Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:6005

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.237.248/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Snoeien laurierhaag. Onrechtmatige daad. Schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.237.248/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6078446 CV EXPL 17-7533)

arrest van 23 juli 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.J. de Boer, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2],

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat mr. M.R. van der Veen, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

27 juni 2017 en 9 januari 2018 die de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 april 2018,

- de memorie van grieven (met productie),

- de memorie van antwoord (met producties).

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

Het van de zijde van [geïntimeerden] c.s. overgelegde procesdossier bevat naast de conclusie van antwoord van 16 juni 2017 een aanvullende conclusie van antwoord gedateerd 5 juli 2017. Beide door [geïntimeerden] c.s. overgelegde stukken zijn niet door [geïntimeerden] c.s. ondertekend, bevatten geen stempel van de griffie en geen producties. In het door [appellant] overgelegde procesdossier bevindt zich een van een stempel van de griffie voorziene conclusie van antwoord van 16 juni 2017 met producties. De aanvullende conclusie van antwoord ontbreekt in het door [appellant] overgelegde procesdossier. In het tussenvonnis van 27 juni 2017 waarin een comparitie ter plaatse is gelast (welk tussenvonnis weer niet door [geïntimeerden] c.s. is overgelegd) wordt onder het kopje procesverloop melding gemaakt van “de conclusie van antwoord met producties”. Gelet op het feit dat in het tussenvonnis melding wordt gemaakt van “de conclusie van antwoord met producties” gaat het hof er van uit dat de aanvullende conclusie van antwoord geen onderdeel uitmaakt van de processtukken in eerste aanleg, met name ook nu dit door [geïntimeerden] c.s. overgelegde stuk niet is voorzien van een stempel van de griffie. Het hof zal dit processtuk (aanvullende conclusie van antwoord) bij de beoordeling buiten beschouwing laten. Verder zal het hof de door [appellant] overgelegde conclusie van antwoord van 16 juni 2017 met producties bij de beoordeling tot uitgangspunt nemen nu dit stuk is voorzien van een stempel van de griffie en ondertekend door [geïntimeerde1] .

2.4

[appellant] heeft (nog) niet kunnen reageren op de producties die [geïntimeerden] c.s. bij de memorie van antwoord hebben overgelegd. Het hof zal daarom niet in het nadeel van [appellant] met deze producties rekening houden. Uit wat hierna volgt, blijkt dat [geïntimeerden] c.s. daardoor niet in hun belangen worden geschaad.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis van 9 januari 2018 nu daartegen geen grieven zijn gericht en ook anderszins niet is gebleken van bezwaren daartegen.

3.2

[appellant] is eigenaar van het perceel [a-straat 1] te [A] . Het perceel van [appellant] grenst aan het perceel [a-straat 2] te [A] dat in eigendom is van de familie [C] .

3.3

Tussen de beide percelen op de grond van [appellant] , staat een schutting. Aan de kant van [appellant] staat voor de schutting een laurierhaag en daarvoor is een hek van betongaas geplaatst. Weer daarvoor bevindt zich een houtwal, althans een laag van (snoei)afval. De laurierhaag staat, over een lengte van circa 9 meter, op ongeveer 50 tot 60 centimeter van de erfgrens. Op het perceel [a-straat 2] staat 2 meter vanaf de schutting de woning van de familie [C] . De ramen van de keuken en de badkamer van de woning van de familie [C] bevinden zich aan de kant van de schutting van [appellant] .

3.4

Bij brieven van onder andere 27 september 2016 en 3 oktober 2016 heeft de familie [C] [appellant] verzocht de laurierhaag te snoeien.

3.5

De familie [C] heeft op 24 april 2017 met een aantal personen, waaronder [geïntimeerden] c.s., de laurierhaag gesnoeid tot de hoogte van de schutting.

3.6

[appellant] heeft op 24 april 2017 aangifte gedaan wegens vernieling van eigendom alsmede van bedreiging.

3.7

[appellant] heeft [geïntimeerden] c.s. gesommeerd het snoeiafval te verwijderen en de schade te herstellen. [geïntimeerden] c.s. hebben hier niet op gereageerd.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gevorderd [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding van primair € 12.950,73 en subsidiair een door de kantonrechter overeenkomstig artikel 6:97 BW vast te stellen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten.

4.2

[geïntimeerden] c.s. hebben verweer gevoerd.

4.3

De kantonrechter heeft na een comparitie ter plaatse bij vonnis van 9 januari 2018 geoordeeld dat het [geïntimeerden] c.s. op grond van artikel 5:44 BW was toegestaan de familie [C] te helpen bij het verwijderen van overhangende takken, maar dat zij in beginsel onrechtmatig hebben gehandeld door de laurierhaag rigoureus terug te snoeien tot de hoogte van de schutting en dat zij gehouden zijn de dientengevolge door [appellant] geleden schade te vergoeden. De door [appellant] gevorderde schadevergoeding in verband met de vervanging van de laurierhaag is door de kantonrechter evenwel afgewezen omdat de laurierhaag onrechtmatige hinder veroorzaakte. De kantonrechter heeft de kosten in verband met het verwijderen van snoeiafval op de voet van artikel 6:97 BW zelf vastgesteld op € 300,-.

De kantonrechter heeft [geïntimeerden] c.s. veroordeeld tot betaling van € 300,- aan [appellant] en tot betaling van de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] vordert in het hoger beroep na wijziging van eis, kort samengevat, vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 9 januari 2018 en een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en de dientengevolge geleden schade dienen te vergoeden, met veroordeling van [geïntimeerde1] tot betaling van € 12.950,73, althans een door het hof op basis van artikel 6:97 BW vast te stellen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, en veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de kosten van de beide instanties.

5.2

Tegen de eiswijziging van [appellant] is door [geïntimeerden] c.s. op zich geen bezwaar gemaakt. Omdat het hof ook ambtshalve geen strijd met de goede procesorde aanwezig acht, zal het hof recht doen op de gewijzigde eis (artikel 353 lid 1 Rv in samenhang met artikel 130 Rv). Het hof merkt in dit verband op dat [appellant] zijn eis in het eerste inhoudelijke processtuk in hoger beroep, dus tijdig, heeft gewijzigd.

5.3

[appellant] is met zes als zodanig kenbare grieven opgekomen tegen het vonnis van de kantonrechter. De grieven leggen het geschil in volle omvang voor aan het hof, met uitzondering van de door de kantonrechter ex artikel 6:97 BW vastgestelde en toegewezen kosten voor het opruimen van het tuinafval. Door [appellant] zijn geen grieven gericht tegen dit onderdeel van het vonnis en door [geïntimeerden] c.s. is geen incidenteel appel ingesteld, zodat dit punt geen onderdeel uitmaakt van het hoger beroep. Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5.4

[appellant] baseert zijn vordering tot schadevergoeding op artikel 6:162 BW. Voor aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW dient voldaan te zijn aan een vijftal vereisten, te weten: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid van de daad aan de dader, schade, causaal verband tussen daad en schade en relativiteit.

5.5

Als uitgangspunt geldt dat degene die, opzettelijk of verwijtbaar, een aan een ander toebehorende zaak beschadigt, daarmee inbreuk maakt op diens eigendom. Een dergelijke inbreuk op het recht van de eigenaar levert in beginsel een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW.

5.6

Vaststaat dat [geïntimeerden] c.s. op 24 april 2017 als vriendendienst / op verzoek van de familie [C] (de buren van [appellant] ), zonder toestemming van [appellant] , de laurierhaag van [appellant] hebben teruggesnoeid tot ongeveer twee meter hoogte. Door zonder toestemming van de [appellant] beplanting te verwijderen / te snoeien wordt inbreuk gemaakt op een eigendomsrecht van [appellant] . Omdat hiervoor geen rechtvaardigingsgrond aanwezig was en het handelen aan [geïntimeerden] c.s. toerekenbaar is (dat sprake was van een vriendendienst maakt dit niet anders) en ook aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, is sprake van een onrechtmatig handelen dat leidt tot een vergoedingsplicht indien, alle omstandigheden in aanmerking genomen, komt vast te staan dat vermogensschade is toegebracht.

5.7

Vervolgens komt de vraag naar de omvang van de geleden schade, waar het in deze zaak om draait, aan de orde.

5.8

Uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven (Hoge Raad 5 december 2008, ECLI:NLHR:2008:BE9998). De redelijkheid kan meebrengen dat als zich door de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid wordt gebaseerd weliswaar een feitelijke wijziging heeft voorgedaan maar geen waardevermindering en de benadeelde geen redelijk belang heeft bij feitelijk herstel van de oude toestand, hem ter zake geen vergoeding toekomt

(Hoge Raad 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9830).

5.9

In een geval van zaaksbeschadiging - zoals zich dat hier voordoet - geldt het volgende: gaat het om beschadiging van een zaak waarvan herstel mogelijk en economisch verantwoord is, dat wil zeggen dat de kosten van herstel de waarde van de zaak voor verlies of beschadiging niet overtreffen, dan pleegt de schade te worden gesteld op de redelijke
- naar objectieve maatstaven berekende - kosten van herstel, ook al vindt herstel feitelijk niet, of tegen geringere kosten, plaats. Wanneer herstel niet mogelijk of verantwoord is
- bijvoorbeeld omdat de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de beschadiging opgetreden waardevermindering te zeer overtreffen -, dan dient de aansprakelijke de waarde van de zaak in het economisch verkeer (de ‘marktwaarde’) ten tijde van het verlies te vergoeden, zodat de benadeelde in staat is om zich een vergelijkbare zaak te verwerven (Hoge Raad 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2786 en

Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208). Het beoordelingstijdstip voor de begroting van de schade is steeds het moment van de beschadiging, zij het dat onder omstandigheden gebeurtenissen van later datum kunnen meebrengen dat van de getroffen eigenaar in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt.

5.10

[appellant] vordert een bedrag van € 12.950,73 aan schadevergoeding. [appellant] heeft hiertoe gesteld dat als gevolg van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] c.s. het wortelgestel is aangetast en dat de oorspronkelijke vorm van de laurierhaag teniet is gegaan en nooit meer hersteld kan worden, zodat de laurierhaag onherstelbaar is beschadigd hetgeen tot vervanging noodzaakt. De schade bestaat dan ook uit de kosten van het verwijderen van de oude laurierhaag en de aanschaf en herplanting van gelijkwaardige exemplaren, die in een door [appellant] aangevraagde en in het geding gebrachte offerte van Viridis Mundis groenonderhoud zijn begroot op het gevorderde bedrag.

5.11

Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel op [appellant] .

5.12

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn schadevordering dat de laurierhaag vervangen moet worden in verband met wortelsterfte, in eerste aanleg een printscreen van een internetpagina “De tien gouden snoeiregels” overgelegd waarin staat “Te sterke groei heeft wortelsterfte tot gevolg”. Uit het vonnis van de kantonrechter van 9 januari 2018 blijkt echter dat de kantonrechter ter plaatse op 7 november 2017 heeft vastgesteld dat de laurierhaag na het snoeien op 24 april 2017 weer is uitgelopen en dat de kantonrechter niet is gebleken van schade aan onder meer het wortelgestel van de laurierhaag. In hoger beroep heeft [appellant] niet weersproken dat de laurierhaag is uitgelopen, maar heeft hij aangevoerd dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de laurierhaag gezond en niet onherstelbaar beschadigd is. [appellant] heeft verder opnieuw verwezen naar de in eerste aanleg overgelegde internetpagina.

5.13

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met het vorenstaande in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat de laurierhaag onherstelbaar is beschadigd en vervangen dient te worden. Omdat door [appellant] niet is weersproken dat de laurierhaag weer is uitgelopen kon hij ter onderbouwing van zijn stelling dat de laurierhaag onherstelbaar is beschadigd niet volstaan met een verwijzing naar een in algemene termen geformuleerde tekst op een internetpagina. Hieruit kan op geen enkele wijze worden afgeleid wat het snoeien tot gevolg heeft gehad voor de laurierhaag in kwestie en of dat wortelsterfte tot gevolg heeft gehad. Door [appellant] is verder op geen enkele wijze - bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van een deskundige - onderbouwd dat zijn laurierhaag onherstelbaar is beschadigd en vervangen moet worden, wat in het licht van de constatering van de kantonrechter wel van hem verwacht had mogen worden. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat de laurierhaag onherstelbaar is beschadigd en er een noodzaak tot vervanging is. Voor zover de vordering van [appellant] is gebaseerd op de stelling dat de laurierhaag vervangen dient te worden als gevolg van wortelsterfte dient zij als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen. Omdat de stelling dat dat de laurierhaag wegens wortelsterfte vervangen dient te worden onvoldoende onderbouwd is, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Een concreet bewijsaanbod op dit punt ontbreekt overigens ook.

5.14

Ter onderbouwing van zijn schadevordering heeft [appellant] verder gesteld dat de oorspronkelijke hoogte en vorm zijn verdwenen en dat die vorm met “een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid nimmer meer zal kunnen worden hersteld”. Herstel is niet mogelijk, zo begrijpt het hof de stelling van [appellant] , en de beschadigingen noodzaken tot vervanging.

5.15

Dat de laurierhaag als gevolg van het snoeien is beschadigd, in die zin dat de laurierhaag met ongeveer twee meter is ingekort, staat wel vast. Ook mag het als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat letterlijk herstel van een plant of boom als levend organisme na snoeien niet mogelijk is. Herstel is veeleer gelegen in de kosten van maatregelen gericht op het natuurlijk herstel van de plant of boom. Ook kan er sprake zijn van andere kosten die het gevolg zijn van de beschadiging, zoals maatregelen om de geringe hoogte van de laurierhaag op andere wijze te compenseren (Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145). Het zijn echter niet deze kosten die [appellant] vordert, maar de kosten van vervanging van de laurierhaag. Die vraag is of de door [appellant] gestelde beschadiging, vorm en hoogte zijn verdwenen, noodzaken tot herstel in de zin van vervanging en in het verlengde daarvan tot vergoeding van de door [appellant] gevorderde schade (vervangingskosten). Herstel kan, zo begrijpt het hof de stelling van [appellant] , enkel plaatsvinden door de laurierhaag te vervangen.

5.16

De laurierhaag heeft als gevolg van het snoeien, in ieder geval tijdelijk, zijn vorm en hoogte verloren, zo begrijpt het hof de stellingen van [appellant] . [appellant] heeft echter op geen enkele wijze nader toegelicht wat de oorspronkelijke vorm van de haag was noch onderbouwd dat die vorm zich niet meer kan herstellen. Ten tijde van de comparitie in eerste aanleg was de laurierhaag al weer uitgelopen en door [appellant] is niet toegelicht waarom in dit concrete geval niet te verwachten is dat de laurierhaag weer zijn oorspronkelijke hoogte zal bereiken. Verder is door [appellant] niet gesteld dat er dringende redenen zijn om de laurierhaag direct te vervangen in verband met het verlies aan hoogte en vorm. Gelet op het feit dat niet is aangetoond welke vorm verloren is gegaan, de laurierhaag eind 2017 al weer was uitgelopen en niet is toegelicht waarom de laurierhaag niet zal herstellen/ weer zijn oorspronkelijke hoogte zal bereiken, acht het hof het in de gegeven omstandigheden onvoldoende onderbouwd en aangetoond dat er sprake is van een totaal verlies en dat het vervangen van de laurierhaag noodzakelijk en redelijk is. Het vervangen van de laurierhaag gaat in de gegeven omstandigheden veel te ver.

5.17

Het vorenstaande leidt er toe dat de door [appellant] gevorderde schade wordt afgewezen. [appellant] heeft zijn vordering ten aanzien van het bestaan van de schade onvoldoende onderbouwd en geen andere schade gesteld dan de kosten van vervanging die het hof niet noodzakelijk en redelijk acht. Gelet hierop heeft het hof geen behoefte aan voorlichting door een deskundige. Schatting is verder pas aan de orde indien de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Daarvan is in de gegeven situatie geen sprake, zodat het hof aan de subsidiaire vordering van [appellant] , tot schatting van de schade, niet toekomt en ook die vordering afgewezen dient te worden. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven wat de gevolgen van het beroep op onrechtmatige hinder in de zin van artikel 5:37 BW zijn voor de begroting van de schade. [appellant] heeft bij de bespreking van zijn grieven tegen het oordeel van de kantonrechter op dit punt dan ook geen belang.

5.18

In hoger beroep vordert [appellant] een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld. De door [appellant] gevorderde verklaring voor recht wordt bij gebrek aan belang afgewezen omdat de schade onvoldoende is onderbouwd. Bij die stand van zaken is onvoldoende aannemelijk welk belang [appellant] heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Dat belang heeft [appellant] ook niet aangevoerd.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen, zodat het besteden vonnis moet worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

6.3

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 726,-

- salaris advocaat € 1.074,- (I punten x tarief I € 1.074,-)

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen van 9 januari 2018;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I.F. Clement, mr. H. de Hek en mr. M. Willemse en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

23 juli 2019.