Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5880

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
27-11-2019
Zaaknummer
200.200.485
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fietsongeval met blijvend letsel; aanrijding tegen een verhoging (middengeleider) met gele verkeerszuil in het midden van het fietspad net na flauwe bocht; CROW-publicatie uit 1993; aansprakelijkstelling gemeente door gelaedeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-1330
VR 2020/35
Gst. 2020/22 met annotatie van E.G.A. van der Werf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.200.485

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/404383)

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. J.G. Keizer,

tegen:

1) de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Bunnik,

zetelend te Odijk,

2) de naamloze vennootschap Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: de gemeente respectievelijk Achmea en gezamenlijk: de gemeente c.s.,

advocaat: mr. M.T. Spronck.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
2 maart 2016 en 20 juli 2016 die de rechtbank Midden-Nederland (civiel recht, handelskamer, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 september 2016,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van mrs. Keizer en Spronck voornoemd (en voor laatstgenoemde: mr. L. van den Ham-Leerkes). Hierbij is akte verleend van de stukken die bij berichten van 11 oktober en 6 november 2018 door mr. Keizer namens [appellante] (producties 20 tot en met 26) en bij bericht van 21 november 2018 door mr. Van den Ham-Leerkes namens de gemeente c.s. (productie 6) zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen
2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis van 20 juli 2016, die hierna voor de leesbaarheid van dit arrest opnieuw overeenkomstig zullen worden weergegeven. Daarbij is de weergave van de in dat vonnis onder 2.5 aangehaalde Fietsberaadpublicatie 19a van april 2011 (productie 10 dagvaarding eerste aanleg van [appellante] ) hierna onder 3.5 uitgebreid en is/(zijn) onder 3.6 voorts opgenomen (par. 8.4 en par. 8.4.1 van) de CROW-publicatie 74 ‘Tekenen voor de fiets. Ontwerpwijzer voor fietsvriendelijke infrastructuur’ uit 1993 (productie 20 van [appellante] ) (hierna: de CROW-aanbeveling).

3.1

[appellante] en haar partner hebben op 1 augustus 2010 een fietstocht gemaakt.
Zij deden dat op stadsfietsen met drie versnellingen.

3.2

[appellante] en haar partner fietsten vanuit Utrecht in de richting van het centrum

van Bunnik, via de Provincialeweg. Op het fietspad langs de Provincialeweg fietste de

partner van [appellante] een stuk voor haar. Tussen de partner van [appellante] en

[appellante] in reed een groepje van twee of drie andere fietsers.

3.3

Langs de Provincialeweg, aan de rechterzijde van [appellante] , bevond zich een

groene haag. Ter hoogte van Provincialeweg 74 maakte het fietspad een flauwe bocht naar

rechts. Net na de flauwe bocht bevond zich in het midden van het fietspad een obstakel,

namelijk een verhoging (hierna: middengeleider), waarop een gele verkeerszuil (hierna:

paaltje) was geplaatst, met daarop een rond blauw verkeersbord met een naar rechtsonder

wijzende witte pijl, aangevend dat fietsers aan de rechterzijde dienden te passeren.

3.4

[appellante] is tegen de middengeleider aan gefietst en ten val gekomen. Zij heeft

daarbij (blijvend) letsel opgelopen.

3.5

Fietsberaad, een onderdeel van kennisplatform CROW, heeft in april 2011

aanbevelingen gepubliceerd, met de titel ‘Grip op enkelvoudige fietsongevallen - Samen

werken aan een veilige fietsomgeving - Fietsberaadpublicatie 19a’. Daarin is het volgende

opgenomen:

‘Paaltjes zijn een veelvoorkomende oorzaak van enkelvoudige fietsongevallen (...). Bij een

botsing merkt de fietser een paaltje te laat of helemaal niet op, als gevolg van een onopvallende kleur van het paaltje en het ontbreken van een inleidende markering of doordat het zicht erop door andere fietsers wordt ontnomen. (...).

In vergelijking tot andere oorzaken van eenzijdige ongevallen draagt de wegbeheerder bij

paaltjes een extra verantwoordelijkheid. Met het plaatsen van een paaltje of ander obstakel

midden op een pad, creëert de wegbeheerder immers willens en wetens een extra risico.
De wegbeheerder moet er in dergelijke situaties alles aan doen om ongevallen te voorkomen. (...).

Voorkomen of wegnemen van de directe oorzaak

• Verwijder alle paaltjes die niet strikt noodzakelijk zijn om autoverkeer te weren. Het

middel is soms erger dan de kwaal.

(…)

• Pas altijd inleidende ribbelmarkering toe. De markering en de trillingen waarschuwen

de onoplettende fietser voor het paaltje.

(...)

• Bepaal een logische plek voor het paaltje. Aan het begin of het eind van een fietspad,

niet in een bocht.

(...)

• Plaats geen paaltjes op drukke locaties waar fietsers op andere verkeersdeelnemers

moeten letten.’

3.6

Het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) heeft in augustus 1993 de CROW-aanbeveling gepubliceerd. Paragraaf 8.4 en paragraaf 8.4.1 daarvan luiden als volgt:

8.4 Paaltjes op het fietspad: een noodmaatregel

Om een fietspad te beschermen tegen auto’s die erop parkeren of erover heen rijden, kunnen

paaltjes langs en/of op het fietspad worden geplaatst. Paaltjes op fietspaden veroorzaken

echter veel ongelukken, vooral op drukke fietspaden: fietsers rijden dan zo dicht op elkaar, dat alleen de voorste fietser het paaltje op tijd ziet. Ook bij duisternis zien fietsers een paaltje

dikwijls te laat.

Door een goede uitvoering kan men de hinder en het gevaar van paaltjes weliswaar

beperken, maar niet uitsluiten. De stelregel luidt dan ook:

- Paaltjes moeten alleen worden geplaatst op fietspaden die zonder paaltjes vaak door

automobilisten zouden worden gebruikt als parkeerplaats of rijbaan.

8.4.1

Richtlijnen voor de vormgeving

Voor het geval het gebruik van paaltjes onvermijdelijk is, gelden de volgende richtlijnen:

- Leid paaltjes in door markering met reliëf.

Paaltjes moeten altijd worden ingeleid met goed zichtbaar, en vooral ook voelbaar

markeringsmateriaal.

- Vaste palen verdienen de voorkeur boven uitneembare palen en opklapbare palen.

Uitneembare palen worden in de praktijk vaak moedwillig verwijderd; opklapbare

palen zijn levensgevaarlijk, omdat ze in neergeklapte toestand nog net boven de

grond uitsteken maar nauwelijks zichtbaar zijn.

- Houd rekening met voldoende ruimte voor veegwagens en invalidenwagens.

Invalidenwagens zijn voor zover bekend niet breder dan 1,10 m. De smalste types

veegwagens en sneeuwruimers zijn ongeveer even breed als een smalle auto. Het is

raadzaam tussen de paaltjes voldoende ruimte te laten voor de veegwagens. Het

voordeel dat veegwagens het fietspad kunnen schoonmaken weegt ruimschoots op tegen

het nadeel dat een enkele smalle auto tussen de paaltjes door kan.

- Een paal in het midden van een fietspad kan uitsluitend worden toegestaan als deze

boven een groepje fietsers uit te zien is.

Het verkeersbord met de fietspadaanduiding leent zich hier goed voor.

- Paaltjes mogen niet in de rijlijn van de fietser worden geplaatst.

Paaltjes moeten zo worden geplaatst dat de meeste fietsers hun koers niet hoeven

aanpassen. Dit houdt in dat er op een eenrichtingfietspad paaltjes aan weerszijden

staan, en niet een paal in het midden (tenzij de ingang van het fietspad wordt

verbreed tot 2,90 m). Op een tweerichtingenfietspad is een paal in het midden, op de

asstreep, wel gewenst.

- Parkeren vóór het paaltje moet onmogelijk zijn.

Bij een haakse uitmonding van een fietspad op een weg moet worden voorkomen dat

vlak voor het paaltje of de paaltjes een parkeerplek ontstaat (…)

- Paaltjes moeten haaks op de rijrichting van de fietsers worden geplaatst.

Als dit niet gebeurt, wordt de effectieve breedte in de rijrichting te klein. Bij een

extreem hoge parkeerdruk kan de ruimte achter de paaltjes uitnodigen tot fout

parkeren. In dit geval moet de wegbeheerder, afhankelijk van de plaatselijke situatie, een

oplossing zoeken (…).

- Niet alleen de ingang van het fietspad moet worden beschermd.

Ook de tussenberm naast het fietspad moet zodanig worden afgeschermd dat het

onmogelijk is hierover het fietspad op te rijden.

- Plaatsen waar paaltjes staan, dienen goed verlicht te zijn.’

3.7

De gemeente heeft de middengeleider in augustus 2011 verwijderd en vervangen

door witte tegels. Het paaltje is bij die gelegenheid vervangen door een verwijderbaar

exemplaar. Desgevraagd heeft de gemeente hierover het volgende laten weten

aan de partner van [appellante] :

‘In augustus 2011 heeft de gemeente de nieuwe route voor de gladheidsbestrijding vastgesteld. In het najaar zijn de betonnen banden rondom de palen verwijderd zodat eenvoudiger doorgang gemaakt kan worden voor de voertuigen van de gladheidsbestrijding. Hierbij hebben we er voor gezorgd dat ook de zichtbaarheid verbeterde. Dat is goed voor de verkeersveiligheid (En dus om ongevallen zoals uw vrouw meegemaakt heeft voor de toekomst te voorkomen).’

3.8

Bij brief van haar rechtsbijstandsverzekeraar van 28 mei 2014 heeft [appellante]

de gemeente aansprakelijk gesteld. Namens de gemeente heeft Achmea (de verzekeraar van de gemeente) de aansprakelijkheid bij brief van 30 oktober 2014 afgewezen.

3.9

In mei 2015 heeft [appellante] een foto van de plek van het ongeval, zoals die was

ten tijde van het ongeval, toegezonden aan Fietsberaad, met het verzoek om de situatie te

beoordelen. Fietsberaad reageerde hierop als volgt:

‘De belangrijkste afwijking van de destijds geldende CROW-aanbeveling is het ontbreken van inleidende ribbelmarkering met voldoende lengte (> 5 meter). Hierdoor is de kans groter dat fietsers het paaltje niet tijdig opmerken als het zicht belemmerd wordt door bijvoorbeeld andere fietsers. Het feit dat het fietspad – geredeneerd vanuit de richting Utrecht – naar rechts uitbuigt, vergroot de kans dat voorgaande fietsers het zicht op het paaltje belemmeren en daarmee de noodzaak van inleidende ribbelmarkering met voldoende lengte en breedte.’

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht zal verklaren dat de gemeente jegens haar aansprakelijk is voor de schade

voortvloeiend uit het ongeval op 1 augustus 2010;

- de gemeente zal veroordelen tot vergoeding aan [appellante] van haar schade, nader op te

maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

de dag van opeisbaarheid tot de voldoening;

- Achmea zal veroordelen om met [appellante] in onderhandeling te treden teneinde de

schade van [appellante] te begroten,

- de gemeente c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te

voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan deze kosten

worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag tot de voldoening.

4.2

De gemeente en Achmea hebben in eerste aanleg gemotiveerd (en gelijkluidend) verweer gevoerd.

4.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 20 juli 2016 de vordering van [appellante] afgewezen, kortweg op basis van de conclusie dat het tragische ongeval dat [appellante] is overkomen, het gevolg is geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarvoor de gemeente niet aansprakelijk is.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Tegen dit vonnis komt [appellante] in hoger beroep onder aanvoering van vijf grieven. Met haar grieven keert [appellante] zich, samengevat, tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeente niet aansprakelijk zou zijn voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

De vordering van [appellante] in hoger beroep is gelijkluidend aan die ingesteld in eerste aanleg (hiervoor onder 4.1 samengevat weergegeven).

5.2

[appellante] houdt de gemeente c.s. aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW (juncto artikel 6:162 BW) voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade. Zij stelt zich op het standpunt dat de weginrichting niet voldeed aan de daaraan te stellen (veiligheids)eisen, waardoor een gevaar op het ontstaan van eenzijdige fietsongevallen ontstond, welk gevaar zich in dit geval heeft verwezenlijkt.

De gemeente c.s. zijn het hiermee oneens: naar hun mening is sprake van een reguliere verkeersinrichting ter plaatse met middengeleider en verkeerszuil (paaltje) die niet als gebrekkig kan worden aangemerkt. Er zijn met de betreffende middengeleider met verkeerszuil (paaltje) aan hen ook geen andere ongevallen bekend, terwijl deze situatie jarenlang heeft bestaan en het fietspad intensief door fietsers wordt gebruikt.

5.3

Het hof stelt het volgende voorop.

Het wettelijk toetsingskader voor de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag wordt gevormd door de artikelen 6:174 en 6:162 BW.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de eisen als bedoeld in art. 6:174 lid 1 BW om de eisen die men uit het oogpunt van veiligheid aan de desbetreffende opstal mag stellen. Daarbij spelen, zo volgt uit de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), blz. 1380), gedragsnormen als veiligheidsvoorschriften en in het algemeen aan een bezitter of gebruiker van die zaak te stellen zorgvuldigheidsnormen een belangrijke rol.
De omstandigheid dat een opstal in algemene zin voldoet aan geldende veiligheidsvoorschriften, staat niet in de weg aan het oordeel dat de opstal (niettemin) niet aan bedoelde eisen voldoet en derhalve gebrekkig is in de zin van art. 6:174 lid 1 BW.
Het antwoord op de vraag of sprake is van een gebrekkige toestand van de opstal, zoals onder meer vereist is voor toepasselijkheid van artikel 6:174 BW, hangt immers af van verschillende omstandigheden, waaronder de aard, de functie en de fysieke toestand ervan ten tijde van de verwezenlijking van het gevaar en het van de weg te verwachten gebruik door derden. Voorts dient in aanmerking te worden genomen de grootte van de kans op verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar, alsmede de mogelijkheid en bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen. Daarbij kan voor het geval de aansprakelijkheid op een overheidslichaam rust mede betekenis toekomen aan de hem toekomende beleidsvrijheid en ter beschikking staande financiële middelen (zie in die zin HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236; zie meer recent in verband met wegbeheer ook HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831).

Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op de voorkoming van gevaar of personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn. Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (vgl. HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2283).

5.4

In dit geval staat, zoals [appellante] terecht aanvoert, vast dat ten tijde van het ongeval reeds sedert jaren bekend was dat obstakels op fietspaden voor fietsers erg gevaarlijk kunnen zijn en tot een minimum beperkt moeten blijven (vgl. par. 8.4 van de CROW-aanbeveling, hiervoor onder 3.5 aangehaald). Dit betekent dat plaatsing alleen aanvaardbaar is als er geen andere mogelijkheden beschikbaar zijn.

In dit verband is van belang dat de gemeente c.s. zich op het standpunt stellen dat nut en noodzaak van de middengeleider met paaltje evident waren en dat het plaatsen van deze obstakels van groot belang was voor de verkeersveiligheid (memorie van antwoord onder 13). De gemeente c.s. hebben in dit verband gewezen op het feit dat parallel aan de Provincialeweg een ventweg loopt, die ter hoogte van nummer 74 overgaat in een fietspad in twee richtingen, terwijl het autoverkeer van de ventweg de Provincialeweg wordt opgeleid. Uit oogpunt van verkeersveiligheid heeft de gemeente er daarom jaren geleden, zo voeren de gemeente c.s. aan, voor gekozen om daar een paaltje te plaatsen om het fietsverkeer in twee richtingen te stroomlijnen en om te voorkomen dat het autoverkeer rechtdoor zou rijden. De middengeleider beoogde het paaltje hoger te positioneren en daarmee beter zichtbaar te maken, aldus nog steeds de gemeente c.s.

[appellante] trekt een en ander in twijfel, mede gelet op het feit dat de obstakels ten tijde van de pleidooien sedert circa vijf maanden niet meer aanwezig waren en de gemeente c.s. niet hebben kunnen toelichten wanneer en op basis van welke (aantoonbare) beraadslaging deze eertijds zijn geplaatst. Er is ter plaatse bovendien hoofdzakelijk sprake van bestemmingsverkeer dat met de situatie ter plaatse bekend is, naast het feit dat het fietspad ook te smal is om met de auto op te rijden. Een ter plaatse aangebracht verkeersbord maakte reeds duidelijk dat er sprake was van een verplicht fietspad, en dat autoverkeer dus naar links moest afbuigen. Nut en noodzaak voor de obstakels worden door [appellante] derhalve, ook per 1 augustus 2010 (de ongevalsdatum), gemotiveerd betwist.

5.5

Het hof kan het antwoord op de vraag naar nut en noodzaak van de obstakels in het midden laten. Zelfs indien zou worden aangenomen dat van - enig - nut en noodzaak van obstakels op het fietspad op zich zelf sprake was, staat immers nog ter beoordeling de vraag of deze door de gemeente geplaatst mochten worden juist daar waar het fietspad naar rechts uitboog, zonder inleidende ribbelmarkering.

Dit is het aspect waartegen niet alleen [appellante] zelf (zie haar pleitnotities onder 18/19) maar ook de door haar ingeschakelde deskundigen volgens hun verklaringen (vgl. de producties 22 en 23 van [appellante] ) bezwaar hebben: dat de obstakels juist op die plek – net na het uitbuigen van het fietspad naar rechts en in de bocht – zonder inleidende ribbelmarkering op het fietspad geplaatst werden.

Zo merkte [B] , als [----] werkzaam bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en betrokken bij diverse onderzoeken en publicaties over infrastructuur van onder andere fietspaden, in zijn verklaring van 6 april 2017 (productie 22) op:

‘In Tekenen voor de fiets valt ook het advies te lezen om paaltjes niet in de rijloper van

fietsers te plaatsen. Ik zie dat de as van het fietspad net voor het paaltje ‘verdraait.’ Het

paaltje staat in het verloop van de asmarkering maar (mede doordat er geen

inleidende ribbelmarkering is) kan het paaltje op deze plek wellicht als een verrassing

komen als je vanaf het fietspad komt en daar in het midden rijdt. Hij staat in de rijloper

als je verder naar rechts draaien van het fietspad mist.’,

en verklaarde een adviseur mobiliteit en ruimte bij Goudappel Coffeng, volgens de begeleidende brief van mr. J.G. Keizer aan het hof van 11 oktober 2018 [C] genaamd,

in zijn antwoorden op de vragen van mr. Keizer d.d. 14 juli 2017 (productie 23 van [appellante] ):

‘Tekenen voor de Fiets uit 1993 is al zeer uitgesproken over de plaatsing van paaltjes

op fietspaden, zoals over de onwenselijkheid ervan (noodmaatregel), de locatie (niet in

de rijlijn, goed zichtbaar door groep fietsers) en inleidende markering.’

alsmede:

‘De plaatsing is qua inleiding, plaatsing ten opzchte van de asverspringing en de

zijweg en qua contrast met de kleur van het fietspad niet veilig vormgegeven. (…)’

5.6

Zoals uit deze verklaringen blijkt, is in een situatie als deze het ontbreken ter plaatse van voldoende inleidende en vooral voelbare ribbelmarkering voor de middengeleider met het paaltje, cruciaal. De gemeente is daarmee afgeweken van de destijds geldende CROW-aanbeveling. Zoals [D] , programmamaker van CROW-Fietsberaad, in zijn verklaring van 19 mei 2015 (productie 6 dagvaarding eerste aanleg van [appellante] ) heeft verklaard:

‘De belangrijkste afwijking van de destijds geldende CROW-aanbeveling is het

ontbreken van inleidende ribbelmarkering met voldoende lengte (> 5 meter). Hierdoor

is de kans groter dat fietsers het paaltje niet tijdig opmerken als het zicht belemmerd

wordt door bijvoorbeeld andere fietsers. Het feit dat het fietspad - geredeneerd vanuit

de richting Utrecht - naar rechts uitbuigt, vergroot de kans dat voorgaande fietsers het

zicht op het paaltje belemmeren en daarmee de noodzaak van inleidende

ribbel markering met voldoende lengte en breedte.’

5.7

Gelet op de toepasselijke CROW-aanbeveling en de hiervoor aangehaalde deskundigenverklaringen volgt het hof [appellante] in haar conclusie dat de ongevalslocatie ten tijde van haar ongeval, gelet op het te verwachten gebruik en de bestemming daarvan, met het oog op de voorkoming van gevaar voor fietsers, gebrekkig was. Daarbij zijn ook van belang de uit de CROW-aanbeveling blijkende grootte van de kans op verwezenlijking van het gevaar en de op zichzelf eenvoudige veiligheidsmaatregelen die in dit geval mogelijk en redelijkerwijs te vergen waren. Zoals blijkt uit die aanbeveling vormen obstakels als deze een noodmaatregel, waarvoor in geval van onvermijdelijkheid relevante richtlijnen gelden. Onder deze richtlijnen is hier vooral relevant de richtlijn dat paaltjes altijd moeten worden ingeleid met goed zichtbaar en vooral ook voelbaar markeringsmateriaal (vgl. productie 20 van [appellante] , pagina 230, hiervoor aangehaald onder 3.5). Vaststaat dat de middengeleider met het paaltje stonden op een punt waar de as van het fietspad net was verdraaid, hetgeen juist ook ten gevolge van het feit dat inleidende ribbelmarkering ontbrak, op deze plek als een verrassing kon komen ‘als je vanaf het fietspad kwam en daar in het midden reed’.

Daartegenover legt onvoldoende gewicht in de schaal het verweer van de gemeente c.s. dat [appellante] , als zij op normale wijze haar helft van het fietspad had gevolgd, niet tegen de middengeleider zou zijn aangereden respectievelijk dat [appellante] , als zij het natuurlijke verloop van het fietspad had gevolgd en rechts van de middenstreep was blijven fietsen, niet tegen de middengeleider was aangereden. De gemeente c.s. zien daarbij immers over het hoofd, dat het zicht op de middengeleider en het paaltje, gegeven ook de intensiteit waarmee het fietspad werd (en wordt) befietst, door andere fietsers belemmerd kon worden. Ter voorkoming immers van juist die situaties, die blijkens de CROW-aanbeveling erg gevaarlijk kunnen zijn, zijn de betreffende richtlijnen gegeven. In die zin is ook relevant de in het bestreden vonnis onder 2.5 aangehaalde publicatie 19a van Fietsberaad, een onderdeel van het kennisplatform CROW van april 2011 met de titel:

‘Grip op enkelvoudige fietsongevallen – Samen werken aan een veilige fietsomgeving – ’.

Daarin is op pagina 30 het volgende opgenomen:

Paaltjes zijn een veelvoorkomende oorzaak van enkelvoudige fietsongevallen (...). Bij een

botsing merkt de fietser een paaltje te laat of helemaal niet op, als gevolg van een onopvallende kleur van het paaltje en het ontbreken van een inleidende markering of doordat het zicht erop door andere fietsers wordt ontnomen. (...).

In vergelijking tot andere oorzaken van eenzijdige ongevallen draagt de wegbeheerder bij

paaltjes een extra verantwoordelijkheid. Met het plaatsen van een paaltje of ander obstakel

midden op een pad, creëert de wegbeheerder immers willens en wetens een extra risico. De

wegbeheerder moet er in dergelijke situaties alles aan doen om ongevallen te voorkomen. (...).’

[Onderstrepingen, hof]

Weliswaar dateert deze publicatie van Fietsberaad van na het ongeval, maar de bevindingen en richtlijnen met betrekking tot het plaatsen van paaltjes op een fietspad komen overeen met de CROW publicatie uit 1993.

Ook de door de gemeente c.s. aangehaalde rechtspraak legt hier onvoldoende gewicht in de schaal, omdat de situaties in de desbetreffende gevallen op de cruciale punten (zie hiervoor) niet (voldoende) vergelijkbaar zijn.

5.8

De gemeente c.s. hebben nog aangevoerd dat de richtlijnen van het CROW geen wettelijke status hebben. Ofschoon op zichzelf juist, neemt dit niet weg dat de CROW-aanbeveling in deze procedure van betekenis is. Deze door CROW opgestelde aanbeveling behandelt de wijze waarop de infrastructuur op fietsvriendelijke wijze kan worden ingericht, mede ter voorkoming van ongelukken. Zij is als resultaat van studie en onderzoek tot stand gekomen in werkgroepen en heeft een onafhankelijk en collectief karakter. Als zodanig is zij representatief voor de in Nederland aanwezige kennis en ervaring. Het belang van naleving van de daarin opgenomen richtlijnen wordt door decentrale wegbeheerders ook in ruime mate onderschreven (zie het door [appellante] overgelegde onderzoek naar de toepassing van CROW-richtlijnen door decentrale wegbeheerders uit 2008 (productie 16 van [appellante] op pagina 9). Van omstandigheden die daaraan in dit geval in de weg stonden en afwijking daarvan (in negatieve zin) indiceerden, is het hof niet gebleken. Het hof acht het derhalve gerechtvaardigd aan deze aanbeveling relevantie toe te kennen voor zijn beoordeling van de vraag of het fietspad, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op de voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is. Het beroep van de gemeente c.s. op de beleidsvrijheid van de gemeente bij het inrichten van de openbare ruimte en specifiek de onderhavige verkeerssituatie staat hieraan niet in de weg.

5.9

Ook het beroep van de gemeente op de ter plaatse vóór het paaltje reeds aanwezige middengeleider, maakt het fietspad nog niet deugdelijk in de hiervoor bedoelde zin: deze middengeleider was immers tevens in de rijlijn geplaatst en verhoogde door zijn vormgeving als stoepje midden op het fietspad eveneens het risico op vallen voor passerende fietsers. Hetzelfde geldt voor de – overigens niet overtuigend contrasterende – kleur van het fietspad in relatie tot de kleur van de middengeleider, de breedte van het pad en de bestaande mogelijkheid over de haag heen te kijken.

Mede gelet op de bij de gemeente gebrekkige ongevalsregistratie, kan er ook niet van worden uitgegaan dat er nimmer (eerder) fietsers tegen de middengeleider zijn aangefietst, daargelaten de vraag naar de relevantie van dat verweer, gegeven hetgeen het hof hiervoor onder 5.7 heeft overwogen.

Naar ter gelegenheid van de pleidooien naar voren is gekomen ten slotte, kon de gemeente niet verklaren dat het kostenaspect aan het nemen van de bewuste maatregel (ribbelmarkering) in de weg stond. De gemeente stelde zich op het standpunt dat door de onderhavige inrichting de noodzakelijke maatregelen waren genomen, dit, naar uit het voorgaande blijkt, ten onrechte.

5.10

De gemeente c.s. hebben ter betwisting van het vereiste causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen het ontbreken van de inleidende ribbelmarkering en het ongeval aangevoerd dat ook bij aanwezigheid van ribbelmarkering het ongeval zou hebben plaatsgevonden. De ribbelmarkering zou immers over de gebogen as van het fietspad zijn aangebracht en die zou [appellante] hebben gemist, als zij de bocht niet zou hebben gevolgd maar geleidelijk naar de as van het fietspad zou zijn gefietst (zie hun memorie van antwoord onder 17 - 19).

Voor de beoordeling van dit verweer is het navolgende van belang:

Indien een openbare weg, zoals in dit geval, niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, zodat de wegbeheerder op de voet van art. 6:174 aansprakelijk is tegenover degene die daardoor schade heeft geleden, zal hij die stelt als gevolg van een ongeval op die weg schade te hebben geleden en ten aanzien van het causaal verband tussen dat ongeval en de gevaarlijke toestand van de weg, zoals [appellante] (zie de memorie van grieven onder 79), een beroep doet op de omkeringsregel, omtrent de toedracht van het ongeval feiten dienen te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat een bepaald, uit die toestand voortvloeiend gevaar zich heeft verwezenlijkt, zonder dat nodig is dat hij ook de precieze toedracht van het ongeval aannemelijk maakt. In gevallen als het onderhavige wordt hij immers tegen het bewijsrisico dat is verbonden aan de dienaangaande bestaande onzekerheid, nu juist beschermd door de omkeringsregel. Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv. in dier voege dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio-sine-qua-non-verband) tussen een onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst - waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt - dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan (zie HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG1890).

5.11

De gemeente c.s. betwisten niet dat [appellante] ‘frontaal tegen de (smalle) middengeleider is aangefietst’ en daarna ten val is gekomen (nr. 9 van de conclusie van antwoord). De ribbelmarkering zou aldus moeten zijn aangebracht, dat [appellante] tijdig zou worden gewaarschuwd als zij steeds meer in de richting van de as van het fietspad zou gaan fietsen. Met andere woorden zou met de plaatsing van de ribbelmarkering rekening moeten zijn gehouden met de omstandigheid dat enkele meters voor de middengeleider met paaltje sprake is van een flauwe bocht. Als de ribbelmarkering op deze manier zou zijn aangebracht, is aannemelijk dat [appellante] tijdig zou zijn gewaarschuwd door de ribbelmarkering en tijdig haar rijrichting had aangepast. Dat betekent dat de gemeente c.s. geen stellingen heeft aangevoerd die, indien bewezen (in de hiervoor onder 5.10 omschreven zin), aannemelijk maken dat de bedoelde schade ook zonder de in het geding zijnde gebrekkigheid zou zijn ontstaan.

Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven slagen en de vorderingen van [appellante] zullen worden toegewezen.

5.12

Het door de gemeente c.s. gedane beroep op eigen schuld van [appellante] kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen en zal het hof niet hier behandelen.

6 De slotsom

6.1

De grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de gemeente c.s. hoofdelijk in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 82,63

- griffierecht € 285,-

totaal verschotten € 367,63

- salaris advocaat € 904,- (2 punten x tarief II à 452,-)

€ 1.271,63.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,08

- griffierecht € 314,-

totaal verschotten € 408,08

- salaris advocaat € 3.222,- (3 punten x tarief II à € 1.074,-)

€ 3.630,08.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (civiel recht, handelskamer, locatie Utrecht) van 20 juli 2016 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de gemeente jegens [appellante] aansprakelijk is voor de schade

voortvloeiend uit het ongeval op 1 augustus 2010;

veroordeelt de gemeente tot vergoeding aan [appellante] van die schade, nader op te

maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

de dag van opeisbaarheid tot de dag der voldoening;

veroordeelt Achmea om met [appellante] in onderhandeling te treden teneinde de

schade van [appellante] te begroten;

veroordeelt de gemeente c.s. hoofdelijk in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 367,63 voor verschotten en op € 904,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 408,08 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, alle bedragen te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt de gemeente c.s. hoofdelijk in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval de gemeente c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.F. Wiggers-Rust, F.J. de Vries en L.A. de Vrey en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.