Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5901

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-07-2019
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
21-001473-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat verdachte twee pogingen tot zware mishandeling pleegde. Ten aanzien van de tweede poging tot zware mishandeling stelt het hof vast dat verdachte vanuit een noodweersituatie handelde omdat aangever - kort gezegd - hem aanviel. Maar verdachte heeft in die noodweersituatie te zwaar geweld gebruikt.

Wel slaagt het beroep op noodweerexces en ontslaat het hof de verdachte van alle rechtsvervolging. Het hof acht aannemelijk geworden dat de angst die bij de verdachte ontstond na bedreigende berichten en het vernielen van ramen van de woning van de verdachte door aangever ook nog aanwezig was toen de verdachte kort daarna ongewild en plotseling werd geconfronteerd met en aangevallen door aangever die een zaag in zijn handen had. Het disproportioneel slaan van aangever door de verdachte met de zaag, welke zaag de verdachte van hem had afgepakt, is volgens het hof het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de aanranding door aangever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001473-18

Uitspraak d.d.: 17 juli 2019

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2018 met parketnummer 18-720033-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-000355-13, in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende de verdachte voor beide feiten conform de eis in eerste aanleg, derhalve ter zake van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde, tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden te veroordelen. De advocaat-generaal vordert voorts dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het immateriële deel niet-ontvankelijk wordt verklaard en voor wat betreft het materiële deel wordt toegewezen. Tevens vordert de advocaat-generaal dat de inbeslaggenomen zaag verbeurd wordt verklaard. De advocaat-generaal vordert ten slotte dat ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging de twee weken gevangenisstraf worden gelast. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.F. Hoogervorst, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij het vonnis van 26 februari 2018 de verdachte ter zake van feit 1. primair en feit 2. veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De politierechter heeft voorts de civiele vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 2001,13, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De politierechter heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering. De politierechter heeft de zaag verbeurdverklaard. Ten slotte heeft de politierechter ter zake van de vordering na een voorwaardelijke veroordeling de tenuitvoerlegging gelast van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

Het hof komt ten aanzien van feit 1. primair en feit 2 tot dezelfde bewezenverklaring als de politierechter. Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht evenwel vernietigen omdat het hof de verdachte niet strafbaar acht ten aanzien van feit 2. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg, zoals deze wijziging kennelijk is bedoeld door de officier van justitie - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 20 juli 2015 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon (te weten [benadeelde] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met een barkruk tegen zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 20 juli 2015 te [plaats 1] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] tegen het hoofd te slaan en/of met een barkruk tegen het hoofd en/of de arm te slaan;

2.
hij op of omstreeks 21 juli 2015 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [benadeelde] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] meermalen met een zaag, althans een metalen voorwerp, tegen/op het hoofd en/of de nek, in ieder geval op meerdere plaatsen op het lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij omstreeks 20 juli 2015 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] met een barkruk tegen zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij omstreeks 21 juli 2015 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] meermalen met een zaag, op het hoofd, in ieder geval op meerdere plaatsen op het lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten

De onder 1. primair en 2. bewezen verklaarde feiten leveren telkens op:

poging tot zware mishandeling.

De strafbaarheid van de verdachte ter zake feit 1. primair

De verdachte is ten aanzien van het onder 1. primair bewezen verklaarde feit strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

De strafbaarheid van de verdachte ter zake feit 2.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 2. een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Verklaringen en de beoordeling daarvan

Getuige [getuige] is op 25 juli 2018 door een politieman gehoord. Zij verklaarde over 21 juli 2015 vroeg in de ochtend. De verdachte woonde destijds naast getuige [getuige] . Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de schuttingdeur hoorde slaan, iemand door de steeg hoorde rennen en goed zicht had op de straat. Uit haar verklaring blijkt echter dat zij niet heeft gezien wat er bij de schuttingsdeur is voorgevallen. Wel zag zij aangever kort daarvoor voor de woning lopen, zij hoorde dat hij dronken was en dat hij stond te schelden. Zij zag dat hij naar de voordeur liep en hoorde toen glasgerinkel. Enige tijd daarna zag zij dat verdachte met een groot ijzeren voorwerp aangever van achteren op zijn hoofd sloeg. Hij sloeg volgens getuige [getuige] op de bovenzijde van het lichaam van aangever. Getuige [getuige] verklaart dat zij zag dat verdachte meerdere keren insloeg op aangever. Minstens tussen de vijf en de tien keer. Zij zag toen dat het voorwerp waarmee verdachte sloeg een grote oranje spanzaag was. Zij heeft verklaard te hebben gezien dat aangever meerdere malen door verdachte op zijn hoofd/bovenlichaam werd geslagen. Zij zag dat aangever ernstig bloedde. Het ging zo ruig dat zij het niet langer kon aanzien.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat door aangever rond een uur of tien ’s avonds 100 ‘appjes’ werden verstuurd met ‘ik schiet je dood’ en ‘we maken je af’. Rond 01.00 uur ’s nachts werden dertien ramen ingegooid bij de woning van verdachte en zijn partner. Verdachte en zijn partner schrokken zich dood, waren bang en zijn toen naar beneden gegaan. Aangever wilde via de voordeur naar binnen komen. Verdachte en zijn partner wilden via de achterdeur weggaan. Toen verdachte de achterdeur open deed kwam aangever er via de gelijk naast de achterdeur gelegen steegdeur aan met een zaag in zijn handen. Daar viel aangever verdachte aan. Verdachte duwde aangever weg en aangever viel tegen de muur aan. Verdachte heeft de zaag afgepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij heeft geslagen, dat hij zich heeft afgeweerd. Hij heeft aangever geslagen, weggeduwd met de zaag in zijn handen. Er was een worsteling. Verdachte had toen de zaag in zijn handen.

Naar het oordeel van het hof bestaan er stevige discrepanties tussen de verklaringen die aangever ten overstaan van de politie en de raadsheer-commissaris heeft afgelegd omtrent de zaag, het vernielde raam of de vernielde ramen van de toenmalige woning van verdachte en de verstuurde telefoonberichten.

Aangever heeft op 23 juli 2015 aangifte gedaan. Hij heeft toen niet verklaard over telefonische berichten en het vernielen van een raam of ramen. Hij heeft verklaard dat de verdachte een ijzeren staaf, een soort koevoet, in zijn hand had. Op 7 september 2015 is aangever gehoord door een politievrouw. Hij verklaarde toen dat hij na het gebeurde in [café] heeft geappt dat hij wel langs zou komen en dat hij wilde weten waarom verdachte hem sloeg in [café] . Hij verklaarde, wederom, dat verdachte een staaf in zijn hand had. Aangever ontkende ramen te hebben vernield en een zaag te hebben gezien. De getoonde zaag was volgens hem de zaag van de toenmalige partner van de verdachte. Aangever is als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris op 25 maart 2019. Aangever heeft verklaard over een pijpleiding of ijzeren staaf. Aangever verklaarde bij de raadsheer-commissaris dat hij meerdere ramen met de hand heeft ingeslagen, maar ook dat hij één raam kapot heeft geslagen en niet ramen. Hij verklaarde dat hij niets van een spanzaag weet. Voorts verklaarde hij: ‘Het zal wel dat ik haar sms’jes en WhatsAppjes heb gestuurd. Als u zegt dat ik stuurde “ik maak je kapot”. Dat heb ik gedaan’. Ook bevestigde aangever dat hij heeft gebeld en gezegd “pas maar op want de woning gaat eraan”.

De geconstateerde discrepanties in de diverse verklaringen van aangever maken het voor het hof lastig om vast te stellen welke versie de juiste is en of aangever naar waarheid heeft verklaard.

Uit de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, leidt het hof af dat aangever in de avond naar het huis van de verdachte en zijn toenmalige partner is gegaan en daar de ruiten van de woning heeft vernield. De verdachte en zijn partner wilden, doodsbang als zij waren, via de achterdeur weggaan. De verdachte kwam toen ongewild en plotseling in aanraking met aangever. Aangever had een zaag in zijn handen. Er ontstond een directe confrontatie en aangever en de verdachte zijn in een worsteling geraakt. Het hof gaat van deze feiten uit.

Noodweerexces

Naar het oordeel van het hof is er sprake geweest van een aanranding van goederen, namelijk de hiervoor genoemde ramen, en een aanranding van het lijf van de verdachte (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456), nu aangever met een zaag in zijn handen voor de verdachte stond en hem aanviel. Vooraf had aangever de ramen vernield en bedreigende berichten gestuurd. Deze aanranding was wederrechtelijk. Ook kon van de verdachte niet worden gevergd dat hij zich aan de aanranding zou onttrekken. De verdediging was noodzakelijk. Er was sprake van een noodweersituatie. Gezien de verklaring van getuige [getuige] over de ernst van het door verdachte toegepaste geweld is hof echter van oordeel dat de verdachte disproportioneel heeft gehandeld. Het beroep op noodweer slaagt derhalve niet.

Het disproportioneel slaan met de zaag was volgens het hof echter het onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, te weten de hiervoor beschreven doodsangst die werd veroorzaakt door de aanranding. Het hof acht namelijk aannemelijk dat de angst die ontstond na de bedreigende berichten en het vernielen van de ramen ook bestond toen de verdachte kort daarna ongewild en plotseling werd geconfronteerd met en aangevallen door aangever die een zaag in zijn handen had.

De verdachte is ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Blijkens het uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 6 juni 2019 van verdachte is er sprake van recidive. Verdachte is in het verleden onherroepelijk veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Gezien die recidive en de ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit acht het hof onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden.

Wat betreft de schending van de redelijke termijn is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een ‘undue delay’. Sinds het begin van verdachtes vervolging en rechtsgang bij de rechtbank en bij het hof is niet meer dan vier jaren gemoeid geweest. Hierbij merkt het hof op dat aangever als getuige is gehoord bij de raadsheer-commissaris op 25 maart 2019. De terechtzitting in hoger beroep vond plaats op 3 juli 2019. De nodige voortvarendheid is derhalve betracht om de rechtszaak in hoger beroep te behandelen nadat het verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft plaatsgevonden.

De inbeslagneming van de zaag

In de onderhavige zaak is een zaag, kleur oranje, in beslag genomen. Het hof is van oordeel dat deze zaag moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.001,13, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en de benadeelde partij verzoekt daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ook verzoekt de benadeelde partij bij het ingediende voegingsformulier om proceskosten toe te wijzen. De vordering is bij het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht gedeeltelijk toegewezen, tot een bedrag van € 2.001,13, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering van de benadeelde partij is in hoger beroep gehandhaafd. Nu de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep is gehandhaafd, duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep behoudens de gevorderde proceskosten. De benadeelde partij heeft immers naar weten van de heer Van Maaren van Slachtofferhulp, gehoord ter terechtzitting van het hof, nooit een zitting bijgewoond en de proceskosten kunnen daarom vervallen.

De door de benadeelde partij gevorderde schade heeft betrekking op medische kosten voor behandeling van letsel en op schade aan kleding. Het hof gaat er van uit dat deze schade bij beide bewezen verklaarde feiten letsel is ontstaan. Niet duidelijk is welke schade is veroorzaakt door welke van de beide bewezen verklaarde feiten. Het beroep op noodweerexces heeft het hof gehonoreerd ten aanzien van het tweede bewezen verklaarde feit. Het bovenstaande houdt in dat de verdachte alleen aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die is veroorzaakt door zijn handelingen zoals onder 1. primair is bewezenverklaard. Onduidelijk is echter hoe groot die schade is. Daarvoor zou nader onderzoek moeten worden verricht. Nader onderzoek hiernaar zou een aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting vergen. Een dergelijke aanhouding van het onderzoek beschouwt het hof echter als een onevenredige belasting van de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

De vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 29 april 2014 door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met parketnummer 18-000355-13. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i, 14j, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een zaag, kleur oranje.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2014, parketnummer 18-000355-13, te weten van:

gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. M.C.J. Groothuizen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.N.M. Koldenhof-ten Kate, griffier,

en op 17 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.C.J. Groothuizen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.