzekering tegen de scherpste prijs te zoeken, maar dit gaat niet zo ver dat Malant/Inbev de aanzienlijke (meer)kosten die uit een bijzondere samenstelling van panden in een verzekeringsportefeuille kunnen voortkomen op MUZ kunnen afwentelen. MUZ heeft aannemelijk gemaakt dat er in 2010 voldoende aanknopingspunten waren om de vraag op te werpen of de doorbelaste meerpremie (nog) wel marktconform was. Het was daarom in dit geval in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid geweest dat partijen met elkaar opnieuw in onderhandeling zouden treden over de hoogte van de verzekeringspremie.

4.13

Inbev heeft steeds aangevoerd dat zij niet gehouden is verantwoording af te leggen omdat de verhuurder nu eenmaal de verzekeraar en dus de meerpremie mag bepalen. Zij heeft bovendien MUZ verweten zo maar een percentage te noemen en de door MUZ gestelde marktconforme meerpremie van 1,3‰ verder niet te onderbouwen. Het hof kan dit gezien de hiervoor opgesomde feiten en omstandigheden niet volgen. Waar MUZ verschillende vergelijkbare situaties aanvoert waar steeds voor een bioscoop met buffetfunctie rond de 1,3‰ wordt gerekend en MUZ ook een premievoorstel van 1,3‰ van Interpolis heeft overgelegd, volstaat Inbev met het herhalen dat de verzekeraar een bioscoop met buffetfunctie nu eenmaal inschaalt als horecagelegenheid met een risico van 3,76‰. Ook wordt geen verklaring gegeven voor het feit dat vanaf 2016 en 2017 voor hetzelfde gebouw en hetzelfde bedrijf ineens een aanzienlijk lagere meerpremie geldt. Hoewel het gezien de gemotiveerde en onderbouwde betwisting van MUZ op de weg van Inbev had gelegen om in elk geval in hoger beroep, bijvoorbeeld aan de hand van vergelijkbare situaties offertes of polissen van te goeder naam en faam bekend staande verzekeraars over te leggen, die het door MUZ geschetste beeld zouden weerspreken, heeft Inbev dit nagelaten.

4.14

Inbev heeft wel aangeboden om getuigen te horen die dan zouden kunnen bevestigen dat (a) de aan Malant in rekening gebrachte premie hoger is dan de premie voor een uitgebreide opstalverzekering als normale winkelruimte vanwege de aard van het bedrijf van MUZ, (b) dat Interpolis een servicebioscoop indeelt in de categorie 'horeca en recreatie' en (c) dat de normaal geldende premie van kantoorruimte lager of gelijk is aan die van winkelruimte. Het hof wil wel aannemen dat de premie voor dit pand hoger is dan de premie die berekend wordt voor een normale winkelruimte, dat dit pand bij Interpolis in de categorie horeca en recreatie valt en dat voor een kantoorruimte een lager risico geldt dan voor een winkelruimte. De crux in deze zaak is echter dat MUZ zich gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de meerpremie niet op de aard van haar bedrijf (bioscoop met buffetfunctie) is berekend, maar op de samenstelling van meerdere door Malant te verzekeren panden onder deze ene specifieke polis. Hier heeft Inbev onvoldoende gemotiveerd - onderbouwd met stukken - tegenover gesteld, hoewel zij daartoe alle mogelijkheid heeft gehad. Het hof komt daarom niet toe aan het bewijsaanbod van Inbev aangezien de te bewijzen aangeboden feiten, ook indien die bewezen zouden worden, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

4.15

Een en ander brengt met zich dat er van moet worden uitgegaan dat als Inbev was ingegaan op het gerechtvaardigde verzoek van MUZ in 2010 om opnieuw in onderhandeling te treden met de eigenaar en te onderzoeken of de meerpremie marktconform kon worden bijgesteld, dit had naar alle waarschijnlijkheid geleid tot een vermindering van die meerpremie. Gezien hetgeen hierover in de beide procedures door MUZ naar voren is gebracht, waar Inbev niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd iets tegenover heeft gesteld, gaat het hof ervan uit dat deze meerpremie vanaf 2011 op 1,3 ‰ dient te worden gesteld. De slotsom is dat de hierboven besproken grieven niet slagen, zodat de afwijzing van de vordering in conventie in stand blijft, zij het op andere gronden.

4.16

Vervolgens richten de grieven zich tegen de toewijzing van de vordering in reconventie tot € 24.913,78. Nu er geen incidenteel appel is ingesteld, vormt dat toegewezen bedrag in dit geding de bovengrens. De vraag ligt voor in hoeverre MUZ over de jaren 2002 tot 2015 onverschuldigd heeft betaald. MUZ heeft primair gesteld dat er in die jaren werd uitgegaan van een te hoge meerpremie en subsidiair (voor het geval haar betoog met betrekking tot de te hoge meerpremie niet opgaat) dat zij in elk geval 1,76 ‰ teveel heeft betaald omdat er in de polis kortingen zijn opgenomen voor de eigenaar van het pand die ten onrechte niet aan haar zijn doorberekend (een no-claimkorting in de vorm van een premierestitutie van 15% (0,66 ‰) en een relatiekorting in de vorm van 1,1 ‰ die na afloop van ieder verzekeringsjaar middels een separate nota is verwerkt).

4.17

Ten aanzien van de primaire grondslag overweegt het hof als volgt. Uit de gedingstukken blijkt dat MUZ eerst in 2010 heeft verzocht om inzicht in de meerpremie en om heronderhandeling. Dat MUZ daarover eerder voldoende concreet contact heeft gezocht met Inbev is onvoldoende onderbouwd . Uit hetgeen hiervoor onder 4.15 is overwogen volgt dat het hof van oordeel is dat in deze procedure kan worden aangenomen dat als de verhuurder adequaat had gereageerd op de verzoeken van MUZ, vanaf 2011 een aanpassing van de meerpremie was gevolgd die moet worden vastgesteld op 1,3 ‰. Per 1 januari 2016 is daadwerkelijk een aanpassing gevolgd. Over de jaren 2011 tot en met 2015 is er dus uitgaande van een betaalde meerpremie van respectievelijk 4,4 ‰ en 3,76‰ (namelijk tot 2013 4,4‰ en over 2014 en 2015 3,76‰) teveel gefactureerd en teveel betaald, zodat dat bedrag als onverschuldigd betaald kan worden toegewezen. Daarmee behoeft grief VII, waarmee Inbev haar beroep op verjaring van de vordering van MUZ, voor zover het de jaren voor 2011 betreft, hier geen bespreking.

4.18

Uitgaande van het per jaar gefactureerde premiebedrag (dat door Inbev inhoudelijk niet is betwist) leidt bijstelling van het premiepercentage (van respectievelijk 4,4 en 3,76 naar 1,3‰) tot het bedrag dat betaald had moeten worden, zoals MUZ in haar overzicht (door haar ingediend op de rolzitting van de kantonrechter van 28 juni 2017) heeft berekend. De daarbij gebruikte formule is verzekerde waarde x premie = premiebedrag. Nu is uitgegaan van het bij MUZ in rekening gebrachte premiebedrag is daarin de taxatiewaarde van dat jaar verdisconteerd. Inbev heeft de cijfers in dit overzicht onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele stelling (in de toelichting op grief IX) dat Inbev niet gehouden is de beste verzekering voor de beste prijs te sluiten is, zoals hiervoor overwogen, daartoe onvoldoende. Het hof zal dus van de in het overzicht genoemde premiebedragen uit gaan, die zijn gebaseerd op basis van de berekende premie waarbij steeds is uitgegaan van 3,76 minus 1 promille voor verhuurder en de aan huurder door te berekenen meerpremie van 1,3, zodat jaarlijks 2,46 promille teveel is betaald. Het gaat dan om de volgende bedragen tot een totaalbedrag van € 10.203,63 (uitgaande van het schema en de gehanteerde formule), waarbij over de jaren 2011, 2012 en 2013 het gefactureerde bedrag volledig is voldaan en in 2014 en 2015 gedeeltelijk:

Teveel betaald:

2015

€ 4.143,55

had moeten betalen € 450,38 (€ 4.143,50 : 2,76 x 0,3) betaald: € 268,- -/- € 182,38

2014

€ 4.143,50

had moeten betalen € 450,38 (€ 4.143,50 : 2,76 x 0,3) betaald: € 500,-

€ 49,62

2013

€ 4.042,25

had moeten betalen € 439,37 (€ 4.042,25 : 2,76 x 0,3)

€ 3.602,88

2012

€ 3.481,94

had moeten betalen

€ 378,47 (€ 3.481,94 : 2,76 x 0,3)

€ 3.103,47

2011

€ 4.072,73

had moeten betalen

€ 442,69 (€ 4.072,73 : 2,76 x 0,3)

€ 3.630,04

Totaal: € 10.203,63

4.19

Nu hiervoor onder 4.17 is geoordeeld dat MUZ onvoldoende heeft onderbouwd dat zij over de jaren vóór 2011 om heronderhandeling heeft verzocht, ligt haar subsidiaire standpunt ter beoordeling voor. MUZ heeft voor dat geval gesteld dat zij in elk geval recht heeft op doorberekening van de in de polis opgenomen kortingen. Vooropgesteld wordt dat MUZ tot het moment van het overleggen van de polis in deze procedure geen inzicht heeft gehad in de samenstelling ervan dus ook niet eerder de kwestie van doorberekening van de korting heeft kunnen aankaarten, zodat het beroep op verjaring door Inbev ten aanzien van de premie over de jaren vóór 2010 op grond van art. 3:309 BW niet opgaat. Het gaat dan om de no-claimkorting en de relatiekorting. MUZ heeft aangevoerd dat dit in feite een verdienmodel voor de verhuurder is waarmee de meerpremie kunstmatig hoog is gehouden. Inbev heeft betoogd dat zelfs als zou blijken dat op enig moment aan Malant als verzekeringnemer een korting zou zijn verleend, de huurovereenkomst geen grond biedt voor MUZ om aanspraak te maken op (een deel van) die korting. Voorts heeft zij aangevoerd dat niet zeker is dat de korting ook daadwerkelijk jaarlijks is verleend, dat er mogelijk nog kosten op in aftrek moeten worden gebracht (assurantiebelasting enz.) en dat niet is uit te sluiten dat deze korting al is verwerkt in de aan MUZ belaste meerpremie.

4.20

Het standpunt van Inbev dat de huurovereenkomst geen aanspraak geeft op korting kan niet zonder meer worden onderschreven. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de no-claimkorting en de relatiekorting. Ten aanzien van een no-claimkorting in de verzekeringspolis is het hof van oordeel dat deze in beginsel aan de verzekeringnemer toekomt. Mocht er immers sprake zijn van een voorval dat wordt gedekt door de verzekering kan de huurder aanspraak maken op schadevergoeding en kan de verzekeringnemer er voor kiezen om zelf die schade te vergoeden om de no-claimkorting voor de hele verzekeringsportefeuille te behouden. Zo heeft de verzekeringnemer het behoud van de no-claimkorting in eigen hand. Bij de relatiekorting kan dat anders liggen. Indien de korting namelijk standaard jaarlijks aan de verzekeringnemer wordt toegekend, kan het er in de kern op neerkomen dat de aan de verzekeraar verschuldigde meerpremie feitelijk lager zou uitkomen, zodat deze kunstmatig hoog is gehouden. De verhuurder belast de meerpremie immers aan de huurder door en krijgt per separate factuur aan het einde van het jaar een korting van 1,1 ‰ teruggestort. Het gaat dan niet om een aanspraak op korting maar om het aan de huurder doorbelasten van een te hoge meerpremie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de korting die aan het einde van het jaar per separate factuur aan de verzekeringnemer toekomt al in de meerpremie zou zijn verwerkt, zoals Inbev heeft betoogd. Het is echter ook niet met zekerheid vast te stellen dat die korting één op één moet worden doorberekend aan het pand in Zevenaar. Het gaat in de polis over een horecabedrijvenpremie zodat niet valt uit te sluiten dat dit een korting voor de gezamenlijk verzekerde panden betreft. Ook is nog niet duidelijk of deze korting vanaf het begin van de verzekeringsovereenkomst is gegeven.

4.21

Naar het oordeel van het hof hebben de partijen hun standpunten wat dit onderdeel betreft nog onvoldoende toegelicht omdat de discussie onvoldoende hierop was toegespitst, zodat de zaak naar de rol zal worden verwezen om de partijen gelegenheid te geven zich hierover nog uit te laten. Inbev zal als eerste aan de hand van relevante schriftelijke stukken (bijv. de verzekeringspolis en gegevens van de jaarlijks separaat gefactureerde kortingen) inzicht moeten geven in de aard en opbouw van deze korting, waarna MUZ gelegenheid krijgt daar bij antwoordakte op te reageren. Het hof geeft de partijen in overweging over dit punt gezamenlijk in overleg te treden om - met inachtneming van de overige in dit tussenarrest weergegeven uitgangspunten - tot een vergelijk te komen, zodat de bedoelde aktewisseling kan uitblijven en in dat overleg tevens Malant te betrekken die waarschijnlijk inzicht zal kunnen verschaffen (eventueel door middel van de verzekeringstussenpersoon) in de aard en de hoogte van de genoten korting en de eventueel toepasselijke voorwaarden.

4.22

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Inbev zoals hiervoor onder 4.20 en 4.21 bedoeld, waarna MUZ daar bij antwoordakte op zal mogen reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum van 27 augustus 2019 voor uitlating van de zijde van Inbev als bedoeld onder 4.20 en 4.21, waarna MUZ hierop bij antwoordakte zal mogen reageren;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, D.M.I. De Waele en J.G.J. Rinkes, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.