Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5971

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2019
Datum publicatie
09-08-2019
Zaaknummer
18/00333 en 18/00334
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1304, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Aanmerkelijk belang. Vaststellingsovereenkomst in verband met hoogte schuld van dga aan B.V. Winstuitdeling in het juiste jaar in aanmerking genomen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 09-08-2019
FutD 2019-2131
V-N Vandaag 2019/1876
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00333 en 18/00334

uitspraakdatum: 23 juli 2019

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 maart 2018, nummers AWB 16/5211 en AWB 16/5212, ECLI:NL:RBGEL:2018:1304, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd.

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een vergrijpboete opgelegd.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de hiervoor genoemde aanslagen verminderd en de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft hij voor beide jaren de vergrijpboete verminderd.

1.4.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep voor het jaar 2010 ongegrond verklaard, het beroep voor het jaar 2011 gegrond verklaard voor zover het de boete betreft, de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de boetebeschikkingen vernietigd, de boete over het jaar 2011 verminderd en de boetes over beide jaren (verder) verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: [A] ). [A] had ultimo 2001 een vordering op belanghebbende van € 2.689.405. Dit bedrag bestond uit drie deelvorderingen.

2.2.

Belanghebbende en [A] hebben op 18 mei 2005 een vaststellingsovereenkomst (hierna: vso) gesloten met de Inspecteur. In de vso is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“(...)

overwegende;

(…)

- dat uit de ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2001 blijkt, dat [A] een drietal vorderingen van respectievelijk € 1.004.442 (lening 1), € 1.373.800 (lening 2) en € 311.163 (lening 3), derhalve totaal € 2.689.405 heeft op haar directeur en enig aandeelhouder [belanghebbende];

(...)

- dat inmiddels niet het volledige bedrag der leningen is gedekt door zekerheden gesteld door [belanghebbende];

- dat na persoonlijk overleg met de inspecteur, middels tussenkomst van de heer (…) van het kantoor (…), en [belanghebbende] thans nog ter discussie staat dat voor een deel van de leningen naar de stand Uo 2002 groot twee miljoen tweehonderd eenendertig duizend euro (zegge: € 2.231.000) aanvullende zekerheden moeten worden gesteld, bij gebreke waarvan zulk bedrag in 5 jaar moet zijn afgelost dan wel het restant als uitdeling zal worden verwerkt;

(...)

1. Met betrekking tot de nakoming van de terugbetalingsverplichting van [belanghebbende] van voornoemd bedrag van € 2.231.000 (in 2003 opgelopen tot een bedrag van € 2.265.225) jegens [A] , worden de volgende afspraken gemaakt:

a. tot gedeeltelijke aflossing van voornoemde schuld aan [A] heeft [belanghebbende] zijn commanditaire aandeel in [B] C.V., gevestigd te [C] , overgedragen aan [A] voor de (voorlopige) prijs van € 270.000 (...);

b. Het resterende bedrag van het thans ter discussie staande deel van de leningen, zal in de komende vijf jaar:

i. Ofwel afdoende worden gedekt doordat aanvullende zekerheden worden gesteld;

ii. Ofwel worden afgelost;

iii. Ofwel door dividenduitkeringen worden verrekend;

iv. Danwel een combinatie van het bovenstaande.

één en ander in een tijdpad te bepalen door [belanghebbende], mede in aanmerking nemend de te verwachten cash flow, met als maximum genoemde 5 jaren te rekenen vanaf het belastingjaar 2003: derhalve met ingang van 1 januari 2004.

(...)

d. er zullen gedurende bovengenoemde periode van 5 jaar geen nieuwe leningen verstrekt worden.

(...)

4. Bij het niet voldoen aan één van de onderdelen van deze overeenkomst zal voor dat gedeelte/ bedrag alsnog een winstuitdeling in aanmerking worden genomen bij [belanghebbende].

5. Met betrekking tot het bedrag van de lening welke is verstrekt voor de verwerving en verbouwing van de eigen woning (…) groot € 1.004.442 (…) zijn partijen het eens dat een formele notariële hypotheekstelling (komt in de plaats van de bestaande positieve/negatieve hypotheekverklaring) deze schuld voldoende dekt.

(...)

Voorts verklaart belastingplichtige dat hij dit compromis geheel uit vrije wil en na voldoende

bedenktijd heeft ondertekend. Tevens is hij bewust van de financiële en fiscale consequenties, welke voor belastingplichtige bekend en aanvaardbaar zijn.”

2.3.

De vorderingen zijn opgelopen tot respectievelijk € 3.290.676 (2008), € 3.446.901 (2009), € 3.566.113 (2010), € 3.771.364 (2011) en € 3.988.797 (2012). Van de vorderingen heeft € 1.004.442 betrekking op de eigen woning. Op de eigen woning is ten behoeve van [A] een recht van hypotheek gevestigd.

2.4.

Naar aanleiding van de controle van de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2008 van [A] heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende zich niet aan de vso heeft gehouden. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 26 januari 2011 verzocht daarvoor een verklaring te geven en aan te geven op welke wijze hij zijn schulden aan [A] gaat aflossen. De Inspecteur heeft voorgesteld dat [A] daartoe een winstuitkering doet.

2.5.

Bij brief van 14 maart 2011 heeft belanghebbende – samengevat – verklaard dat hij door

tegenslag, fouten en pech bij zijn zakelijke activiteiten niet in staat is geweest te beginnen met aflossen en zelfs heeft moeten toestaan dat de uitstaande bedragen zijn opgelopen door onbetaalde rente. Tevens wordt uitgebreid uit de doeken gedaan waarom en hoe belanghebbende denkt in de nabije toekomst wel de schuld aan [A] te kunnen aflossen. In de brief is het volgende verzoek opgenomen.

“(…)

Ons verzoek is dan ook om [belanghebbende] enige jaren (in ieder geval drie jaar) meer de tijd te geven aan zijn verplichtingen te voldoen. Zo wordt voorkomen dat de projecten waar veel tijd en energie aan besteed is en die het perspectief bieden om de gerezen problemen op te lossen, in de kiem worden gesmoord. Zo wordt ook voorkomen dat een voor [belanghebbende] dramatische situatie ontstaat die zowel voor de belastingdienst als [belanghebbende] geen voordelen biedt. En zo ontstaat de kans voor [belanghebbende] om op een normale manier aan haar verplichtingen te voldoen.

Wij hopen dat u aan ons verzoek wilt voldoen. Het lijkt ons een goede zaak om met name dit punt in een gesprek, waar ook [belanghebbende] bij is, door te nemen.

(…)”

2.6.

Bij brief van 29 maart 2011 heeft de Inspecteur op het verzoek van belanghebbende gereageerd. De Inspecteur was in principe van mening dat de vso moest worden nagekomen en constateerde dat belanghebbende zich er van bewust was dat de termijn voor aflossing van zijn schulden aan [A] inmiddels verstreken was. De Inspecteur toonde zich echter bereid om bij de beoordeling van het verzoek van belanghebbende rekening te houden met belanghebbendes financiële situatie. De Inspecteur heeft voorgesteld dat belanghebbende, middels dividenduitkeringen, zijn schulden aan [A] in drie gelijke jaarlijkse termijnen zou aflossen, te beginnen in 2011, en heeft belanghebbende verzocht om een reactie.

2.7.

Bij brief van 30 mei 2011 heeft belanghebbende gereageerd op de brief van de Inspecteur van 29 maart 2011. Belanghebbende heeft daarin gesteld dat dividenduitkeringen niet mogelijk waren, omdat de middelen om dividendbelasting af te dragen ontbraken.

2.8.

Bij brief van 10 juni 2011 heeft de Inspecteur aan belanghebbende bericht dat hij uit de brief van belanghebbende heeft opgemaakt dat belanghebbende zijn voorstel niet aanvaardt. De Inspecteur heeft voorts aangegeven dat hij als gevolg hiervan conform de vso zal handelen en bij belanghebbende een dividenduitkering van € 2.286.233 in aanmerking zal nemen. De Inspecteur heeft daarbij opgemerkt dat hij hierover nog een aparte brief zal sturen.

2.9.

Bij brief van 17 juni 2011 heeft belanghebbende gereageerd en aangegeven dat hij hoopt dat de door de Inspecteur aangekondigde brief nog de mogelijkheid voor een nader overleg

openhoudt.

2.10.

In de aangiften IB/PVV 2008 en 2009 heeft belanghebbende geen inkomsten uit aanmerkelijk belang aangegeven. Met dagtekening 25 juni 2011 respectievelijk 6 juli 2011 zijn de aanslagen IB/PVV 2008 en 2009 opgelegd. Hierbij is geen inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.

2.11.

Na een bespreking tussen partijen in september 2011 heeft de Inspecteur bij brief van 1 december 2011 nogmaals geconstateerd dat belanghebbende zich niet gehouden heeft aan de gemaakte afspraken in de vso. De Inspecteur heeft voorgesteld om (nu) geen uitdeling te stellen mits de geprognosticeerde resultaten van een investering gerealiseerd worden en direct aan belanghebbende worden uitgedeeld ter aflossing van zijn schulden aan [A] .

2.12.

In reactie op de brief van 1 december 2011 heeft belanghebbende in een telefoongesprek van 13 december 2011 opgemerkt dat het de vraag is of acceptatie van dit voorstel niet in strijd komt met zijn belang, aangezien de aanslag IB/PVV 2008 is opgelegd tijdens de lopende discussie over de rekening-courant, terwijl daar bij het opleggen van de aanslag desondanks geen rekening mee is gehouden. De Inspecteur heeft dit begrepen als een beroep op het ontbreken van een nieuw feit. Belanghebbende heeft het voorstel van de Inspecteur uit de brief van 1 december 2011 niet aanvaard.

2.13.

Bij brief van 14 maart 2012 heeft belanghebbende nogmaals verzocht in een gesprek van gedachte te wisselen over de wijze waarop met de schulden aan [A] zal worden omgegaan.

2.14.

Bij brief van eveneens 14 maart 2012 heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 op te leggen, rekening houdend met uitdelingen van € 55.230 (2008) en € 92.014 (2009), en dat hij tevens voornemens is vergrijpboetes op te leggen.

2.15.

Met dagtekening 28 april 2012, respectievelijk 8 mei 2012 zijn over de jaren 2008 en 2009 navorderingsaanslagen IB/PVV en boetebeschikkingen aan belanghebbende opgelegd.

2.16.

Ook in de bezwaarprocedure tegen deze navorderingsaanslagen is er nog verder overleg tussen partijen geweest over de schulden van belanghebbende aan [A] .

2.17.

De beroepen met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 2008 en 2009 zijn door de Rechtbank bij uitspraak van 24 december 2015 gegrond verklaard (ECLI:NL:RBGEL:2015:8004). De uitdeling over 2008 was door belanghebbende niet bestreden en aan een oordeel over de uitdeling over 2009 kwam de Rechtbank niet toe, omdat belanghebbende volgens de Rechtbank niet te kwader trouw was, waardoor in dat geval navordering niet mogelijk was. De opgelegde boetebeschikkingen over deze jaren zijn door de Rechtbank vernietigd.

2.18.

Ook in de aangiften IB/PVV 2010 en 2011 heeft belanghebbende geen inkomen uit aanmerkelijk belang opgenomen. Deze aangiften zijn ingediend op 26 april 2012, respectievelijk 26 april 2013. Met dagtekening 4 december 2014, respectievelijk 20 maart 2015 zijn de aanslagen IB/PVV vastgesteld, waarbij de Inspecteur de bestreden correcties heeft aangebracht.

2.19.

Het inkomen uit aanmerkelijk belang is bij de aanslag IB/PVV 2010 gecorrigeerd met € 183.426. Dit bedrag vloeit voort uit de mate waarin de schulden, voor zover deze niet zien op de eigen woning, zijn gestegen ten opzichte van het in artikel 1 van de vso genoemde bedrag van € 2.231.000. De vergrijpboete is vastgesteld op € 22.928 (50%). Als gevolg van de uitspraak van de Rechtbank over de jaren 2008 en 2009 is de correctie bij uitspraak op bezwaar verminderd naar € 116.312. De boete is verlaagd naar € 14.539 (50%).

2.20.

Het inkomen uit aanmerkelijk belang is bij de aanslag IB/PVV 2011 op basis van hetzelfde uitgangspunt als in 2010 gecorrigeerd met € 205.251. De vergrijpboete is vastgesteld op eveneens € 205.251. Door de uitspraak van de Rechtbank over de jaren 2008 en 2009 is de correctie bij uitspraak op bezwaar verminderd naar € 196.391. De boete is verlaagd naar € 49.098.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van inkomen uit aanmerkelijk belang.

3.2.

Belanghebbende stelt dat de Inspecteur op grond van de vso (zie 2.2) in 2008 een winstuitdeling van € 2.286.234 (€ 3.290.676 (totale schuld ultimo 2008 ) -/- € 1.004.442 (lening 1)) in aanmerking had moeten nemen. Omdat de schuld met dat bedrag moet worden verminderd en belanghebbende voor het restant zekerheden heeft gesteld in de vorm van een hypotheekrecht op de eigen woning, is geen sprake van een vermogensverschuiving van [A] naar belanghebbende. Dat betekent dat de Inspecteur voor de onderhavige jaren ten onrechte een winstuitdeling in aanmerking heeft genomen.

3.3.

De Inspecteur stelt dat beide partijen de gevolgen van de vso niet wensten en dat zij er daarom niet aan zijn gebonden. De Inspecteur is van mening dat de toename van de schuld ten opzichte van het voorgaande jaar het vermogen van [A] definitief heeft verlaten en dat aldus sprake is van een winstuitdeling. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zich nader op het standpunt gesteld dat de in aanmerking genomen winstuitdelingen op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001 voor de helft aan belanghebbende moeten worden toegerekend. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij de boetebeschikkingen over beide jaren intrekt.

3.4.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende, [A] en de Inspecteur hebben, ter voorkoming van fiscale geschillen omtrent de schuld die belanghebbende heeft aan [A] , een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gesloten. De vso bevat afspraken over de bestaande schuld, onder meer inhoudende dat belanghebbende uiterlijk binnen vijf jaren te rekenen vanaf 2003 afdoende aanvullende zekerheden stelt, dan wel de schuld aflost, dan wel door middel van dividenduitkeringen verrekent (of een combinatie hiervan). Tevens zijn partijen overeengekomen dat gedurende deze periode van vijf jaren geen nieuwe leningen worden verstrekt.

4.2.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat belanghebbende, [A] en de Inspecteur aan de vso zijn gebonden (HR 7 mei 1997, nr. 31658, ECLI:NL:HR:1997:AA3201). Vaststaat dat belanghebbende de vso niet heeft nageleefd. Het Hof is, anders dat de Inspecteur betoogt en de Rechtbank heeft geoordeeld, van oordeel dat de enkele omstandigheid dat partijen na afloop van de in de vso genoemde periode met elkaar in overleg waren, niet betekent dat hun wil erop gericht was in het geheel geen uitvoering meer te geven aan de vso en dat partijen door hun handelen hieraan niet meer zijn gebonden. Niet is gebleken dat de vso nietig is, dat een van de partijen de vso heeft vernietigd, bijvoorbeeld op grond van bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 van het BW) of dwaling (artikel 6:228 van het BW), dan wel dat een van de partijen de vso heeft ontbonden dan wel deze bedoeling heeft gehad. De vso is rechtsgeldig tot stand gekomen en partijen zijn daaraan dan ook gebonden.

4.3.

Artikel 4 van de vso bepaalt dat bij het niet voldoen aan één van de onderdelen van de vso, een winstuitdeling bij belanghebbende in aanmerking zal worden genomen. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur een eventuele uit de vso voortvloeiende winstuitdeling direct na afloop van de daarin genoemde termijn in aanmerking had moeten nemen. De Inspecteur is daarentegen van mening dat in de vso geen datum is genoemd zodat de vso er niet aan in de weg staat de winstuitdeling op een later moment in aanmerking te nemen.

4.4.

Voor de beantwoording van de vraag wanneer de winstuitdeling op grond van de vso in aanmerking moet worden genomen, is niet alleen de taalkundige uitleg van wat partijen zijn overeengekomen van belang, maar dient de betekenis van het omstreden beding in de vso tevens te worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, nr. 11647, NJ 1981/635 (Haviltex)).

4.5.

De in de vso gemaakte afspraken houden in dat de Inspecteur zich in de vijfjaarsperiode als bedoeld in artikel 1, letter b, van de vso niet op het standpunt zal stellen dat (een deel van) de bestaande schuld uit hoofde van lening 1, 2 en 3 moet worden aangemerkt als een winstuitdeling aan belanghebbende. Daarmee is echter nog niet gezegd dat de Inspecteur direct na ommekomst van die periode een winstuitdeling in aanmerking moest nemen voor zover nog sprake was van een (niet door voldoende zekerheden gedekte) restantschuld. De letterlijke tekst van artikel 4 van de vso verplicht de Inspecteur hiertoe niet. Er staat slechts dat bij het niet voldoen aan één van de onderdelen van de vso alsnog een winstuitdeling in aanmerking zal worden genomen bij belanghebbende, zonder een belastingjaar te noemen. Bij de uitleg van artikel 1, letter b, in verbinding met artikel 4 van de vso komt het erop aan wat partijen ermee hebben bedoeld en de redelijke verwachtingen over en weer. Uit de correspondentie tussen belanghebbende en de Inspecteur (zie 2.4 tot en met 2.13) leidt het Hof af dat partijen bij het sluiten van de vso voor ogen heeft gestaan dat de Inspecteur eerst na ommekomst van de vijfjaarsperiode een winstuitdeling zou kunnen stellen en dat partijen ruimte wensten open te laten om hieraan een nadere invulling te geven aan de hand van de dan geldende omstandigheden. Partijen zijn hierover in 2011 en 2012 ook daadwerkelijk met elkaar in gesprek geweest. De vso stond er derhalve niet aan in de weg om vanaf 2008 (slechts) de jaarlijkse toename van de schuld als winstuitdeling bij belanghebbende in aanmerking te nemen. Dit strookt in zoverre met het bepaalde in artikel 1, letter d, in verbinding met artikel 4 van de vso. De aldus in aanmerking te nemen winstuitdeling bedraagt € 116.312 in 2010 en € 196.391 in 2011.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001 de helft van de winstuitdelingen aan belanghebbende moeten worden toegerekend. De aanslag voor het jaar 2010 dient derhalve te worden verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.561 (€ 13.848 minus € 287 aftrekbare giften (€ 1.007 minus drempel van € 720)) en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.156 (50% x € 116.312). De aanslag voor het jaar 2011 dient te worden verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.710 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 98.195 (50% x € 196.391).

4.7.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de aanslagen betreft.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.315,40 voor de kosten in eerste aanleg (2,5 punten (beroepschrift, conclusie van repliek en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 512 en reiskosten begroot op € 35,40) en € 1.061,50 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 512 en reiskosten begroot op € 37,50), ofwel in totaal op € 2.376,90.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart de bij de Rechtbank ingestelde beroepen gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag voor het jaar 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.561 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 58.156,

– vermindert het verzamelinkomen tot € 71.717,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– vermindert de aanslag voor het jaar 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.710 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 98.195,

– vermindert het verzamelinkomen tot € 111.905,

– vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig,

– vernietigt de boetebeschikkingen over 2010 en 2011,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.376,90, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 126 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. V.F.R. Woeltjes en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 23 juli 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,

mede te ondertekenen.

(R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 juli 2019

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.