Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5903

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
21-001742-19
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:1079
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noodlottig, eenzijdig verkeersongeval waarbij door 19-jarige verdachte bestuurde auto tegen boom is beland. Twee van de inzittenden, vrienden van verdachte, overleden ter plaatse. De overige drie inzittenden, waaronder verdachte, liepen al dan niet zwaar letsel op. Oorzakelijke factoren: alcohol, snelheid, inhaalmanoeuvre. Het hof bespreekt de strafdoeleinden en veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en tot een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. Daarnaast legt het hof aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001742-19

Uitspraak d.d.: 17 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2019 met parketnummer 18-930171-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf van honderd uren, subsidiair vijftig dagen jeugddetentie, en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren. Tevens is de verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto gevorderd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. G.R. Stoeten, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van tien maanden met een proeftijd van twee jaren, een werkstraf van tweehonderdveertig uren, subsidiair honderdtwintig dagen jeugddetentie en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren. Tevens heeft de rechtbank de inbeslaggenomen auto verbeurd verklaard.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat de door de rechtbank opgelegde taakstraf wettelijk niet mogelijk is en het hof daarom tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de voet van artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 19 september 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Mazda, daarmede rijdende over [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend - terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank-

- genoemde weg te berijden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de belading van genoemde personenauto en de in het wegdek aanwezige verkeersremmer(s)/verhoging(en) en kruisingen verantwoord en/of geboden was en/of

- ( vervolgens) op of ter hoogte van een verhoging in het wegdek de/een voor hem, verdachte, rijdende auto in te halen en/of te passeren, ten gevolge waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto in een slip is geraakt, althans van de rijbaan is geraakt en/of tegen een (in de (linker)berm staande) lantaarnpaal en/of een boom is gebotst, in elk geval waardoor een aanrijding is ontstaan met een lantaarnpaal en/of een boom, waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , inzittende(n) van de door hem, verdachte bestuurde auto, werden gedood en/of aan [slachtoffer 3] , inzittende van de door hem, verdachte bestuurde auto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele kaakbreuk en/of een hersenbloeding, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

1. subsidiair
hij op of omstreeks 19 september 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg [straat 1] , genoemde weg heeft bereden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de belading van genoemde personenauto en de in het wegdek aanwezige verkeersremmer(s)/verhoging(en) verantwoord en/of geboden was en/of (vervolgens) op of ter hoogte van een verhoging in het wegdek de/een voor hem, verdachte rijdende auto heeft ingehaald/gepasseerd, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.
hij op of omstreeks 19 september 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,49 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde

De rechtbank heeft ten aanzien van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde het volgende overwogen.


Uitgangspunt is dat, om tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, moet komen vast te staan dat de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Bij de beoordeling van de schuld gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de omstandigheden. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersongeval worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank stelt op grond van de stukken in het dossier het volgende vast.

Op 19 september 2018 reed verdachte als bestuurder van een personenauto (Mazda, type Demio) op [straat 1] te [plaats] . In deze auto zat [slachtoffer 4] op de plaats van de bijrijder. Op de achterbank zaten [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . De vijf inzittenden behoorden tot een van de voetbalteams van de [voetbalvereniging] en hadden net getraind en daarna, tijdens de zogenoemde nazit, allen bier gedronken.

De toegestane snelheid op [straat 1] te [plaats] bedroeg daar 30 km/u.

Verdachte had tijdens de nazit in ieder geval drie flesjes bier gedronken en was dus onder invloed van alcohol, in een mate die boven de voor een beginnend bestuurder (zoals verdachte) wettelijk toegestane grens ligt. Bovendien heeft hij in die toestand met veel te hoge snelheid gereden (de indicatieve botssnelheid van de Mazda tegen de boom is berekend rond de 60 km/u). Vlak voor of op het kruispunt [straat 1] / [straat 2] / [straat 3] heeft verdachte de voor hem rijdende personenauto (waarin een andere teamgenoot reed) links ingehaald. Op dit kruispunt is een ronde verkeersdrempel gesitueerd. Tijdens of kort na de inhaalmanoeuvre is de auto van verdachte in een slip geraakt, doordat verdachte met hoge snelheid over de verkeersdrempel is gereden. De auto van verdachte is hierna enigszins dwars in de linker berm terechtgekomen. De linker achterzijde van de auto heeft daar een lantaarnpaal geraakt. Vervolgens is de linker achterzijde van de auto tegen een boom gebotst, waarna de auto circa 360 graden om zijn verticale as is geroteerd en op enkele meters van de boom tot stilstand is gekomen. Tijdens deze draai is [slachtoffer 2] uit de auto geslingerd en op het wegdek beland waarbij hij zodanig gewond is geraakt dat hij ter plaatse is overleden. Ten gevolge van dit ongeval overleed ook [slachtoffer 1] ; hij is overleden aangetroffen op de achterbank van de auto. [slachtoffer 3] heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. [slachtoffer 4] was licht gewond. Verdachte zelf heeft ook zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de rechtbank - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gereden, terwijl hij onder invloed was van alcohol. De verdachte valt daarom schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te verwijten.

Wat betreft het onder 2 ten laste gelegde stelt de rechtbank vast dat het alcoholgehalte in het bloed van verdachte ten tijde van het bloedonderzoek 0,49 milligram alcohol per milliliter bloed (mg/ml) bedroeg, hetgeen hoger is dan de wettelijk toegestane hoeveelheid van 0,2 mg/ml voor een beginnend bestuurder.

Het hof neemt bovenstaande overwegingen van de rechtbank over.

Bewijsmiddelen

Het hof acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 juli 2019;

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 september 2018, nummer PL0100-2018248111-27, opgenomen op pagina 102 t/m 106. van het dossier met nummer PL0100-2018248111, inhoudende de verklaring van verdachte;

3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 oktober 2018, nummer PL0100-2018248111-46, opgenomen op pagina 107 t/m 114 van het onder 2 genoemde dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal invordering rijbewijs d.d. 9 oktober 2018, nummer PL0100-2018248111-38, opgenomen op pagina 25 en 26 van het onder 2 genoemde dossier;

5. Een schriftelijk bescheid, te weten een aanvraagformulier ten behoeve van toxicologisch onderzoek van bloed d.d. 20 september 2018, opgenomen op pagina 116 van het onder 2 genoemde dossier;

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een Rapport Alcohol en drugs in het verkeer, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.09.25.033, d.d. 15 oktober 2018, opgenomen op pagina 117 en 118 van voornoemd dossier;

7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse d.d. 6 december 2018 (met bijlagen), proces-verbaalnummer 19092018.2330.2393;

8. Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 20 september 2018 met kenmerk Formatus 534998;

9. Een schriftelijk bescheid, te weten een schouwverslag d.d. 20 september 2018 met kenmerk Formatus 534996;

10. Een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring d.d. 12 februari 2019 met bijlagen, inhoudende medische informatie betreffende [slachtoffer 3] ;

11. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2019, nummer PL0100-2018248111-55;

12. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2019, nummer PL0100-2018248111-57.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair


hij op 19 september 2018 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, merk Mazda, daarmede rijdende over [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig, terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, genoemde weg te berijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en gelet op de belading van genoemde personenauto en de in het wegdek aanwezige verkeersremmers en kruisingen verantwoord en geboden was, en vervolgens op of ter hoogte van een verhoging in het wegdek een voor hem, verdachte, rijdende auto in te halen en te passeren, ten gevolge waarvan de door hem, verdachte, bestuurde personenauto van de rijbaan is geraakt en tegen een in de linkerberm staande lantaarnpaal en boom is gebotst, waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , inzittenden van de door hem, verdachte, bestuurde auto, werden gedood en aan [slachtoffer 3] , inzittende van de door hem, verdachte, bestuurde auto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele kaakbreuk en een hersenbloeding, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

2.


hij op 19 september 2018, te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,49 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van deze wet, meermalen gepleegd (feit 1 primair)

en

2. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van deze wet (feit 1 primair);

3. overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,49 milligram) (feit 2 primair).

Het hof overweegt dat het de bewezenverklaarde en gekwalificeerde feiten onder 1 en het feit onder 3 respectievelijk het feit onder 2 en het feit onder 3 (telkens) aanmerkt als te zijn gepleegd in eendaadse samenloop.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op 19 september 2018 een eenzijdig verkeersongeval veroorzaakt met buitengewoon ernstige gevolgen. Door dit ongeval hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , beiden jongemannen van 19 jaar met nog een heel leven voor zich, ter plaatse het leven verloren. Uit de afgelegde slachtofferverklaringen blijkt zonneklaar dat deze jongemannen deel uitmaakten van een betrokken gezin, waarvan de andere leden nu verder moeten zonder hun geliefde zoon/broer. Het spreekt voor zich dat dit heeft geleid tot onpeilbaar diep verdriet. Naast deze twee slachtoffers voor wie het verkeersongeval fatale gevolgen heeft gehad, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , hebben ook de twee andere passagiers, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , eveneens leeftijdsgenoten van de verdachte, door het ongeval zwaar lichamelijk letsel ( [slachtoffer 3] ) en psychische schade (beiden) opgelopen. Ook zij hebben

- zogezegd - de dood in de ogen gezien, zullen zich nog vaak afvragen: wat was er gebeurd als ik op de plek van [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] had gezeten? Voor al dit leed en verdriet is, zo moet na onderzoek worden vastgesteld, in strafrechtelijke zin de verdachte aansprakelijk. Natuurlijk kan erover worden gespeculeerd of de gevolgen minder ernstig zouden zijn geweest indien de passagiers op de achterbank de in de auto aanwezige gordels hadden gedragen. Evenzeer moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de slachtoffers een bijdrage hebben geleverd aan de veelbesproken ‘groepsdynamiek’ in de auto die van invloed zou kunnen zijn geweest op de door de verdachte op dat moment gekozen rijstijl dan wel manoeuvres. Dit alles laat evenwel onverlet dat er ten tijde van het ongeval maar één persoon was die de zeggenschap had dàt er werd gereden - ook zonder dat de passagiers op de achterbank hun gordel droegen - en die de koers en snelheid van de auto bepaalde, en dat was de verdachte. De verdachte die op dat moment, zo is achteraf maar al te zeer duidelijk geworden, als chauffeur van de auto waarin hij vier passagiers vervoerde een immense verantwoordelijkheid droeg - een verantwoordelijkheid waarin hij zeer ernstig tekort is geschoten. De verdachte heeft als bestuurder van de auto onder invloed van alcohol, waarbij het hem toegestane promillage met meer dan 100% werd overschreden, met hoge snelheid, waarbij de toegestane limiet met meer dan 100% werd overschreden, een inhaalmanoeuvre uitgevoerd op een weg, voorzien van een verkeersdrempel en geflankeerd door - onder meer - bomen, die zich daar ter plaatse volstrekt niet voor leende. Dit alles heeft ertoe geleid dat de verdachte de macht over het stuur heeft verloren, waarna de auto als een ongeleid projectiel met een daverende klap tegen een boom is beland. Van enig technisch gebrek aan de auto is niet gebleken. De verdachte treft dan ook zeer zwaar schuld.

Bij de bepaling van de straf neemt het hof, naast de hiervoor besproken de verdachte bezwarende feiten en omstandigheden, tevens in aanmerking dat het hof, mede door verdachtes verklaring en houding ter zitting, de overtuiging heeft dat de verdachte het laakbare van zijn handelen en het tekortschieten in zijn verantwoordelijkheden terdege heeft ingezien en ook in rechte heeft erkend, alsmede dat ook hij, niet alleen fysiek letsel heeft opgelopen, maar ook psychisch ernstig getraumatiseerd is door het ongeval en de gevolgen daarvan. Niettemin is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal geëiste straf, inclusief de daarvan deel uitmakende periode van onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming, passend en geboden moet worden geacht. Zoals uit het hiervoor overwogene kan blijken vindt deze straf, en met name de vrijheidsbeneming, niet primair grond in het strafdoel ‘speciale preventie’: het is het hof wel duidelijk dat de verdachte ervan doordrongen is dat hij zeer ernstige fouten heeft gemaakt; ‘fouten’ bovendien die de verdachte reeds duur zijn komen te staan in de zin van het tragische verlies van vrienden - letterlijk - en van vriendschappen. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het strafdoel ‘vergelding’ zeker betekenis toekomt bij het bepalen van de strafmaat en - modaliteit. De gevolgen van verdachtes misdragingen zijn voor de nabestaanden en slachtoffers immers immens. Ook al spreekt voor zich dat het aldus veroorzaakte leed nimmer door enige op te leggen straf kan worden gecompenseerd, dan nog pleegt een - min of meer - als adequaat ervaren strafoplegging slachtoffers en nabestaanden te helpen bij de verwerking ervan. Bij de oplegging van de hoofd- en bijkomende straf ligt wat het hof betreft in dit geval het zwaartepunt evenwel bij het strafdoel ‘generale preventie’ in die zin dat het hof daarmee wil onderstrepen dat ook jongvolwassen autobestuurders, waarvan - zoals de raadsman op zich terecht heeft gesteld en ook door de Reclassering Nederland in haar rapport van 22 februari 2019 is benadrukt - naar huidige wetenschappelijk gefundeerde inzichten moet worden aangenomen dat zij de mogelijke consequenties van hun handelen minder goed overzien, een enorm grote verantwoordelijkheid dragen voor hun passagiers en medeweggebruikers, dat dit vergt dat (ook) zij de geldende verkeersregels eerbiedigen en dat de strafrechter
- lees: de samenleving - het hoog opneemt indien zij ernstig tekortschieten in hun verantwoordelijkheid c.q. de naleving van de regels. Dit temeer indien dit tekortschieten tot dramatische gevolgen leidt gelijk aan die waarvan in deze buitengewoon verdrietige zaak sprake is.

Het hof ziet in de jeugdige leeftijd van verdachte, het ontbreken van een strafblad, de beïnvloedbaarheid van verdachte en de gevoeligheid voor pedagogische beïnvloeding, aanleiding toepassing te geven aan het adolescentenstrafrecht.

Naast genoemde vrijheidsbenemende straf ziet het hof aanleiding om, als gevorderd door de advocaat-generaal, verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen van na te noemen duur. Deze bijkomende straf is passend gelet op de aard en soort van de bewezenverklaarde feiten.

Verbeurdverklaring

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd zal het hof niet de verbeurdverklaring gelasten van de inbeslaggenomen auto. Uit het dossier moet immers worden afgeleid dat dit voorwerp niet toebehoort aan de verdachte maar aan diens grootmoeder. Voorts moet het ervoor worden gehouden dat niet is voldaan aan (één van) de voorwaarden genoemd in artikel 33a lid 2 sub a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof zal dan ook gelasten dat de inbeslaggenomen auto zal worden teruggegeven aan de grootmoeder van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 55, 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y, 77z en 77gg van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen jeugddetentie.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto, type Mazda, aan de rechthebbende, te weten de grootmoeder van de verdachte.

Aldus gewezen door

mr. W. Foppen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,

en op 17 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.