Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6017

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.247.829/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadestaat. Vraag welke schade is geleden door de verkoop van twee valse schilderijen. De stelling dat de gehele kunstcollectie van de koper daardoor besmet is geraakt en om die reden waardeloos is geworden, wordt door het hof niet gevolgd. Bij dat oordeel wordt betrokken dat de discussie oorspronkelijk ging over tien schilderijen waarvan slechts twee vals zijn geoordeeld, en dat zowel de begin- als eindwaarde van de collectie niet is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.247.829/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/120225 / HA ZA 17-185)

arrest van 23 juli 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.J. Jans, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. J.G. Besling, kantoorhoudend te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 4 juli 2018 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, heeft gewezen.

2 Het procesverloop in hoger beroep

2.1

Het procesverloop in dit hoger beroep blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van 6 augustus 2018;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel, met producties;

- de memorie van antwoord in het incidenteel appel, met producties;

- het proces-verbaal van de op 20 mei 2019 gehouden comparitie van partijen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen partijen staan in dit hoger beroep de volgende feiten vast.

3.2

[appellant] heeft een kunstcollectie verzameld. In februari 1999 heeft hij van [geïntimeerden] c.s. schilderijen gekocht die door [geïntimeerde1] werden aangeprezen als werken van het kunstenaarscollectief De Ploeg. Het gaat onder meer om de schilderijen Roggestompen, Blauw Borgje, Gronings landschap, Pic de Luc en Reitdiep. [appellant] heeft deze schilderijen doorverkocht aan Koop Holding B.V (Koop). Nadat het vermoeden was gerezen dat de schilderijen vals waren, heeft [appellant] deze teruggekocht.

3.3

[appellant] is vervolgens een gerechtelijke procedure gestart tegen [geïntimeerden] c.s. bij de toenmalige rechtbank Assen waarbij hij heeft gesteld dat 10 schilderijen die hij van [geïntimeerden] c.s. heeft gekocht vals of niet authentiek zijn. De rechtbank heeft een deskundigenbericht ingewonnen en heeft op basis daarvan in een vonnis van 30 januari 2008 geoordeeld dat niet voor juist kan worden gehouden dat de schilderijen vals/niet authentiek zijn. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld. Het toenmalige gerechtshof Leeuwarden heeft [appellant] toegelaten tot het bewijs dat vijf schilderen vals zijn. Ter voldoening van deze bewijsopdracht heeft [appellant] een rapport overgelegd van Forensicon en getuigen/deskundigen laten horen door het gerechtshof. In een arrest van 30 oktober 2012 heeft het gerechtshof geoordeeld dat het schilderij Pic de Luc met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid als niet van de hand van Altink moet worden bestempeld, zodat [appellant] ten aanzien van dit schilderij in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. Ten aanzien van het schilderij Reitdiep heeft het gerechtshof geconcludeerd dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid evenmin van de hand van Altink moet worden aangemerkt, en dat de signatuur niet van Altink is, zodat [appellant] ook ten aanzien van dit schilderij in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. Ten aanzien van de schilderijen Roggestompen, Blauw Borgje en Gronings landschap komt het gerechtshof tot de conclusie dat weliswaar aan de echtheid van de werken kan worden getwijfeld, maar dat de valsheid van deze werken en de daarop vermelde signatuur niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is komen vast te staan. Het hof heeft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de werken Roggestompen, Blauw Borgje en Gronings landschap bekrachtigd. De overige vijf werken maakten geen onderdeel meer uit van de procedure. De zaak is vervolgens terugverwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling.

3.4

In een tussenvonnis van 23 juli 2014 heeft de rechtbank de schadevorderingen van [appellant] behandeld. In het vonnis gaat de rechtbank in op diverse schadeposten. Ten aanzien van de vorderingen onverkoopbare "besmette" privé kunstcollectie (ad 2) en gederfde verkoopopbrengst (ad 3) is geoordeeld dat deze gedeeltelijk naar de schadestaatprocedure zullen worden verwezen. De rechtbank heeft ten aanzien van deze vorderingen het volgende overwogen.

Ad 2.

[appellant] stelt dat het resterende deel van zijn privé collectie door deze affaire in de kunstwereld - geheel of ten onrechte - werd geassocieerd met "fout werk". Daardoor kon hij zijn collectie niet of nauwelijks meer onder normale verkoopomstandigheden tegen de reële waarde te gelde maken. [appellant] schat deze schade in redelijkheid op € 40.000,00.

De rechtbank is van oordeel, dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] door het onderhavige geschil enige schade heeft geleden in de door hem bedoelde zin, zodat de vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal worden toegewezen.

Ad 3.

Tussen partijen staat als onbetwist vast dat [appellant] de vijf schilderijen, die in de onderhavige procedure, na de vermindering van eis in de procedure in hoger beroep, nog een rol spelen, gekocht heeft van [geïntimeerden] c.s. voor een bedrag van in totaal € 12.021,00 en dat hij die schilderijen verkocht heeft aan Koop Holding voor een bedrag van € 37.750,00. Hij stelt derhalve een verlies geleden te hebben van € 25.729,00 doordat hij de schilderijen tegen het verkoopbedrag van Koop Holding moest terugnemen, toen er verdenking ontstond dat die schilderijen vals waren. Hij vordert laatst genoemd bedrag als opbrengstverlies.

De rechtbank is van oordeel dat [appellant] het verschil tussen aan- en verkoopprijs voor wat betreft de twee schilderijen als schade in rekening kan brengen bij [geïntimeerden] c.s.. De vordering is dan ook in zoverre toewijsbaar. [appellant] heeft ten aanzien van de twee schilderijen niet een exact bedrag gevorderd. In aanmerking nemend de opgave van [appellant] betreffende de aan- en verkoopprijzen van de vijf schilderijen in totaal komt de rechtbank tot een schadebedrag voor wat betreft de twee schilderijen van € 9.710,89. Deze schade is tot dit bedrag dan ook toewijsbaar. Voor het overige is de vordering thans niet toewijsbaar, aangezien ten aanzien van de overige drie schilderijen niet is vastgesteld dat deze voor vals moeten worden gehouden. [appellant] kan de vordering in zoverre inbrengen in de schadestaatprocedure ingeval hij meent dat deze drie schilderijen, als behorend tot zijn privé collectie in waarde zijn verminderd door toedoen van [geïntimeerden] c.s.."

3.5

In het eindvonnis van 19 november 2014 heeft de rechtbank de in februari 1999 tussen [appellant] en [geïntimeerden] c.s. gesloten overeenkomst betreffende de (ver)koop van de schilderijen Reitdiep en Pic de Luc ontbonden, [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan [appellant] van € 32.006,81, alsmede in de proceskosten en kosten van beslag, het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard en [geïntimeerden] c.s. veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat voor wat betreft de onverkoopbare, "besmette" privé kunstcollectie en gederfde verkoopopbrengst.

4 De vordering en de beslissing van de rechtbank

4.1

[appellant] heeft in deze schadestaatprocedure gevorderd dat [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk worden veroordeeld aan [appellant] te betalen (i) € 362.237,-, (ii) € 7.500,- en (iii) € 98.412,61 - een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering onder (i) zo begrepen dat die betrekking heeft op materiële schade, die door [appellant] in drie componenten is onderverdeeld, te weten:

A. Kosten van technisch onderzoek naar de authenticiteit van de vijf gekochte schilderijen;

B. De kosten van aanschaf van de drie schilderijen die twijfelachtig zijn en mitsdien nu van generlei waarde zijn;

C. De waardevermindering van de collectie van [appellant] en de gederfde winst ten aanzien van niet gerealiseerde verkoopopbrengsten van die schilderijen;

4.2

De rechtbank heeft de vordering onder (ii) opgevat als vergoeding van reputatieschade en de vordering onder (iii) als verdere gevolgschade, bestaande uit de kosten van juridische bijstand en schade in verband met de verkoop van een huis.

4.3

De rechtbank heeft geconcludeerd dat, hoewel niet is vastgesteld dat Roggestompen, Blauw Borgje en Gronings landschap vals zijn, de schade die [appellant] heeft geleden doordat hij ook deze drie schilderijen van Koop heeft moeten terugkopen, als een gevolg van de verkoop van de wel vals bevonden schilderijen aan [geïntimeerden] c.s. kan worden toegerekend. Om verdere schade en aansprakelijkheid te voorkomen, heeft hij namelijk terecht alle vijf schilderijen teruggekocht. Door het terugkopen van de schilderijen is [appellant] de winst van de verkoop aan Koop misgelopen. Voor deze drie schilderijen gaat het daarbij om € 16.018,11. Voor dit bedrag is de vordering onder (i) toegewezen, vermeerderd met rente en kosten. Voor het overige is dat onderdeel van de vordering afgewezen, evenals de onderdelen (ii) en (iii).

5 De beoordeling

In het principaal en het incidenteel appel

5.1

De grieven van beide partijen lenen zich voor de volgende gezamenlijke, thematische beoordeling.

Gederfde winst (incidentele grief 1 van [geïntimeerden] c.s.)

5.2

[geïntimeerden] c.s. klagen over de toewijzing van € 16.018,11 aan gederfde winst en betogen dat [appellant] de andere drie schilderijen helemaal niet van Koop heeft teruggenomen om verdere schade en aansprakelijkheid te voorkomen. Op dat moment was er zelfs nog geen rapportage over mogelijke valsheid van die schilderijen opgemaakt; de werkelijke reden was, dat hij een substantieel bedrag van Koop te vorderen had, dat hij dringend nodig had omdat hij aan de rand van de financiële afgrond stond, aldus [geïntimeerden] c.s.

5.3

De grief grijpt geheel terug op uitlatingen die van de zijde van [appellant] zijn gedaan bij gelegenheid van de comparitie van 2 november 2005. Daarin heeft de toenmalige advocaat van [appellant] het volgende opgemerkt.

Aan de heer [C] is per brief van 26 april 2002 door Koop kenbaar gemaakt dat een aantal schilderijen twijfelachtig zou zijn. Waar dit op is gebaseerd wordt niet kenbaar gemaakt. Dit is in geen geval het moment waarop de heer [appellant] wist dat de geleverde goederen niet aan de overeenkomst zouden beantwoorden. Koop is natuurlijk geen deskundige dus zij heeft de heer [D] er naar laten kijken. Ondertussen speelde er nog een andere kwestie. De heer [appellant] had een substantieel bedrag te vorderen van Koop. [appellant] stond aan de rand van de financiële afgrond en had dit bedrag dringend nodig, anders waren de problemen niet te overzien. Dat is voor de heer [appellant] de belangrijkste reden geweest om de schilderijen van Koop terug te nemen. De heer [appellant] zou dan namelijk het substantiële bedrag verkrijgen. Hij stond dus zogezegd met zijn rug tegen de muur. Eerst dit probleem oplossen en dan maar zien of er echt iets mis zou zijn met de schilderijen.

5.4

Uit deze opmerkingen blijkt slechts

- dat Koop zich erop beriep dat de vijf schilderijen mogelijk niet aan de overeenkomst beantwoordden (dat er twijfels waren over de echtheid ervan);

- dat hij daarvoor een deskundige had ingeschakeld;

- dat [appellant] zich een discussie daarover niet kon veroorloven;

- dat [appellant] in die situatie ervoor heeft gekozen alle ter discussie gestelde schilderijen terug te nemen, omdat hij alleen dan van Koop een substantieel bedrag zou krijgen;

- dat hij pas daarna zou bezien of inderdaad iets mis was met de schilderrijen.

5.5

Uit deze uitlatingen blijkt dan ook wel degelijk dat het beroep op de mogelijke valsheid van de schilderijen aanleiding was ze terug te nemen, en dat dat gebeurde om verdere schade en aansprakelijkheid te voorkomen. Vast staat bovendien dat de twijfel van Koop ten aanzien van twee van deze schilderijen terecht was. Op die constatering strandt de grief.

De waardedaling van Roggestompen, Blauw Borgje en Gronings landschap (grief I van [appellant] )

5.6

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] onvoldoende gesteld om schadevergoeding ter hoogte van de door hemzelf aan [geïntimeerde1] betaalde koopprijs van Roggestompen, Blauw Borgje en Gronings landschap toe te kennen; hij heeft wel gesteld dat die werken waardeloos zijn, maar de rechtbank heeft aangenomen dat hij deze schilderijen net als de rest van de collectie heeft verkocht of geschonken. Of de schilderijen iets hebben opgebracht (en hoeveel) is onduidelijk gebleven, aldus de rechtbank.

5.7

[appellant] wijst er in zijn grief tegen dat oordeel terecht op dat deze schilderijen bij het hof in depot zijn gegeven. Ze zijn door hem dus niet verkocht of geschonken. Hij voert aan dat het predicaat 'twijfelachtig' dat nu aan deze schilderijen kleeft, in de kunstwereld gelijk moet worden gesteld met 'vals en niet echt'. De waarde ervan is daarom nu nul. Het vermogen van [appellant] is volgens hem dus afgenomen met de aanschafprijs van deze schilderijen.

5.8

Bij de beoordeling van deze grief maakt het hof onderscheid tussen het effect van de verkoop van twee valse schilderijen op de waarde van de gehele kunstcollectie van [appellant] (waarover hierna meer) en het effect van het predicaat 'twijfelachtig' van de drie genoemde schilderijen. Dat laatste is een conclusie waartoe deskundigenoordelen over de echtheid van die schilderijen inderdaad dwingen. Deze onderzoeken heeft [appellant] echter op eigen initiatief en op eigen kosten laten uitvoeren. De bedoeling die hij daarbij had, was de valsheid van de schilderijen aan te tonen. Nu dat niet is gelukt (en het predicaat 'twijfelachtig' niet tot ontbinding of vernietiging van de koop van die schilderijen heeft geleid), kunnen de negatieve gevolgen die deze taxaties mogelijk voor de waarde van zijn schilderijen hebben gehad niet als schade worden toegerekend aan de verkoop van twee andere schilderijen, waarvan de valsheid wel is komen vast te staan. In zoverre is de grief dus ongegrond.

De waardedaling van de gehele, 'besmette' collectie van [appellant] (grieven I en III van [appellant] )

5.9

[appellant] heeft in totaal € 325.023,- met rente gevorderd aan schade die bestaat uit de waardedaling van zijn hele kunstcollectie als gevolg van het feit dat [geïntimeerden] c.s. hem twee valse schilderijen hebben verkocht. Hij zegt zijn 'onverkoopbare' en ' besmette' deelcollecties [E] en [geïntimeerde1] tegen bodemprijzen te hebben moeten verkopen. Het onverkoopbare restant heeft hij aan goede doelen moeten schenken. De rechtbank heeft die vordering integraal afgewezen.

5.10

Uitgangspunt bij de beoordeling van de daartegen gerichte grief is, dat de gestelde waardedaling van de gehele collectie van [appellant] moet zijn veroorzaakt door de verkoop van de twee als vals bestempelde schilderijen, en dat die waardedaling (als daarvan al sprake is, waarover hierna meer) niet zou zijn opgetreden als de aankoop (en verkoop) van die schilderijen achterwege zou zijn gebleven. Dat oorzakelijke verband is niet afdoende onderbouwd. In een dergelijke hypothetische situatie zou immers nog steeds sprake zijn geweest van een langdurige en hoogoplopende, publiekelijk uitgevochten ruzie over de echtheid van acht andere werken. Ook die schilderijen heeft [appellant] in 2001aan Koop verkocht, en ook over de echtheid daarvan ontstond bij Koop twijfel. Koop heeft daar toen onderzoek naar laten doen door de heer [D] , conservator van het Gronings Museum. In zijn rapport van juni 2002 over (onder meer) deze acht schilderijen heeft [D] meegedeeld dat hij van oordeel was dat de schilderijen niet door de betreffende schilders (Altink, Wiegers en Dijkstra) zijn geschilderd. Op 28 oktober 2002 heeft [F] , beëdigd Register Makelaar-Taxateur in Kunst, Antiek en Inboedelgoederen, verklaard dat deze schilderijen geen waarde hebben, en in een bij brief van 12 juli 2002 heeft [G] van Kunsthandel/Galerie [G] te [A] de bevindingen [D] onderschreven. Op 2 mei 2003 ten slotte, heeft [H] van de gelijknamige kunsthandel uit [A] de opvatting gedeeld dat (ook) deze acht schilderijen niet zijn gemaakt door de genoemde schilders.

5.11

Het hof ziet niet in dat dit alles geen (of slechts een beperkt) effect op de waarde van de collectie van [appellant] zou hebben gehad, en dat de gestelde waardedaling het overwegende of zelfs het uitsluitende gevolg is van de aan- en verkoop van twee andere, indertijd ook voor vals gehouden schilderijen. [geïntimeerde1] lijkt daar ook niet van uit te gaan, waar hij ter zitting opmerkt dat hij als persoon al besmet is geraakt vanaf het moment dat bekend was dat er gedoe over schilderijen was tussen ene dhr. [appellant] uit [A] en de familie [geïntimeerden] uit [B] .

5.12

Hier komt nog bij dat [appellant] ook de stelling dat de collectie waardeloos is geworden niet deugdelijk heeft onderbouwd. Om vast te kunnen stellen of - en zo ja: in hoeverre - de waarde van een kunstverzameling is gedaald, moet immers allereerst informatie beschikbaar zijn over de waarde ervan voordat de daling is ingezet. Ook in hoger beroep heeft [appellant] wel beweerd, maar niet met taxaties of anderszins onderbouwd dat de collecties [E] en [geïntimeerde1] een reële verkoopwaarde hadden van respectievelijk € 200.000,- en € 60.000,-. Ten aanzien van de oorspronkelijke waarde van de andere schilderijen ontbreekt eveneens elke deugdelijke onderbouwing. Bovendien is het standpunt dat de collecties [E] en [geïntimeerden] uiteindelijk onverkoopbaar waren, onverenigbaar met het vaststaande feit dat [appellant] deze schilderijen voor € 75.000,- respectievelijk € 22.500,- heeft verkocht. Die bedragen zijn weliswaar veel lager dan de door [appellant] gestelde waarde, maar waardedaling van schilderijen kan velerlei oorzaken hebben. Wat de overige schilderijen betreft - [appellant] heeft die geschonken, waarna de ontvangers ze deels hebben geveild - ziet het hof niet in dat (en waarom) de schilderijen na en door een dergelijke veiling van hun 'besmetting' zouden zijn ontdaan (ofwel: los zouden zijn gekomen van de 'besmettingshaard'). Er is dus geen aanleiding om te veronderstellen dat de veilingopbrengsten die na de schenkingen zijn gerealiseerd niet ook door [appellant] zelf hadden kunnen worden verkregen. Meer in het algemeen moet die conclusie voor alle schilderijen van [appellant] worden getrokken: zoals ter zitting niet gemotiveerd is bestreden, stond niets eraan in de weg dat [appellant] zijn schilderijen zelf aan veilinghuizen zou hebben aangeboden of zou hebben laten aanbieden, zonder dat informatie over de inbrenger aan de koper bekend zou hoeven te worden gemaakt. Dergelijke provenance is bij reguliere veiling zelfs niet gebruikelijk. Dat [appellant] hier niet voor heeft gekozen, doet aan dit uitgangspunt niet af. Behalve over de eerdere waarde zijn dus ook de stellingen over de restwaarde van de verzameling niet deugdelijk onderbouwd. Dat betekent dat de grief geen doel kan treffen.

Reputatieschade (grief IV van [appellant] )

5.13

Voor zover [appellant] zijn vordering tot vergoeding van reputatieschade handhaaft, moet de desbetreffende grief stranden op de constatering dat die vordering al in het vonnis van 23 juli 2014 onder 2.37 is afgewezen, en dat de schadestaatprocedure geen ruimte biedt voor de beoordeling ervan (zie in die zin ook het bestreden vonnis van 4 juli 2018 onder 5.19). Het hof voegt daar aan toe dat een vordering die is gebaseerd op schending van een goede reputatie, veronderstelt dat sprake is van een juridisch relevante reputatie, die kan worden geschonden. Dat dat aan de orde is, is niet onderbouwd. Een dergelijke vordering kan namelijk niet worden gebaseerd op het enkele verzamelen van kunst of bekendheid als verzamelaar, en ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij daarnaast niet ook kunstkenner is, of handelaar in kunst.

Gemaakte kosten (grieven II en V van [appellant] )

5.14

[appellant] heeft ook zijn vordering tot vergoeding van kosten juridische bijstand gehandhaafd. Het hof leest in de desbetreffende grieven en in de daarop gegeven toelichtingen in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die al in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. [geïntimeerden] c.s. hebben terecht het verweer gevoerd dat voor dergelijke schade geen verwijzing naar de schadestaat heeft plaatsgehad. Verwezen wordt naar rechtsoverwegingen 2.11, 2.12, 2.14 en 2.39 van het vonnis van 23 juli 2014 en wat de rechtbank, daarop voortbouwend, heeft overwogen in het vonnis van 4 juli 2018 onder 5.6 en 5.7.

Schade in verband met de verkoop van een huis (grief VI van [appellant] )

5.15

[appellant] heeft aangevoerd - en handhaaft met zijn zesde grief - dat de kosten van juridische bijstand zo zwaar op zijn vermogen en inkomen hebben gedrukt, dat hij gedwongen was zijn woning te verkopen. Hij stelt daardoor schade te hebben geleden.

5.16

Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die al in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de rechtbank ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

Tot slot

5.17

De grieven in het principaal en incidenteel appel bevatten geen stellingen die hiervoor niet zijn besproken (meer specifiek geld dat voor grief VII in het principaal appel), en die wel tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Verdere bespreking van de grieven is daarom niet nodig. [appellant] zal in het principaal appel als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (tariefgroep VII, 1,5 punten, waarbij het hof voor de comparitie een half punt heeft toegekend gelet op de gevoegd behandeling in de parallelle procedure tussen beide partijen). De kostenveroordeling valt in het incidenteel appel aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. (tariefgroep III, 0,5 punten).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

In het principaal en het incidenteel appel


bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 4 juli 2018;

In het principaal appel

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 1.649,- voor verschotten en op € 7.017,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze uitspraak ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In het incidenteel appel

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op nihil voor verschotten en op € 695,50- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze uitspraak ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. J.H. Kuiper en mr. K.E. Mollema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2019.