Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5990

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
200.250.018
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastelling omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.250.018

(zaaknummer rechtbank Gelderland 325755)

beschikking van 23 juli 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.J.M. van Haaren te Doetinchem.

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Janse te Apeldoorn.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland,

Regio noord, gevestigd te Zutphen,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 december 2017 en 21 augustus 2018 (verder: de bestreden beschikkingen), uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 21 november 2018;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties van de vader;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties van de GI;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

- een brief van de GI van 15 februari 2019;

- een journaalbericht van mr. Van Haaren van 10 mei 2019 met productie;

- een journaalbericht van mr. Janse van 14 mei 2019 met producties;

- een journaalbericht van mr. Van Haaren van 17 mei 2019 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2019 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. Namens de stichting zijn verschenen [jeugdbeschermer GI] , jeugdbeschermer, en [teamleider GI] , teamleider.

2.3

Het hof heeft drie brieven van [kind] ontvangen. Op 12 juni 2019 is [kind] verschenen en is zij door de voorzitter gehoord.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn de ouders van [kind] (hierna: [kind] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] . Partijen hebben tot 26 juni 2018 samen het gezag over [kind] gehad. Sedert de beschikking van dit hof van die datum heeft de vader alleen het gezag over haar.

3.2

De rechtbank heeft in haar beschikking van 18 december 2014 bepaald dat [kind] bij de moeder zal verblijven de ene week van vrijdag uit school tot maandag naar school en de andere week van vrijdag uit school tot zaterdagavond 19.00 uur.

3.3

In de bestreden beschikking van 21 augustus 2018 heeft de rechtbank deze zorgregeling gewijzigd en ten aanzien van verzoeken van partijen op dat onderdeel bepaald dat [kind] omgang heeft met de moeder: een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur en tijdens de vakanties en feestdagen, in beginsel de helft van de tijd, in onderling overleg en zo nodig met de hulp van de jeugdbeschermer, te verdelen.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil de invulling van het recht op omgang van de moeder met [kind] .

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen van 21 december 2017 en van 21 augustus 2018. Deze grief ziet op de omgangsregeling. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking van 21 augustus 2018 te vernietigen, alsmede het ter zake bepaalde in de tussenbeschikking van 21 december 2017 te vernietigen, kosten rechtens. Onder punt 19 - maar niet in het petitum - van het beroepschrift verzoekt de moeder het hof subsidiair om op de voet van artikel 1:250 BW een bijzondere curator voor [kind] te benoemen die haar belangen kan behartigen en vertegenwoordigen.

4.3

De GI voert verweer. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4

De vader voert verweer en is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de omgangsregeling tijdens de vakanties en feestdagen. De vader verzoekt het hof in het principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking wat de vakantie- en feestdagenregeling betreft te vernietigen, en te bepalen dat [kind] bij de moeder verblijft gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, een en ander nader in te vullen door de vader, althans een omgangsregeling te bepalen die het hof juist acht. De vader verzoekt de bestreden beschikking voor het overige te bekrachtigen.

4.5

De moeder voert verweer in het incidenteel hoger beroep. Zij verzoek het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, dan wel dit af te wijzen en de bestreden beschikking van 21 augustus 2018 voor zover deze betrekking heeft op de invulling van de omgangsregeling in de vakanties en de feestdagen bij helfte door partijen zelf, te bekrachtigen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De rechtbank heeft in 2014 een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld. Die zorgregeling is vanaf het moment dat de vader alleen het gezag heeft niet meer van kracht (26 juni 2018). De moeder en [kind] hebben wel recht op omgang met elkaar. De rechter kan een regeling inzake de uitoefening van dit omgangsrecht vaststellen (artikel 1:377a BW). Dat heeft de rechtbank in de bestreden beschikking van 21 augustus 2018 gedaan.

5.2

Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking ten aanzien van de omgangsregeling heeft overwogen en beslist, en maakt die overweging en beslissing, na eigen onderzoek, tot de zijne. Het hof voegt hieraan nog het volgende toe.

Gebleken is dat sprake is van een ernstig verstoorde communicatie tussen de ouders. Er bestaat een jarenlange strijd tussen de ouders; [kind] zit klem tussen haar ouders.

Uit onderzoek is gebleken dat de sociaal-emotionele ontwikkeling van [kind] achterloopt. De emotionele belasting van de scheiding van de ouders overheerst het denken en doen van [kind] . Voor de ontwikkeling van [kind] is het van belang dat zij niet langer belast wordt met de voortdurende spanningen tussen de ouders. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een omgangsregeling waarbij [kind] wekelijks moet omschakelen van de situatie bij de vader naar de situatie bij de moeder niet bijdraagt aan een versterking van haar emotionele ontwikkeling. Een dergelijke regeling brengt te veel onrust met zich, temeer omdat gebleken is dat de moeder het verblijf van [kind] bij de vader ter discussie blijft stellen, waarmee zij een verkeerd signaal aan [kind] afgeeft.

Een omgangsregeling met de moeder met een frequentie van een weekend in de veertien dagen acht het hof in het belang van [kind] . Deze regeling zorgt voor meer rust en [kind] kan dan meer toekomen aan haar eigen ontwikkeling. Daarnaast acht het hof het van belang dat de ouders zich moeten realiseren wat zij [kind] aandoen door hun strijd nu al jarenlang voort te zetten. Het is aan beide ouders om - desgewenst met hulpverlening - te kijken naar hun eigen aandeel en rol in die strijd, en te bezien hoe zij daarvan gepaste afstand kunnen nemen.

5.3

[kind] heeft ook bij het hof verklaard dat zij graag meer contact wil met de moeder. Zij zou het fijn vinden als zij in het weekend dat zij bij de moeder verblijft door de moeder op maandag naar school wordt gebracht en niet al op zondag om 19.00 uur naar de vader terug moet. Gelet op de wens van [kind] en gelet op de leeftijd van [kind] , ziet het hof aanleiding de in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling uit te breiden tot de maandagochtend, waarbij de moeder [kind] naar school brengt. Deze duur van de regeling sluit aan bij de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken regeling die eerder gold in de periode dat partijen nog samen het gezag uitoefenden (beschikking rechtbank van 18 december 2014).

5.4

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat partijen geen bezwaar hebben tegen een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte. De problemen zijn gelegen in de invulling van de regeling en de juiste verdeling van de vakantiedagen. De ouders hebben verklaard dat zij het van belang achten dat een definitief vakantierooster uiterlijk 1 januari van ieder jaar wordt vastgesteld. Om communicatieproblemen tussen partijen te voorkomen zal het hof bepalen dat de ouders jaarlijks om en om het vakantierooster opstellen. Voor het jaar 2020 zal de moeder het rooster opstellen.

Gelet op de correspondentie tussen partijen over de omgangsregeling, zie onder meer de e-mails bij het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep (productie 4), geldt de volgende basis voor dat rooster:

- de zomervakantie en de vakanties van een week of meer worden bij helfte verdeeld, in de

oneven jaren verblijft [kind] de eerste helft van die vakanties bij de moeder en het laatste

deel van die vakanties bij de vader, in de even jaren andersom;

- met Pasen verblijft [kind] in de oneven jaren bij de moeder in de even jaren bij de vader;

- met Pinksteren verblijft [kind] in de oneven jaren bij de vader, in de even jaren bij de
moeder;

- met Hemelvaart verblijft [kind] in de oneven jaren bij de moeder, in even jaren bij de
vader;

- met Moederdag verblijft [kind] in elk geval een halve dag bij de moeder;

- met Vaderdag verblijft [kind] in elk geval een halve dag bij de vader.

In onderling overleg kan - in uitzonderingsgevallen - van die regeling worden afgeweken.

5.5

Het hof heeft [kind] gehoord, zoals de moeder heeft verzocht. Het hof heeft aldus kennis genomen van de mening van [kind] . Naar het oordeel van het hof bestaat daarom onvoldoende reden bij het - niet in het petitum van het beroepschrift opgenomen - subsidiaire verzoek van de moeder om een bijzondere curator voor [kind] te benoemen om haar in deze zaak te vertegenwoordigen. Het hof zal dat verzoek daarom afwijzen.

5.6

Het hof zal de moeder in haar verzoek tot vernietiging van de rechtbank van beschikking van 21 december 2017 niet-ontvankelijk verklaren, omdat in deze (tussen)beschikking door de rechtbank de beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is aangehouden.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de tussenbeschikking van 21 december 2017.

Verder zal het hof de beschikking van 21 augustus 2018 omwille van de duidelijkheid geheel vernietigen en beslissen als hierna onder 7 zal worden vermeld.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep

tegen de tussenbeschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,

van 21 december 2017;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 augustus 2018;

en opnieuw beschikkende:

bepaalt het recht van omgang aldus dat de minderjarige [kind] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] , gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school bij de moeder zal verblijven;

bepaalt dat de ouders ieder jaar vóór 1 januari een vakantierooster zullen opstellen waarbij het verblijf van [kind] bij de ouders tijdens de vakanties en de feestdagen is geregeld en waarbij als uitgangspunt heeft te gelden hetgeen het hof hiervoor onder 5.4 heeft overwogen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeïng-van Hees en

K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door W.W.M.W. van den Bosch als griffier,

en is op 23 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.