Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6042

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
200.261.256
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep. Openbare uitspraak, beroepstermijn. 28 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.261.256

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 476534)

beschikking van 23 juli 2019

inzake

[verzoeker] en [verzoekster] ,

beiden wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: respectievelijk de vader en de moeder (gezamenlijk ook: de ouders),

advocaat: mr. A.D.J. van Ruyven te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 19 maart 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- een beroepschrift met producties, ingekomen op 20 juni 2019;

- een faxbericht van mr. Van Ruyven met producties, ingekomen op 24 juni 2019;

- een brief van mr. van Ruyven van 24 juni 2019 met productie, ingekomen op 25 juni 2019.

2.2

De mondelinge behandeling, uitsluitend ten aanzien van de ontvankelijkheid van de ouders in hun hoger beroep, heeft op 10 juli 2019 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de GI is [B] verschenen.

Namens de raad voor de kinderbescherming is met bericht vooraf niemand verschenen.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

Aan de orde is de vraag of de ouders tijdig hoger beroep hebben ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 806 lid 1 onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep ingesteld te worden.

De termijn van instelling van het hoger beroep was, gerekend vanaf de datum van de bestreden beschikking - 19 maart 2019 -, op de dag van het indienen van het verzoekschrift in hoger beroep - 20 juni 2019 - dan ook verstreken.

3.2

De ouders stellen dat zij desondanks ontvankelijk zijn in het door hen ingestelde hoger beroep tegen de bestreden beschikking. Daartoe is het volgende aangevoerd.

De advocaat heeft bij faxbericht van 18 juni 2019 de zaak bij het hof aangebracht. Pas later is hij tot de ontdekking gekomen dat er "NG" op het rapport van verzending stond. NG staat kennelijk voor niet gestuurd, althans, het bleek de advocaat achteraf dat het faxbericht niet verstuurd is. Hij heeft het beroepschrift wel op 18 juni 2019 per post naar het hof gezonden. Dat het beroepschrift af was en verzonden is op 18 juni 2019, blijkt ook uit zijn mail naar de ouders waarin hij aan hen het hoger beroepschrift heeft verzonden. Het is dan ook op tijd verzonden, aldus de ouders.

Voorts stellen de ouders dat nu de beschikking pas later op schrift is gesteld

(9 april 2019) en is verzonden op 16 april 2019, die datum heeft te gelden voor aanvang van de beroepstermijn. In dat geval zijn de ouders ruim binnen de beroepstermijn in hoger beroep gekomen. De advocaat verwijst naar een, wat hem betreft, identieke situatie bij het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2015:4242).

3.3

Het hof overweegt het volgende.

Op grond van artikel 28 lid 1 Rv dient de uitspraak in het openbaar te geschieden. Onder de dag van de uitspraak wordt verstaan de dag waarop de rechterlijke beslissing openbaar wordt gemaakt. De kinderrechter heeft volgens de bestreden beschikking van 19 maart 2019 de beschikking mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019. De advocaat van de ouders heeft ter mondelinge behandeling in hoger beroep ook bevestigd dat de kinderrechter aan het eind van de zitting op 18 maart 2019 heeft medegedeeld dat op

19 maart 2019 een beslissing zou worden gegeven waarvoor telefonisch contact kon worden opgenomen, hetgeen namens de ouders ook door de advocaat is gedaan. Op 19 maart 2019 hebben de ouders de beslissing van de kinderrechter vernomen.

Het hof is van oordeel dat de situatie daarmee verschilt van de situatie van de door de advocaat van de ouders genoemde uitspraak van het hof Amsterdam.

De omstandigheid dat de schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op

9 april 2019 en dat de griffier van de rechtbank, blijkens de stempel op het afschrift van de beschikking, pas op 16 april 2019 het afschrift van de beschikking heeft verzonden, doet niet af aan het feit dat op 19 maart 2019 in het openbaar uitspraak is gedaan en dat die datum heeft te gelden als aanvangsdatum voor de beroepstermijn van drie maanden, zodat de ouders tot en met 19 juni 2019 de gelegenheid hadden om hoger beroep in te stellen tegen die beschikking.

Nu de ouders eerst na het verstrijken van de hoger beroepstermijn, te weten op 20 juni 2019, hun verzoek in hoger beroep hebben ingediend kunnen zij niet worden ontvangen in hun verzoek in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, R. Prakke-Nieuwenhuizen en

K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door F.E. Knoppert als griffier, en is op 23 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.