Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:597

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
21-007001-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:6716, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 12 voorwaardelijk met daarnaast de maximale werkstraf van 240 uur wegens het in brand steken van een chalet met daarin een stoffelijk overschot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007001-16

Uitspraak d.d.: 24 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 12 december 2016 met parketnummer 05-780033-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [1984] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 oktober 2017, 4 december 2018, 11 december 2018, 10 januari 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. H.O. den Otter, naar voren is gebracht.

De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte gedeeltelijk vrijgesproken van feit 2 en niet bewezen geacht dat door de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het hof is van oordeel dat dit feit in zijn gehele omvang aan de orde is in hoger beroep, nu verdachte niet van deze gehele tenlastelegging is vrijgesproken.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de onder 2 ten laste gelegde afdreiging. Daartoe heeft de raadsman, kort gezegd, aangevoerd dat [slachtoffer] nooit aangifte heeft gedaan en dat nergens uit blijkt dat hij aangifte heeft willen doen. Zijn weduwe is daardoor niet klachtgerechtigd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat niet blijkt dat [slachtoffer] geen vervolging heeft gewild. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.

Het oordeel van het hof

Op grond van artikel 318, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan het feit afdreiging alleen vervolgd worden op klacht van hem tegen wie het feit is gepleegd. Indien die persoon is overleden is onder andere de echtgenoot gerechtigd tot het doen van een klacht, tenzij blijkt dat hij een vervolging niet heeft gewild.

Het is van oordeel dat op grond van de enkele omstandigheid dat het slachtoffer geen aangifte heeft gedaan, niet aannemelijk is geworden dat hij geen vervolging heeft gewild. Het hof verwerpt het verweer.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep- tenlastegelegd dat:

1. primair:
zij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [nummer] , gelegen op chaletpark/bungalowpark [naam park] ), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (een deel van) (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te weten de buren [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer aldaar aanwezige kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

1. subsidiair:

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [nummer] , gelegen op chaletpark/bungalowpark [naam park] ), immers heeft hij toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (een deel van) (de inboedel van) die woning. in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te weten de buren [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer aldaar aanwezige kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft zij, verdachte

- Samen met een ander brandbare stof/benzine opgehaald

- De woning geopend

- een jerrycan met brandbare stof/benzine heeft aangegeven

- Een matras verplaatst

- Brandbare stof/benzine gesprenkeld in/over/bij het stoffelijk overschot en/of in de woning

- Vuur bijgebracht/de benzine dan wel brandbare stof heeft aangestoken danwel tot ontbranding heeft gebracht;

2
primair:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo en/of Kampen en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke bedreiging(en) (telkens) hierin bestond(en) dat zij, verdachte en/of haar mededader(s) (een) seksafspra(a)k(en) maakte(n) en/of een heimelijke (seksuele) relatie begon met die [slachtoffer] en/of (vervolgens) van deze seksafspra(a)k(en) heimelijk video-/filmbeelden en/of foto's maakte(n) en/of (vervolgens) dreigden deze beelden/foto's aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] te sturen/laten zien en/of dreigden deze (seksuele) relatie te openbaren aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] , en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft/hebben gecreëerd;

2 subsidiair:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2013 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo en/of Kampen en/of elders in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke bedreiging(en) (telkens) hierin bestond(en) dat zij, verdachte en/of haar mededader(s) (een) seksafspra(a)k(en) maakte(n) en/of een heimelijke (seksuele) relatie begon met die [slachtoffer] en/of (vervolgens) van deze seksafspra(a)k(en) heimelijk video-/filmbeelden en/of foto's maakte(n) en/of (vervolgens) dreigden deze beelden/foto's aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] te sturen/laten zien en/of dreigden deze (seksuele) relatie te openbaren aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] , en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft/hebben gecreëerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 meer subsidiair:

[medeverdachte 2] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01januari 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo en/of Kampen en/of elders in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan [medeverdachte 2] , welke bedreiging(en) (telkens) hierin bestond(en) dat [medeverdachte 2] (een) seksafspra(a)k(en) maakte en/of een heimelijke (seksuele) relatie begon met die [slachtoffer] en/of (vervolgens) van deze seksafspra(a)k(en) heimelijk video-/filmbeelden en/of foto’s maakte en/of (vervolgens) dreigde deze beelden/foto’s aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] te sturen/laten zien en/of dreigden deze (seksuele) relatie te openbaren aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] , en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft gecreëerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft zij, verdachte, met haar mobiele telefoon namens [medeverdachte 2] aan die [slachtoffer] één (of meer) bericht(en) heeft verstuurd, inhoudende:

“Waarom zie ik je elke keer met een andere vrouw?” en/of

“Geachte heer [slachtoffer] . Zeer jammer dat ik geen respons van u ontvang. Hoe zouden andere mensen hierop reageren?” en/of

“Ik heb het niet over toestellen, meneer [slachtoffer] , ik heb het over uw nieuwe vrouw??” en/of

“Ik denk dat je bent vergeten dat je een vrouw heb!. Zal haar dat vermelden, of gaan we dit anders oplossen? Ik hoor graag van je..” en/of

“Gezien het je blijkbaar niet zoveel doet, zie ik je vrouw morgen tegemoet met de waarheid!” en/of

“Sexjobs.nl? Moet ik nog meer benoemen?” en/of

“Hoe denk je dit te gaan oplossen?” en/of

“U bent toch dhr. [slachtoffer] uit Amersfoort?”;

3
primair:
zij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , te verbranden, te vernietigen en/of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) over/bij/in de omgeving van het stoffelijk overschot heeft/hebben gesprenkeld/gegooid/gebracht en/of (vervolgens) die benzine/brandbare stof heeft/hebben aangestoken danwel tot ontbranding heeft/hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 subsidiair:

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [nummer] gelegen op chaletpark/bungalowpark [naam park] ), immers heeft hij toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht niet benzine(damp), althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (een deel van) (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te weten de buren [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer aldaar aanwezige kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was; tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, immers heeft zij, verdachte;

- Samen met een ander brandbare stof/benzine opgehaald

- De woning geopend

- een jerrycan met brandbare stof/benzine aangegeven

- Een matras verplaatst

- Brandbare stof/benzine gesprenkeld in/over/bij het stoffelijk overschot en/of in de woning

- Vuur bijgebracht/de benzine dan wel brandbare stof heeft aangestoken danwel tot ontbranding heeft gebracht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 1 en 3 ten laste gelegde

Inleiding

Bij arrest van heden is [medeverdachte 2] veroordeeld voor de doodslag op [slachtoffer] . Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat zij samen met een of meer anderen brand heeft gesticht in het chalet waar het slachtoffer lag, en dat zij daarmee geprobeerd heeft het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te verbranden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 3 primair ten laste gelegde, dus van medeplegen. Ten aanzien van de brandstichting heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, zodat op dat punt vrijspraak dient te volgen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 3 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman, kort gezegd, aangevoerd dat verdachte niet actief betrokken is geweest bij het maken en uitvoeren van het plan om brand te stichten. Er geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking; de rol die verdachte heeft gespeeld is niet groot genoeg om van medeplegen of medeplichtigheid te kunnen spreken. De verklaring van [medeverdachte 1] kan niet gebruikt worden voor het bewijs. Zijn verklaring wordt niet ondersteund door de overige bewijsmiddelen, waardoor niet is voldaan aan het bewijsminimum. Ook is het gebruik van de verklaring in strijd met de Vidgen-jurisprudentie. Mocht het hof hier niet in meegaan, dan dient de verklaring van [medeverdachte 1] volgens de raadsman als onbetrouwbaar terzijde te worden geschoven.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Het hof is van oordeel dat de strafbare betrokkenheid van verdachte als medepleger van de brandstichting reeds uit haar eigen verklaringen volgt. Het hof wijst op de volgende passages.

Verdachte heeft verklaard dat zij op enig moment, nadat ze gehoord had van een dode man in het chalet van [medeverdachte 2] en het plan om het chalet in brand te steken, besloten heeft om actief mee te doen. Dat is vervolgens ook gebeurd: [medeverdachte 1] en zij zijn op pad gegaan om brand te stichten.

Verdachte verklaart dat zij samen met [medeverdachte 1] de auto van [medeverdachte 3] (de auto van [medeverdachte 2] mocht niet gezien worden op het parkje) opgehaald heeft bij het sportterrein. [medeverdachte 3] had verteld dat er een jerrycan met benzine in zijn schuur stond, en die hebben ze opgehaald. Verdachte is samen met [medeverdachte 1] naar het chalet gereden. Zij heeft naar eigen zeggen de deur van het chalet open gedaan. Vervolgens heeft verdachte de jerrycan met benzine aan [medeverdachte 1] gegeven, zo leidt het hof af uit verdachtes verklaring dat [medeverdachte 1] tegen haar heeft gezegd: “Geef me die jerrycan”. Na de brandstichting zijn verdachte en [medeverdachte 1] samen vertrokken.

Op grond van deze verklaringen van verdachte blijkt naar het oordeel van het hof reeds dat er sprake was van de nauwe en bewuste samenwerking, vereist voor medeplegen.

Het hof acht echter ook bewezen dat de betrokkenheid van verdachte verder is gegaan dan zij bekent. [medeverdachte 1] heeft immers verklaard dat hij benzine heeft gesprenkeld in de woonkamer en de hal en dat verdachte een andere kamer heeft gedaan. Ze hebben een matras versleept, zodat deze dichter bij de ingang lag, en er benzine overheen gegooid. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden allebei een aansteker. Na het aansteken van de benzine werden ze naar binnen gezogen en is hun haar verbrand.

Het hof heeft geen reden te twijfelen aan deze verklaring van [medeverdachte 1] . Hij heeft specifiek en concreet verklaard over de rol van verdachte. Daarbij heeft [medeverdachte 1] ook zichzelf belast. Het hof acht het in dat licht niet aannemelijk dat [medeverdachte 1] er belang bij had om de rol van verdachte groter te maken dan die in werkelijkheid was. Daarnaast vindt de verklaring van [medeverdachte 1] over het verplaatsen van het matras steun in de verklaring van brandweerman [getuige 3] . Deze getuige verklaart dat hij, toen hij het chalet binnenkwam, recht voor zich een brandend voorwerp zag, dat later een matras bleek te zijn. Verdachte rept in het geheel niet van (het verplaatsen van) een matras. Ook is uit onderzoek gebleken dat er in de tweede slaapkamer benzine is gesprenkeld.

Bewijsminimum

De raadsman heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan het bewijsminimum uit artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, aangezien het sprenkelen met benzine en het aansteken van de brand te herleiden is tot één bron, te weten de verklaring van [medeverdachte 1] .

Het hof overweegt hierover dat op grond van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, niet uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige kan worden aangenomen.

Zoals hiervoor is overwogen volgt de betrokkenheid als medepleger van verdachte bij het tenlastegelegde ook uit verdachtes eigen verklaring. Het verweer wordt daarom verworpen.

Ten overvloede wijst het hof er nog op dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bovendien volgt dat niet ieder onderdeel van de tenlastelegging ondersteund hoeft te worden door meerdere bewijsmiddelen.

Vidgen

Het hof overweegt dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat op grond van artikel 6 van het EVRM de verdediging aanspraak heeft op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. Indien de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van deze mogelijkheid kan het gebruik van de verklaring van die getuige in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces.

Naar het oordeel van het hof doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. De verdediging heeft (onder meer) verzocht [medeverdachte 1] als getuige te horen. Dit verzoek is bij tussenarrest van het hof van 26 oktober 2017 toegewezen, waarbij is bepaald dat de getuige ter zitting zou worden gehoord. Het verhoor is uiteindelijk gepland op de zitting van 4 december 2018. Voorafgaand aan deze zitting heeft de raadsman aan het hof bericht dat hij afziet van het horen van de getuige tijdens deze zitting. Op de zitting van 4 december 2018 heeft de raadsman dan ook geen vragen aan de getuige gesteld.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet vastgesteld worden dat een door de verdediging gewenste behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de getuige te ondervragen heeft onderbroken. Immers, de verdediging heeft er zelf voor gekozen geen vragen te stellen aan de getuige. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging dat gebruik van de verklaring van [medeverdachte 1] in strijd zou zijn met de Vidgen-jurisprudentie.

Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is het hof, met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet vast is komen te staan dat door de brandstichting levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Het hof zal verdachte daarom in zoverre vrijspreken.

Overweging met betrekking tot het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij, kort gezegd, aangevoerd dat er sprake is van vrijwillige terugtred. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet gesteld kan worden dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking seksafspraken heeft gemaakt of een relatie is begonnen. Ook was er geen sprake van dwang en/of bedreiging.

Het oordeel van het hof

Uit het dossier volgt dat verdachte op 20 februari 2014 verschillende sms-berichten aan [slachtoffer] heeft gestuurd. Met de verdediging is het hof van oordeel dat voor een samenwerking met [medeverdachte 2] om [slachtoffer] af te dreigen voorafgaand aan deze datum onvoldoende bewijs is.

Het hof is voor het overige van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daartoe het volgende. Anders dan betoogd is het hof van oordeel dat niet bewezen hoeft te worden dat ook de seksafspraken in samenwerking tussen [medeverdachte 2] en verdachte zijn gemaakt. Het (met [medeverdachte 2] ) sturen van berichten met het doel geld af te dreigen met sekscontacten tussen [medeverdachte 2] en [slachtoffer] volstaat.

Het hof acht de tekst van de verstuurde berichten bedreigend van aard.

Poging

[slachtoffer] heeft op verschillende momenten in de periode van 30 januari 2014 tot 22 februari 2014 geld overgemaakt naar [medeverdachte 2] . Er kan echter niet worden vastgesteld dat (één van) deze overboekingen het gevolg was van de door verdachte verstuurde sms-berichten. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde voltooide afdreiging.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde poging tot afdreiging heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake was van vrijwillige terugtred. Het hof volgt de raadsman hier niet in. Zoals hiervoor overwogen heeft verdachte aan [slachtoffer] berichten gestuurd, met als doel hem te dwingen tot het betalen van een geldbedrag. Dat dit, voor zover het hof heeft kunnen vaststellen, niet gelukt is en dat verdachte in de korte periode daarna tot aan zijn overlijden geen nieuwe berichten heeft gestuurd, betekent niet dat zij vrijwillig is teruggetreden. Zij heeft, kort gezegd, een poging gewaagd, die poging is mislukt, en zij heeft het daarna niet nog een keer geprobeerd. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair:
zij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [nummer] , gelegen op chaletpark/bungalowpark [naam park] ), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (een deel van) (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te weten de buren [getuige 1] en/of [getuige 2] en/of een of meer aldaar aanwezige kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2 subsidiair:
zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo en/of Kampen en/of elders in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een geheim, [slachtoffer] te dwingen (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke bedreiging(en) (telkens) hierin bestond(en) dat zij, verdachte en/of haar mededader(s) (een) seksxafspra(a)k(en) maakte(n) en/of een heimelijke (seksuele) relatie begon met die [slachtoffer] en/of (vervolgens) van deze seksafspra(a)k(en) heimelijk video-/filmbeelden en/of foto's maakte(n) en/of (vervolgens) dreigden deze beelden/foto's aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] te sturen/laten zien en/of dreigden deze een (seksuele) relatie te openbaren aan de echtgenote/familieleden van die [slachtoffer] , en aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft/hebben gecreëerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 primair:
zij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , te verbranden, te vernietigen en/of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) over/bij/in de omgeving van het stoffelijk overschot heeft/hebben gesprenkeld/gegooid/gebracht en/of (vervolgens) die benzine/brandbare stof heeft/hebben aangestoken danwel tot ontbranding heeft/hebben gebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot afdreiging.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot een lijk verbranden met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 3 primair is sprake van eendaadse samenloop.

Strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat de psychiater en de psycholoog tot de conclusie zijn gekomen dat verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar was.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Het oordeel van het hof

Over verdachte zijn verschillende rapportages opgemaakt.

Psychiater Kaiser heeft geen uitspraak gedaan over de toerekeningsvatbaarheid.

In de psychologische rapportage Pro Justitia beschrijft psycholoog Ter Borg dat de indruk is dat er in de binding met de verzorgers van verdachte in de vroege levensfase veel is misgegaan, terwijl er in sociale relaties de onderliggende angst is dit nogmaals te moeten meemaken. Dit verklaart dat verdachte ver gaat in het krijgen van steun en goedkeuring in haar omgeving. Een aantal basisvaardigheden heeft verdachte in haar jeugd niet aangeleerd, hetgeen haar ik-zwakte verklaart. De angst aan haar lot overgelaten te worden wijst eveneens op een zwakke identiteit en verklaart grotendeels de sterke beïnvloedbaarheid. Verdachte vertoont, samenvattend, kenmerken van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, waarbij er ook antisociale tendensen zijn. Daarnaast is er sprake van langdurig middelengebruik (cannabis). Verdachte deed mee aan het tenlastegelegde omdat ze zich vanwege de met haar persoonlijkheidsstoornis samenhangende gebrekkige identiteit liet meezuigen zonder stelling te nemen. Daarnaast werd ze geconfronteerd met een stressvolle situatie. De combinatie van een onverwachte problematische situatie en beperkte copingmechanismen waren van invloed op de toerekeningsvatbaarheid. Geadviseerd wordt verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte, op de tegenwoordige gehanteerde driepuntschaal, als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Verdachte is dus strafbaar, aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast dient aan verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren te worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Daarnaast is verdachte ‘first offender’. Er is sprake van aanzienlijk tijdsverloop, hetgeen in positieve zin dient bij te dragen bij het bepalen van de strafmaat. Ten aanzien van feit 2 dient geen straf opgelegd te worden, omdat [medeverdachte 2] niet voor dit feit is vervolgd. Deze schending van het gelijkheidsbeginsel dient in de strafmaat verdisconteerd te worden. Ook de media-aandacht die er is geweest voor deze zaak dient in matigende zin bij te dragen aan de strafmaat.

Het oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen maatregel en straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van brandstichting, van een poging tot het wegmaken van een lijk en aan een poging tot afdreiging. Het hof rekent het verdachte aan dat zij brand heeft gesticht en daarmee heeft geprobeerd het stoffelijk overschot van [slachtoffer] weg te maken. Daarmee heeft zij de opsporing van een zeer ernstig feit tegengewerkt en bemoeilijkt. Ook heeft zij met haar handelen het leed dat de nabestaanden is aangedaan verder vergroot. Brandstichting kan daarnaast gevaar voor de omgeving opleveren en heeft, in dit geval, geleid tot aanzienlijke schade aan het chalet.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waarvoor in beginsel uitsluitend het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de orde is.

Het hof overweegt echter ook dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat zij ook na de onderhavige zaak niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie. Zij heeft na de periode waarin zij in voorlopige hechtenis verbleef gedurende lange tijd aan beperkende schorsingsvoorwaarden voldaan.

Zoals hiervoor al is overwogen, kan het bewezenverklaarde bovendien in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.

Uit het reclasseringsadvies van 22 november 2018 komt naar voren dat verdachte na het opheffen van de voorlopige hechtenis depressieve klachten had. Volgens de reclassering vecht verdachte hard voor een normaal bestaan en wil zij laten zien dat zij geleerd heeft van haar fouten. De reclassering ziet geen criminogene factoren en acht begeleiding niet noodzakelijk. Verdachte is inmiddels geresocialiseerd en ingebed in de samenleving. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Oplegging van een gevangenisstraf die langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten zou de positieve wendingen in het leven van verdachte doorkruisen.

Het hof houdt ook rekening met deze bevindingen en conclusie.

Anders dan de raadsman is het hof niet van oordeel dat de media-aandacht voor de rol van verdachte in deze zaak zodanig is geweest dat dit dient te leiden tot een lagere straf.

Alles overwegend, mede gelet ook op de eis van de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat thans kan worden volstaan met een straf die tot resultaat heeft dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Aan verdachte zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daarnaast de maximale taakstraf.

Het hof ziet daarbij in de ernst van de feiten wel aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen dan is geëist door de advocaat-generaal.

Voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals bepleit door de verdediging, ziet het hof geen enkele aanleiding.

Redelijke termijn

Verdachte heeft op 23 december 2016 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak op 24 januari 2019. Daarmee is de redelijke termijn met één maand overschreden. Het hof acht deze overschrijding, mede gelet op de complexiteit en omvang van deze zaak en de samenhang die de zaak van verdachte met die van de medeverdachten had, zo gering dat het daaraan geen consequenties zal verbinden.

Gelijkheidsbeginsel

De raadsman heeft nog aangevoerd dat het niet vervolgen van [medeverdachte 2] voor feit 2 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat in verband hiermee geen straf opgelegd dient te worden voor feit 2, dan wel dat dit verdisconteerd dient te worden in de strafmaat. Het hof overweegt hierover dat aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Daarnaast leidt de enkele omstandigheid dat een medeverdachte niet wordt vervolgd niet zonder meer tot schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van verdachte.

Het hof overweegt dat het onder 2 ten laste gelegde feit naar voren is gekomen in het opsporingsonderzoek naar het overlijden van [slachtoffer] . Het Openbaar Ministerie heeft het opportuun geacht om de medeverdachte, die ook van het om het leven brengen van die [slachtoffer] werd verdacht, niet ook voor het onder 2 ten laste gelegde te vervolgen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat daarmee ten aanzien van verdachte in strijd met het gelijkheidsbeginsel is gehandeld.

Beslag

Het hof zal de teruggave bevelen van de onder verdachte in beslag genomen goederen die aan haar in eigendom toebehoren, zoals hierna in het dictum genoemd, en de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) bevelen van de onder verdachte in beslaggenomen ID-kaart en paspoorten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.866,18. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 129,56. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van € 4.334,56.

De benadeelde partij heeft haar vordering voor zover deze ziet op de met de afdreiging verkregen geldbedragen en de reiskosten in eerste aanleg en in hoger beroep gehandhaafd. Daarbij begrijpt het hof dat de gevorderde reiskosten in hoger beroep € 37,- bedragen. Voor het overige heeft de benadeelde partij de vordering in hoger beroep niet gehandhaafd.

Het hof zal de benadeelde partij voor het gedeelte van de vordering dat ziet op de gelden die met de afdreiging zouden zijn verkregen niet-ontvankelijk verklaren, omdat het hof verdachte vrijspreekt van het onder 2 primair ten laste gelegde en slechts komt tot bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde poging.

Reiskosten

Het hof acht de in eerste aanleg en in hoger beroep gevorderde reiskosten voor toewijzing vatbaar als proceskosten. Voor wat betreft de hoogte van de in eerste aanleg gemaakte reiskosten sluit het hof zich aan bij het vonnis van de rechtbank.

Het hof overweegt dat de exacte hoogte van de reiskosten in hoger beroep niet eenvoudig vast te stellen is. Er is sprake van meerdere verdachten en meerdere zittingsdagen, waarbij extra complicerend is dat niet steeds op elke zittingsdag de zaken tegen alle verdachten zijn behandeld.

Het hof zal de reiskosten daarom schatten en vervolgens verdelen over verdachte en de drie medeverdachten, waarbij het hof aan elke verdachte 1/4e deel toerekent.

Het hof schat aldus de door de benadeelde partij [benadeelde 1] in hoger beroep gemaakte reiskosten op € 222,-. Nu 1/4e deel daarvan € 55,50 bedraagt en de in hoger beroep gevorderde reiskosten € 37,- bedragen, zal het hof de reiskosten in hoger beroep in deze zaak tot de hoogte van het gevorderde bedrag toewijzen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 450,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van € 35,96.

De benadeelde partij heeft haar vordering voor zover deze ziet op de reiskosten in hoger beroep gehandhaafd. Daarbij begrijpt het hof dat deze reiskosten in hoger beroep € 35,96 bedragen. Voor het overige heeft de benadeelde partij de vordering in hoger beroep niet gehandhaafd.

Het hof acht de in hoger beroep gevorderde reiskosten voor toewijzing vatbaar als proceskosten.

Het hof overweegt dat de exacte hoogte van de reiskosten in hoger beroep niet eenvoudig vast te stellen is. Er is sprake van meerdere verdachten en meerdere zittingsdagen, waarbij extra complicerend is dat niet steeds op elke zittingsdag de zaken tegen alle verdachten zijn behandeld.

Het hof zal de reiskosten daarom schatten en vervolgens verdelen over verdachte en de drie medeverdachten, waarbij het hof aan elke verdachte 1/4e deel toerekent.

Het hof schat aldus de door de benadeelde partij [benadeelde 2] in hoger beroep gemaakte reiskosten op € 215,-. Nu 1/4e deel daarvan € 53,75 bedraagt en de in hoger beroep gevorderde reiskosten € 35,96,- bedragen, zal het hof de reiskosten in hoger beroep in deze zaak tot de hoogte van het gevorderde bedrag toewijzen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.068,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 101,13. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van € 157,50.

De benadeelde partij heeft haar vordering voor zover deze ziet op de reiskosten in eerste aanleg en in hoger beroep gehandhaafd. Daarbij begrijpt het hof dat de reiskosten in hoger beroep € 37,58 bedragen. Voor het overige heeft de benadeelde partij de vordering in hoger beroep niet gehandhaafd.

Het hof acht de in eerste aanleg en in hoger beroep gevorderde reiskosten voor toewijzing vatbaar als proceskosten. Voor wat betreft de hoogte van de in eerste aanleg gemaakte reiskosten sluit het hof zich aan bij het vonnis van de rechtbank.

Het hof overweegt dat de exacte hoogte van de reiskosten in hoger beroep niet eenvoudig vast te stellen is. Er is sprake van meerdere verdachten en meerdere zittingsdagen, waarbij extra complicerend is dat niet steeds op elke zittingsdag de zaken tegen alle verdachten zijn behandeld.

Het hof zal de reiskosten daarom schatten en vervolgens verdelen over verdachte en de drie medeverdachten, waarbij het hof aan elke verdachte 1/4e deel toerekent.

Het hof schat aldus de door de benadeelde partij [benadeelde 3] in hoger beroep gemaakte reiskosten op € 225,-. Nu 1/4e deel daarvan € 56,25 bedraagt en de in hoger beroep gevorderde reiskosten € 37,58,- bedragen, zal het hof de reiskosten in hoger beroep in deze zaak tot de hoogte van het gevorderde bedrag toewijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 151, 157 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de onder verdachte in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- de ID-kaart;

- het paspoort ten name van [naam 1] ;

- de ponskaart ten name van [naam 2] .

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- het mapje;

- de HP laptop;

- de Siemens laptop;

- de roze hoes;

- de Samsung telefoon;

- de Lebara simkaart.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 166,56 (honderdzesenzestig euro en zesenvijftig cent).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 35,96 (vijfendertig euro en zesennegentig cent).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 157,50 (honderdzevenenvijftig euro en vijftig cent).

Aldus gewezen door

mr. R.H. Koning, voorzitter,

mr. C. Caminada en mr. R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T. Faber, griffier,

en op 24 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. R.W. van Zuijlen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.