Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5941

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
21-001389-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van verschillende mishandelingen en verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar (met aftrek van voorarrest) en TBS met dwangverpleging. Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, ondanks de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001389-18

Uitspraak d.d.: 22 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2018 met parketnummer 05-740368-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,

thans verblijvende in [detentie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. J.J.H.M. de Crom, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Nijmegen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door:

- het één of meermalen (krachtig) slaan/stompen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of

- het krachtig aan de haren trekken en/of (daarbij) op/naar de grond trekken en/of

- het vastpakken en/of vasthouden en/of (daarbij) naar de slaapkamer trekken en/of

- op het lichaam te gaan zitten en/of (daarbij) de keel/hals/luchtpijp dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of

- het vastbinden van de handen/polsen en/of enkels en/of

- het één of meermalen krassen/snijden met een mes, althans een scherp voorwerp op één of meer lichaamsde(e)l(en),

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het één of meermalen duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Nijmegen zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] :

- (krachtig) één of meermalen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of

- krachtig aan dier haren te trekken en/of (daarbij) op/naar de grond te trekken en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of (daarbij) de keel/hals/luchtpijp dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of

- één of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp op/over/in één of meer lichaamsde(e)l(en) te snijden en/of te krassen;
3.
hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Nijmegen, een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door:

- met kracht op/tegen voornoemde [slachtoffer 2] aan te lopen en/of

- één of meermalen met (gebalde) vuist(en) naar en/of in de richting van het hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 2] (liggend op de grond) te gaan zitten en/of (daarbij) één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in een oog van die [slachtoffer 2] te duwen/drukken en/of

- die [slachtoffer 2] één of meermalen (krachtig) met (gebalde) vuist(en) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het bovenlichaam te slaan en/of te stompen;
4.
hij op of omstreeks 23 september 2016 te Roermond [slachtoffer 3] heeft mishandeld door één of meermalen met de (gebalde) vuist(en) die [slachtoffer 3] in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten neusfractuur en/of gebroken tand(en), althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, alle vier de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ter terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft betoogd dat de bekentenis van verdachte enige nuancering behoeft en zij heeft verzocht verdachte vrij te spreken van:

  • -

    het onder feit 2 ten laste gelegde onderdeel ‘levensgezel’;

  • -

    het onder feit 3 ten laste gelegde onderdeel ‘en/of het bovenlichaam’ en

  • -

    het onder feit 4 ten laste gelegde onderdeel ‘slaan of stompen op of tegen het hoofd’.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de mishandeling van [slachtoffer 3] , gelet op de geringe aard van het medisch ingrijpen, het uitzicht op volledig herstel en de korte herstelperiode, geen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad en dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Oordeel van het hof

Feit 2

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat zowel aangeefster als de verdachte hebben verklaard dat hun relatie op 16 augustus 2017 al was verbroken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onderdeel ‘levensgezel’ dient te worden vrijgesproken.

Feit 3

Uit de verklaringen van aangeefster en verdachte komt naar voren dat verdachte haar tegen het hoofd en in haar gezicht heeft geslagen en gestompt. Er is onvoldoende bewijs dat verdachte haar ook op het bovenlichaam heeft gestompt of geslagen. Verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken.

Feit 4

Aangever [slachtoffer 3] heeft, zo blijkt uit de overgelegde medische verklaringen, ten gevolge van de mishandeling een (forse) hersenschudding, drie afgebroken tanden, een blauw oog, schaafwonden in het gezicht en een gebroken neus opgelopen. De neus is op 29 september 2016 operatief recht gezet. De tandarts heeft verklaard dat er naast de afgebroken tanden, enorm trauma is ontstaan aan de wortelvliezen in de linker bovenkaak. Uit de opgave van de medische kosten komt naar voren dat [slachtoffer 3] ten gevolge van de mishandeling gedurende enige maanden verschillende medische behandelingen heeft moeten ondergaan. Uit de door [slachtoffer 3] ter terechtzitting ingebrachte slachtofferverklaring blijkt dat hij maanden na de mishandeling nog steeds kampte met duizelingen, nekklachten en concentratieproblemen. Ook nu, zo blijkt uit de verklaring, belemmeren de gevolgen van de mishandeling hem nog in zijn dagelijks functioneren.

Zwaar lichamelijk letsel

Artikel 82 Wetboek van Strafrecht bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kan een onderscheid worden gemaakt tussen letsels die alleen al vanwege de aard en ernst van het letsel moeten worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel en letsels die als zodanig niet kunnen worden beschouwd als ‘zwaar’ maar vanwege de noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel toch als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt.

Het hof concludeert dat er sprake is van een veelvoud van verwondingen, waarvoor het slachtoffer zeker tot en met december 2016 verschillende medische behandelingen, waaronder een operatief ingrijpen, heeft moeten ondergaan. Bovendien is hij gedurende zes weken in het geheel niet in staat geweest normaal te functioneren en hebben de medische problemen ten gevolge van de mishandeling zijn leven in de maanden daarna ernstig beïnvloed. Het slachtoffer heeft zich onder medische behandeling moeten stellen voor het operatief rechtzetten van zijn neus na een neusfractuur. Verder heeft hij zich onder behandeling van een tandarts moeten stellen. De afgebroken tanden van het slachtoffer zijn door de tandarts met composiet aangeheeld, maar daarmee zijn die tanden niettemin blijvend beschadigd. Gelet op de totaliteit van de aangebrachte verwondingen, de langdurige herstelperiode, de blijvende beschadigingen, de ernst van de beperkingen en de pijn die het slachtoffer gedurende lange tijd heeft ondervonden, kan naar het oordeel van het hof bewezen worden verklaard dat de mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Nijmegen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door:

- het één of meermalen (krachtig) slaan/stompen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of

- het krachtig aan de haren trekken en/of (daarbij) op/naar de grond trekken en/of

- het vastpakken en/of vasthouden en/of (daarbij) naar de slaapkamer trekken en/of

- op het lichaam te gaan zitten en/of (daarbij) de keel/hals/luchtpijp dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of

- het vastbinden van de handen/polsen en/of enkels en/of

- het één of meermalen krassen/snijden met een mes, althans een scherp voorwerp op één of meer lichaamsde(e)l(en),

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het één of meermalen duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer 1] ;

2.
hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Nijmegen zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] :

- ( krachtig) één of meermalen in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of

- krachtig aan dier haren te trekken en/of (daarbij) op/naar de grond te trekken en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 1] te gaan zitten en/of (daarbij) de keel/hals/luchtpijp dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden en/of

- één of meermalen met een mes, althans een scherp voorwerp op/over/in één of meer lichaamsde(e)l(en) te snijden en/of te krassen;

3.
hij op of omstreeks 16 augustus 2017 te Nijmegen, een ambtenaar, [slachtoffer 2] , gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door:

- met kracht op/tegen voornoemde [slachtoffer 2] aan te lopen en/of

- één of meermalen met (gebalde) vuist(en) naar en/of in de richting van het hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] te slaan en/of

- op het lichaam van die [slachtoffer 2] (liggend op de grond) te gaan zitten en/of (daarbij) één of meer van zijn, verdachtes, vinger(s) in een oog van die [slachtoffer 2] te duwen/drukken en/of

- die [slachtoffer 2] één of meermalen (krachtig) met (gebalde) vuist(en) in/tegen het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het bovenlichaam te slaan en/of te stompen;

4.
hij op of omstreeks 23 september 2016 te Roermond [slachtoffer 3] heeft mishandeld door één of meermalen met de (gebalde) vuist(en) die [slachtoffer 3] in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten neusfractuur en/of gebroken tand(en), althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Pro Justitia dubbelrapportage

Het hof heeft kennisgenomen van het rapport van 9 januari 2018, opgemaakt door C. Sipma, GZ-psycholoog en het rapport van 15 januari 2019, opgemaakt door T.W.D.P. van Os, psychiater. De adviezen hebben betrekking op de feiten zoals ten laste gelegd onder feit 1, 2 en 3. De beide deskundigen hebben hun rapporten op 8 juli 2019 ter terechtzitting toegelicht.

Het rapport van Sipma is inmiddels ouder dan een jaar. Al op de vorige terechtzitting van het hof van 23 augustus 2018 is van de zijde van de verdediging gezegd dat er geen bezwaar zou zijn tegen het gebruik van dit rapport ook als het inmiddels ouder zou zijn dan een jaar. Dit standpunt is ter terechtzitting van 8 juli 2019 herhaald en ook de advocaat generaal heeft desgevraagd verklaard in te stemmen met het gebruik van dit rapport.

Rapporteur Sipma heeft geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblematiek. Met betrekking tot de relatie tussen de gediagnosticeerde stoornis en de gepleegde feiten, heeft zij gerapporteerd:

Er is een duidelijk verband tussen het tenlastegelegde en de genoemde stoornissen. Door de antisociale persoonlijkheidsstoornis is er sprake van een verminderde impulscontrole, kan hij zich niet goed verplaatsen in anderen, is er sprake van gebrekkige gewetensfuncties, heeft hij een lage frustratietolerantie en is hij geneigd om spanningen en gevoelens van onvrede uit te ageren middels verbale en fysieke agressie. Het middelengebruik verslechtert de toch al beperkte impulscontrole.” De rapporteur heeft geadviseerd de ten laste gelegde feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. Het risico op recidive van gewelddadig gedrag als verdachte zonder behandeling of begeleiding in de maatschappij zou terugkeren, heeft zij weergegeven als hoog. Het risico op recidive van seksueel gewelddadig gedrag als laag tot matig.

Sipma heeft in haar rapportage verder aangegeven dat verdachte het meest gebaat is bij een klinische behandeling in een dubbele diagnose kliniek. Gelet op de in het verleden mislukte behandelingen in een vrijwillig kader, acht zij een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden aangewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft zij voorop gesteld dat het door haar uitgebrachte rapport inmiddels anderhalf jaar oud is en dat zij sindsdien aanvullende informatie heeft verkregen van de mederapporteur. Zij heeft verklaard dat het behandeltraject vermoedelijk soepeler zal verlopen als eerst de verslavingsproblematiek wordt aangepakt, omdat verdachte meer openstaat voor een behandeling van zijn verslaving. Zij verwacht dat verdachte, als hij in plaats van een dubbele diagnoses kliniek in een TBS-kliniek wordt geplaatst, veel ruis zal veroorzaken en dat er geruime tijd nodig zal zijn voordat met een behandeling van de persoonlijkheidsstoornis kan worden begonnen. Volgens Sipma zou een klinische behandeling zeker een aantal jaren in beslag nemen.

Rapporteur van Os heeft geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in gebruik van alcohol, cannabis en cocaïne. Verder is de diagnose dat verdachte lijdt aan een (antisociale) persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Volgens de rapporteur is er sprake van een diepgaand patroon van gebrek aan achting voor de rechten van anderen, impulsiviteit, onvermogen om ‘vooruit te plannen’, prikkelbaarheid en agressiviteit. Gezien het chronische karakter van de gebrekkige ontwikkeling is het aannemelijk dat deze aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en samen met het alcoholgebruik zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloedde. De deskundige heeft geadviseerd de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.

Van Os heeft verder gerapporteerd dat er gezien de grote instabiliteit binnen de persoonlijkheid van verdachte en het gebrek aan beschermende factoren, een sterk verhoogd gevaar voor recidive van gewelddadig gedrag bestaat.

De problematiek van verdachte is ernstig, geworteld en complex met een hoog recidivegevaar. Daarom acht de rapporteur een terbeschikkingstelling met voorwaarden onvoldoende. De deskundige verwacht dat de klinische fase dan te kort zal zijn en dat verdachte vanwege zijn krenkbaarheid, autoriteitsgevoeligheid en zijn neiging te externaliseren veel tijd zal besteden aan gevechten rond procedures zonder inhoudelijk aan de slag te gaan, een patroon dat zich ook in detentie heeft afgetekend. Van Os heeft dan ook geadviseerd de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de deskundige toegelicht dat zich weliswaar geen ernstige incidenten in detentie hebben voorgedaan, maar dat de incidenten (waaronder middelengebruik) wel kenmerkend zijn voor de geconstateerde stoornissen. De deskundige verklaarde verder dat bij terbeschikkingstelling met voorwaarden een klinische behandeling in de praktijk relatief van korte duur is (veelal niet meer dan 2 jaar) en dat verdachte zich door schijnaanpassingen mogelijk wel zo lang zal kunnen handhaven. De lijdensdruk bij verdachte is in het geval van een terbeschikkingstelling met voorwaarden te gering en onvoldoende om de ingesleten patronen te veranderen. De wil om te veranderen is bij verdachte extern bepaald, dat tonen zijn mislukte behandelingen tot nu toe ook aan. Er is wel ziektebesef, maar het ziekte-inzicht is beperkt.

Oordeel van het hof

Gelet op de rapportages en de verklaringen ter terechtzitting van de deskundigen is het hof van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Rekening houdende met het langdurige, ingesleten patroon van de stoornis met het daarbij kenmerkende gedrag en de ook in 2016 aanwezige verslavingsproblematiek, is het hof van oordeel dat verdachte ook tijdens het plegen van het onder 4 ten laste gelegde feit verminderd toerekeningsvatbaar kan worden geacht te zijn geweest.

Oplegging van straf en/of maatregel

Gevangenisstraf

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf zal worden opgelegd die de tijd die verdachte tot nu toe in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht (bijna twee jaar) niet overschrijdt.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Oordeel van het hof

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft aangeefster van de feiten 1 en 2 op brute wijze verkracht en mishandeld. Hij heeft haar geruime tijd van haar vrijheid beroofd en al die tijd vreesde zij voor haar leven. Zoals aangeefster heeft verklaard, wordt haar leven al bijna twee jaar beheerst door de gebeurtenissen op 16 augustus 2017. Ze voelt zich onveilig, zelfs in haar eigen huis en heeft angsten ontwikkeld. Verdachte heeft in eerste instantie geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en bij de rechtbank zelfs een noodweerverweer gevoerd. Hij heeft inmiddels verklaard dat hij spijt heeft, maar volgens de psycholoog en de psychiater heeft hij nauwelijks besef van de gevolgen van zijn gedrag en weinig empathie met de gevoelens van aangeefster. Pas toen een maatregel van terbeschikkingstelling dreigde heeft verdachte enige opening van zaken gegeven.

Ook de mishandelingen van politiebeambte [slachtoffer 2] en aangever [slachtoffer 3] getuigen van impulsief en gewelddadig gedrag tegenover (in deze gevallen: willekeurige) derden. Bovendien blijkt uit de justitiële documentatie van verdachte dat hij de afgelopen jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van mishandeling en huiselijk geweld.

Het hof heeft ten voordele van verdachte rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid en met het feit dat naast gevangenisstraf een maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd. Verder heeft het hof rekening gehouden met de eendaadse samenloop van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden is.

Maatregel van terbeschikkingstelling

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht alsnog een maatregelrapport door de reclassering te laten opstellen.

Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte gemotiveerd is om zich te laten behandelen en dat hij erkent dat hij hulp nodig heeft. Zij heeft gesteld dat verdachte al eerder vrijwillig behandeltrajecten is ingegaan, maar dat deze kennelijk te vrijblijvend waren en dat het gezien de geconstateerde persoonlijkheidsstoornis heel goed verklaarbaar is waarom die behandelingen niet zijn geslaagd. Maar ondanks zijn eerdere veroordelingen wegens geweld, is er in een justitieel kader nooit eerder adequate hulp geboden. Verdachte heeft hulp en behandeling nodig en dit moet plaatsvinden in een dwingend justitieel kader, in de vorm van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Dat geeft de mogelijkheid verdachte in een dubbele diagnose kliniek te plaatsen, zoals door deskundige Sipma is geadviseerd, en biedt een stok achter de deur voor het geval verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt. Volgens de raadsvrouw is de motivering door de psychiater om verpleging van overheidswege op te leggen onvoldoende. Er zijn sinds december 2018 geen positieve urinecontroles meer geweest en de incidenten in detentie met de medewerkers van de inrichting, komen (mede) voort uit zijn stoornis waarvoor hij op dit moment niet wordt behandeld.

Verdachte is gemotiveerd om mee te werken en mocht dat niet lukken, dan kan de TBS met voorwaarden alsnog worden omgezet naar een TBS met dwangverpleging. Er is onvoldoende onderzoek gedaan in hoger beroep om te kunnen concluderen dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar is.

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.

Standpunt van de advocaat-generaal

Er zijn rapportages opgemaakt door een psycholoog en een psychiater; een rapportage van de reclassering voegt niets toe. De raadsvrouw heeft een brief van de [kliniek] overgelegd waaruit blijkt dat verdachte in 2012 vrijwillig en constructief heeft meegewerkt aan een training ‘Woedebeheersing’. Kennelijk zo constructief dat er in 2016 en 2017 weer vier ernstige geweldsdelicten zijn gepleegd.

Verdachte vertoont nu gewenst gedrag, maar dat komt niet uit hemzelf. Tijdens de aanloop naar het hoger beroep zijn er ook in detentie incidenten geweest en maar liefst vier positieve urinecontroles. De psychiater heeft aangegeven dat het om een hardnekkig ingesleten patroon gaat, dat niet in korte tijd behandelbaar is.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Oordeel van het hof

Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door verdachte ingestelde beroep en wijst het verzoek tot het laten opmaken van een maatregelrapport af.

Een verdachte bij wie tijdens het begaan van een feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De door de psycholoog en de psychiater gestelde diagnoses zijn (zo goed als) eensluidend:

verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en aan een ziekelijke stoornis in gebruik van alcohol, cannabis en cocaïne.

Beide deskundigen hebben aangegeven dat de stoornissen ten tijde van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten aanwezig waren en een rol speelden in het plegen van de feiten. Het hof gaat daarvan eveneens uit, ook bij feit 4. Ook de inschatting van de deskundigen van het risico op recidive van gewelddadig gedrag komt overeen; beide deskundigen hebben vastgesteld dat dit risico hoog is voor agressieve delicten.

Het hof heeft bij de beslissing of een terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden opgelegd de belangen van verdachte en het belang van bescherming van de maatschappij

afgewogen. Daarbij is onder meer rekening gehouden met:

  • -

    het rapport van psychiater Van Os, waaruit blijkt dat slechts bij een verpleging van overheidswege adequate behandeling van de complexe, ingesleten problematiek mogelijk is;

  • -

    de verklaringen van beide deskundigen dat verdachte een langdurige klinische behandeling dient te ondergaan;

  • -

    de onzekerheid of een terbeschikkingstelling met voorwaarden een klinische behandeling van voldoende duur en intensiteit biedt om de geschetste problematiek het hoofd te bieden;

  • -

    de aard en de ernst van de gepleegde feiten en het recidiverisico;

  • -

    het reclasseringsadvies van 6 februari 2018, opgemaakt door Iriszorg, waaruit blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet voor een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

  • -

    de kans dat verdachte conflictsituaties creëert en zich onttrekt aan de voorwaarden. Die kans acht het hof aanzienlijk. Weliswaar is het in die situatie mogelijk een eventuele terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten naar een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, maar dat impliceert dat het traject opnieuw aanvangt, wat ook niet in belang van verdachte zou zijn.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de vastgestelde gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornissen en het hoge recidiverisico, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk maakt.

Omdat het misdrijven betreft die gericht waren tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, is sprake van een ongemaximeerde terbeschikkingstellings-maatregel.

Beslag

Het hof zal de onttrekking aan het verkeer bevelen van de in beslag genomen goederen, te weten een dolkmes en 8 stuks 7,5 mm munitie, aangezien zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. [slachtoffer 1] was immers al voor de gepleegde feiten onder behandeling van een psycholoog, waardoor niet kan worden vastgesteld welk deel van de psychische schade een rechtstreeks gevolg is van de ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft verklaard dat de handdoeken en het bed zijn eigendom waren en de daarmee verband houdende schadevergoeding dus niet toewijsbaar is.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat generaal heeft gesteld dat de vordering voor materiële schade tot € 1.092,77 dient te worden toegewezen (inclusief een vergoeding van € 250,-- voor het bed en inclusief het eigen risico). De immateriële schade kan worden toegewezen tot € 3.500,--.

Oordeel van het hof:

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.594,77. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.842,80. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Ter zitting van het hof is gebleken dat het vermogen van aangeefster [slachtoffer 1] onder (beschermings)bewind is gesteld. Ingevolge artikel 1:441, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende in en buiten rechte. Op grond van artikel 51f, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering geldt deze regeling óók voor een benadeelde partij die zich met een schadevergoedingsvordering wenst te voegen in het strafgeding. [slachtoffer 1] is dus niet bevoegd zelf als procespartij optreden. Haar advocaat is dat ook niet. Het zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren de benadeelde partij in staat te stellen dit gebrek in de voeging door de bewindvoerder te laten herstellen, vanwege de daarmee gemoeide vertraging van de afdoening van het strafproces. Zij zal daarom niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard en deze (door middel van haar bewindvoerder) slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

De niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de (civiele) vordering, laat op zichzelf onverlet de mogelijkheid om een (strafrechtelijke) schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen (ECLI:NL:HR:2019:793).

Over het algemeen is het hof van oordeel dat hiermee behoedzaam moet worden omgegaan. De maatstaf voor het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel blijft immers de aansprakelijkheid van de verdachte naar burgerlijk recht voor (enkel) de rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit veroorzaakte schade. Niet voor niets zoeken strafrechters in de praktijk feitelijk nagenoeg steeds voor het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel aansluiting bij het bedrag aan toewijsbare schadevergoeding dat voortvloeit uit het partijdebat van de partijen naar aanleiding van de civiele vordering van de benadeelde partij. Heeft dit partijdebat, bij gebrek aan een (ontvankelijke) vordering van de benadeelde partij niet plaats kunnen vinden, dan dient zich mogelijk de vraag aan op welke wijze – die recht doet aan de belangen van zowel het slachtoffer als de verdachte – het bedrag van de maatregel dan moet worden bepaald.

In dit geval ziet het hof aanleiding tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel over te gaan, ondanks niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij is tijdens de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep bijgestaan door een advocaat. De verdachte was eveneens voorzien van rechtsbijstand in beide instanties. Pas aan het einde van de zitting in hoger beroep werd het beschermingsbewind van de benadeelde partij bekend. Daaraan voorafgaand zijn de benadeelde partij en de verdachte in voldoende mate in de gelegenheid geweest de vordering toe te lichten respectievelijk deze te betwisten. In het aldus gevoerde partijdebat ziet het hof voldoende aanknopingspunten om tot begroting van de bij maatregel op te leggen schadevergoeding te kunnen komen.

De raadsvrouw heeft de vergoedingsplicht met betrekking tot de reis- en parkeerkosten, die verband houden met ondergane GGZ-behandelingen betwist, omdat deze mogelijk niet in verband zouden staan met de gepleegde feiten. Het hof verwerpt dit verweer. Ook in het geval [slachtoffer 1] zich in verband met haar geestelijke gezondheid al eerder onder behandeling hebben moeten stellen, acht het hof het op grond van algemene ervaringsregels zonder meer aannemelijk dat ook de bewezenverklaarde feiten daartoe hebben geleid. Ook is genoegzaam aangetoond dat zij zich daardoor tevens onder behandeling van een fysiotherapeut heeft moeten stellen. De reis- en parkeerkosten die met al deze behandelingen verband houden, moeten daarom door verdachte worden vergoed. Dat geldt ook voor de reis- en parkeerkosten die verband houden met bezoeken aan maatschappelijk werk, de huisarts en [zorginstelling] .

De overige reis- en parkeerkosten waarvan [slachtoffer 1] vergoeding vraagt (naar het politiebureau, slachtofferhulp en haar advocaat) zijn geen rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit en komen daarom niet voor rekening van verdachte.

Verder acht het hof het begrijpelijk en niet onredelijk dat [slachtoffer 1] het bed waarop het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is gepleegd, niet langer kan gebruiken en het daarom wil vervangen. De daarmee gemoeide kosten staan in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde en moeten door verdachte worden gedragen, met dien verstande dat over het algemeen met afschrijving van te vervangen zaken rekening dient te worden gehouden. Op grond daarvan komt het hof tot een iets lager bedrag dan is opgegeven voor het nieuw te kopen bed en matras. Het verweer van verdachte dat het bed hem toebehoorde, is in het geheel niet nader onderbouwd, zodat het wordt gepasseerd.

Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat de handdoeken die [slachtoffer 1] wenst te vervangen. Ook de vervangingskosten van de handdoeken vormen door de verdachte te vergoeden schade. Dit geldt ook voor de kosten van de kleding. Deze bedragen zijn door [slachtoffer 1] zeer bescheiden begroot, op grond waarvan het hof geen afschrijving toepast.

Met betrekking tot het bedrag aan immateriële schadevergoeding waar [slachtoffer 1] aanspraak op maakt, overweegt het hof dat voor toekenning van immateriële schadevergoeding een wettelijke grondslag bestaat in art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Met name door het onder 1 bewezenverklaarde feit is gegeven dat een zeer ernstige normschending heeft plaatsgehad, met ernstige gevolgen – zoals door haar ook gesteld – voor het slachtoffer, waardoor zij in haar persoon is aangetast.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de aard en de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof een vergoeding wegens immateriële schade van € 4.000,-- billijk.

De door verdachte te betalen schadevergoeding is op grond van het voorgaande als volgt berekend:

Materiële schade:

- reiskosten, voor zover die zien op de reiskosten ten behoeve van (medische) behandelingen (reiskosten naar de politie, advocaat e.d. vallen onder proceskosten en zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit1), ter hoogte van € 106,96

  • -

    parkeerkosten € 4,80

  • -

    kleding € 180,91

  • -

    handdoeken € 14,97

  • -

    bed € 300,--

Immateriële schade:

€ 4.000,00.

Totaal: € 4.607,64.

Tot dit bedrag zal het hof aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen op de hierna te noemen wijze.

Over de diverse schadeposten zal de verdachte ook de wettelijke rente moeten vergoeden. De ingangsdata daarvan zal het hof bepalen op de datum van het bewezenverklaarde (immateriële schadevergoeding, kleding, handdoeken en bed) respectievelijk op een datum gelegen in (ongeveer) het midden van de periode waarin die schade is geleden (reis- en parkeerkosten).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering met betrekking tot de kosten van de fysiotherapeut, omdat deze kosten niet zijn onderbouwd. Gelet op een uitspraak uit de smartengeldgids zou de vergoeding van de immateriële schade beperkt moeten worden tot € 523,--.

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering conform de uitspraak van de rechtbank kan worden toegewezen.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.212,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 962,20. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 212,20. Zowel de kosten van de chiropractor ad € 55,-- als die van de fysiotherapie ad € 157,20 zijn naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd door de bij het voegingsformulier gevoegde stukken.

De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde onder feit 3 lichamelijk letsel opgelopen en op die grond aanspraak op vergoeding van immateriële schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de aard en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof toekenning van een bedrag van € 750,-- billijk.

Verdachte is tot vergoeding van de schade van in totaal € 962,20 gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Over de diverse schadeposten zal de verdachte ook de wettelijke rente moeten vergoeden. De ingangsdata daarvan zal het hof bepalen op de datum van het bewezenverklaarde (immateriële schadevergoeding) respectievelijk op een datum gelegen in (ongeveer) het midden van de periode waarin die schade is geleden (chiropractor en fysiotherapie).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat zij het oordeel van de rechtbank kan volgen en dat de vordering met betrekking tot de medische kosten en reiskosten kunnen worden toegewezen, alsmede een immateriële schade ter hoogte van € 1.250,--.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering conform de uitspraak van de rechtbank kan worden toegewezen.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.428,13. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.819,13. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.299,13. Dit bedrag is opgebouwd uit:

  • -

    € 469,13 wegens medische kosten (eigen risico en eigen bijdrage zorgverzekering en pijnstillers),

  • -

    € 50,-- blouse (na aftrek van een bedrag wegens afschrijving) en

  • -

    € 780,-- wegens huishoudelijke hulp.

De vordering van de reiskosten is onvoldoende onderbouwd, op grond waarvan het hof de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren en zal verwijzen naar de burgerlijke rechter. Met betrekking tot de kosten voor huishoudelijke hulp overweegt het hof met betrekking tot de toewijsbaarheid, dat de benadeelde partij alleen woonde en gedurende ongeveer zes weken niet in staat is geweest een normale huishouding te voeren en in die tijd volledig afhankelijk is geweest van de zorg op dat gebied door zijn vriendin. Het meer gevorderde aan schade wegens de verloren gegane blouse zal worden afgewezen.

De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde onder feit 4 lichamelijk letsel opgelopen en op die grond aanspraak op vergoeding van immateriële schadevergoeding zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Op grond van de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de aard en de ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof toekenning van een bedrag van € 1.250,-- billijk. Het meer gevorderde aan immateriële schadevergoeding zal worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande is verdachte tot vergoeding van de schade van in totaal € 2.549,13 gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Wettelijke rente

De aanvangsdatum van de wettelijke rente over de toegewezen vorderingen zal worden bepaald op de datum waarop de schade is ontstaan (immateriële schadevergoeding en blouse) respectievelijk op een datum gelegen in (ongeveer) het midden van de periode waarin die schade is geleden (medische kosten, huishoudelijke hulp).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 55, 57, 242, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan;

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

Wijst af het verzoek tot het doen opmaken van een maatregelrapport;

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren;

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 dolkmes (goednummer 1518811) en 8 stuks 7,5 mm munitie (munitienummer 591-1100, goednummer 1535370);

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 4.607,64 (vierduizend zeshonderdzeven euro en vierenzestig cent) bestaande uit € 607,64 (zeshonderdzeven euro en vierenzestig cent) materiële schade en € 4.000,00 (vierduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 56 (zesenvijftig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- 16 augustus 2017 over een bedrag van € 4.495,88 en

- 4 november 2017 over een bedrag van € 111,76,

steeds tot aan de dag der voldoening,

met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 962,20 (negenhonderdtweeënzestig euro en twintig cent) bestaande uit € 212,20 (tweehonderdtwaalf euro en twintig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf :

- 16 augustus 2017 over een bedrag van € 750,-- en

- 18 oktober 2017 over een bedrag van 212,20,

steeds tot aan de dag der voldoening;

Wijst het meer gevorderde af;

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 962,20 (negenhonderdtweeënzestig euro en twintig cent) bestaande uit € 212,20 (tweehonderdtwaalf euro en twintig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 (negentien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- 16 augustus 2017 over een bedrag van € 750,-- en

- 18 oktober 2017 over een bedrag van 212,20,

steeds tot aan de dag der voldoening,

met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.549,13 (tweeduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en dertien cent) bestaande uit € 1.299,13 (duizend tweehonderdnegenennegentig euro en dertien cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- 23 september 2016 over een bedrag van € 1.300,-- en

- 26 oktober 2016 over een bedrag van € 1.249,13,

steeds tot aan de dag der voldoening;

Verklaart de benadeelde partij voor het gevorderde aan reiskosten niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Wijst het meer gevorderde af;

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.549,13 (tweeduizend vijfhonderdnegenenveertig euro en dertien cent) bestaande uit € 1.299,13 (duizend tweehonderdnegenennegentig euro en dertien cent) materiële schade en € 1.250,00 (duizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf:

- 23 september 2016 over een bedrag van € 1.300,-- en

- 26 oktober 2016 over een bedrag van € 1.249,13,

steeds tot aan de dag der voldoening,

met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. O.G. Schuur, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.E. Versloot, griffier,

en op 22 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 HR, 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2338.