Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5867

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
01-08-2019
Zaaknummer
200.209.491
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:1300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dekking bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering geweigerd. Uitsluitingsclausule staat wel in polis, maar blijkt niet te zijn overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.209.491

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 5281634)

arrest van 25 juni 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Euro-Chemicals B.V.,

gevestigd te Denekamp, gemeente Dinkelland,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Euro-Chemicals,

advocaat: mr. F. Kolkman,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekering N.V.

tevens handelend onder de naam Interpolis,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de verzekeraar,

advocaat: mr. A.J. Schoonen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 februari 2019hier over. In dit arrest zijn partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een akte van 5 maart 2019 aan de zijde van Euro-Chemicals met een productie;

- een antwoordakte van 2 april 2019 aan de zijde van Achmea.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

In het tussenarrest heeft het hof onder meer (samengevat) het volgende overwogen. Voor de beantwoording van de vraag of Euro-Chemicals recht heeft op vergoeding van de door haar geleden schade dienen de polis en de op de polissen vermelde, toepasselijke polisvoorwaarden te worden uitgelegd. Partijen hebben voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst gecorrespondeerd over de omvang van de dekking en het opnemen van uitsluitingsclausules. Onduidelijk is echter of partijen voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst ook hebben onderhandeld over de tekst van de polisvoorwaarden en of zij na de in het tussenarrest (in 3.5 en 3.6) genoemde mailcorrespondentie nog hebben gecommuniceerd.

2.2

Uit de akten die partijen genomen hebben blijkt dat er, afgezien van de door de verzekeraar in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie, niet meer stukken zijn waaruit kan blijken wat de bedoelingen van partijen waren ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst en wat zij onder deze omstandigheden redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. De verzekeraar heeft weliswaar gesteld dat veel contacten tussen een verzekeraar en een assurantietussenpersoon via de telefoon gaan, maar heeft niet op deze zaak toegespitst gespecificeerd of en welke contacten precies wanneer en tussen wie hebben plaatsgevonden en wat er in die (telefonische) contacten besproken zou zijn. Bij memorie van antwoord is als productie 4 een weergave van de interne aantekeningen van de verzekeraar overgelegd. Volgens de verzekeraar zou uit deze aantekeningen blijken dat er na het uitbrengen van een eerste offerte, waarvan Euro-Chemicals de premie te hoog vond, een tweede offerte is uitgebracht waarbij productenaansprakelijkheid werd uitgesloten conform clausule 5393. Dat er uiteindelijk een polis is uitgebracht met daarin die uitsluitingsclausule staat vast, maar uit de (voor een buitenstaander cryptische) aantekeningen kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet afgeleid worden dat Euro-Chemicals in ruil voor een premieverlaging heeft ingestemd met het opnemen van deze specifieke uitsluitingsclausule, zoals de verzekeraar in feite stelt. In de door Euro-Chemicals bij akte overgelegde verklaring van [assurantietussenpersoon] , de assurantietussenpersoon die Euro-Chemicals heeft bijgestaan bij de totstandkoming van de verzekering, wordt daarover ook niet gerept.

Uit de in het tussenarrest in 3.5 en 3.6 geciteerde mailcorrespondentie blijkt dat Euro-Chemicals uitgebreid heeft toegelicht welke risico’s zijn verbonden aan haar bedrijfsvoering en wat in dat verband haar wensen waren voor de dekking door de verzekering. [assurantietussenpersoon] heeft (in zijn schriftelijke verklaring) samengevat verklaard dat het uitdrukkelijk de bedoeling van Euro-Chemicals was dekking te verkrijgen voor schade ontstaan door een fout van een medewerker, precies de schade waar het in deze zaak om gaat.

2.3

Gezien het voorgaande en met name gelet op de mailcorrespondentie en de verklaring van [assurantietussenpersoon] (waaruit de bedoelingen van Euro-Chemicals ter zake de dekking voldoende blijken) heeft de verzekeraar tegenover de gemotiveerde betwisting door Euro-Chemicals onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het de bedoeling van beide partijen (ook Euro-Chemicals) was een uitsluitingsclausule overeen te komen waardoor iedere schade verband houdende met levering is uitgesloten. Aan het (overigens ongespecificeerde) bewijsaanbod van de verzekeraar komt het hof daarmee niet toe.

De vermelding in de polis en het feit dat Euro-Chemicals werd bijgestaan door een assurantietussenpersoon betekent voorts niet dat zij had moeten begrijpen dat in de polis in weerwil van haar bedoeling een uitsluiting voor de aansprakelijkheid voor de levering van een verkeerd product zoals hier aan de orde was opgenomen. Gelet op de onduidelijke en ondoorzichtige structuur van de polisvoorwaarden (de zogenoemde drietrapsraket, slechts na uitgebreide toelichting te doorgronden), de onduidelijke aanduiding van de uitsluitingsclausule (het opschrift “uitsluiting produktenaansprakelijkheid” geeft een voor de hand liggende associatie met aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:185 BW e.v., te weten schade veroorzaakt door een gebrek in het product) en tegen de achtergrond van de aan de polis voorafgaande correspondentie, waar de verzekeraar geen andersluidende informatie tegenover gesteld heeft, kan dit hier niet worden aangenomen.

2.4

Dit betekent dat de verzekeraar zich in dit specifieke geval niet op deze uitsluitingsclausule kan beroepen om de gevraagde dekking te weigeren. De grieven gaan in zoverre op.

3 De slotsom

3.1

De grieven slagen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering en de daartegen gerichte verweren dienen te worden beoordeeld.

Euro-Chemicals heeft betaling van € 17.096,52 gevorderd, bestaande uit

€ 15.628,98 (inclusief BTW), een bedrag van € 536,25 aan wettelijke handelsrente vanaf 11 februari 2016 tot 15 juli 2016 en € 931,29 aan buitengerechtelijke kosten en wettelijke handelsrente over € 15.628,98 vanaf 15 juli 2016.

3.2

Uit het overgelegde expertiserapport blijkt dat € 15.628,98 het bedrag betreft dat [directeur/grootaandeelhouder EC] (inclusief BTW) aan verschillende bedrijven heeft betaald om de schade aan de natuurstenen vloer in zijn huis te herstellen. In de veronderstelling dat Euro-Chemicals dit bedrag aan [directeur/grootaandeelhouder EC] heeft of zal vergoeden gaat het hof er vanuit dat Euro-Chemicals de BTW-component van dit bedrag zal kunnen verrekenen. De verzekeraar heeft dit gesteld en Euro-Chemicals heeft dit niet betwist. Dit betekent dat het aan [directeur/grootaandeelhouder EC] betaalde bedrag exclusief BTW zal worden toegewezen, te weten € 13.267,-.

3.3

Tegenover de betwisting door de verzekeraar heeft Euro-Chemicals niet toegelicht waarom zij in dit geval de wettelijke handelsrente zou mogen berekenen. De regeling voor de wettelijke handelsrente is niet van toepassing op betalingen bij wijze van schadeloosstelling, met inbegrip van betalingen uit hoofde van verzekeringspolissen en niet gesteld of gebleken is dat berekening van deze rente in dit geval is overeengekomen. Daarom zal de wettelijke rente over € 13.267,- worden berekend met als onbetwiste ingangsdatum 11 februari 2016.

3.4

Tegen toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 931,21 heeft de verzekeraar geen bezwaar gemaakt, zodat die ook zullen worden toegewezen.

3.5

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de verzekeraar in de kosten van het beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Euro-Chemicals zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 82,54

- griffierecht € 941,-

totaal verschotten € 1.023,54

- salaris advocaat € 900,-.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Euro-Chemicals zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 85,21

- griffierecht € 1.952,-

totaal verschotten € 2.037,21

- salaris advocaat € 2.685,- (2,5 punten x appeltarief II ad € 1.074,- per punt).

3.6

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

4.1

vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 22 december 2016 en doet opnieuw recht;

4.2

veroordeelt de verzekeraar tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Euro-Chemicals van € 13.267,- , vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 februari 2016 en van € 931,21 aan buitengerechtelijke incassokosten;

4.3

veroordeelt de verzekeraar in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Euro-Chemicals wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op

€ 1.023,54 voor verschotten en op € 900,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.037,21 voor verschotten en op € 2.685,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.4

veroordeelt de verzekeraar in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval de verzekeraar niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

4.5

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, B.J. Engberts en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2019.