Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5851

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
200.224.911/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht; omvang van de opdracht; vaststelling loon na tussenarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.224.911/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, sector kanton, locatie Assen 5193306 / CV EXPL 16-5463)

arrest van 16 juli 2019

in de zaak van

[appellant] h.o.d.n. [appellant] Klussen,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J. Doornbos te Groningen,

tegen:

[geïntimeerde] h.o.d.n. Stucadoorsbedrijf [geïntimeerde],

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.P. Quist te Zwijndrecht,

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 19 maart 2019. Partijen hebben daarop een akte genomen, te weten een:

- akte van de zijde van [geïntimeerde] , en een

- akte van de zijde van [appellant] .

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het hof blijft bij wat in zijn tussenarrest van 19 maart 2019 is overwogen en beslist. Bij tussenarrest van 19 maart 2019 heeft het hof onder meer overwogen dat:

“(…) het hof over onvoldoende aanknopingspunten beschikt om te bepalen hoe hoog de door [geïntimeerde] in rekening te brengen kosten zijn voor het verven van 30m² vloer voor de twee extra slaapkamers (…).”

Het hof heeft [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over de hoogte van dat bedrag.

2.2.

[geïntimeerde] heeft een akte genomen. [geïntimeerde] stelt dat uit de aanvraag niet af te leiden valt of het om verven van de vloer of het verven van de wanden gaat. [geïntimeerde] heeft vervolgens inzicht gegeven in de prijzen voor het verven van de wanden. Het hof overweegt dat [geïntimeerde] daarmee niet aan het verzoek van het hof heeft voldaan. Overigens blijkt uit het door partijen overgelegde stukken waaronder het proces-verbaal van de comparitie van partijen van

7 maart 2017 dat met de ‘extra te verven ruimtes’ gedoeld wordt op het verven/coaten van de vloeren in die ruimtes. Het hof gaat dan ook voorbij aan het door [geïntimeerde] opgegeven bedrag.

2.3.

[appellant] heeft op de akte van [geïntimeerde] gereageerd en gesteld dat een bedrag van € 1.815,- in mindering moet worden gebracht op de vordering van [geïntimeerde] . [appellant] verwijst daarvoor naar verschillende websites. Volgens [appellant] kan als gebruikelijk dan wel redelijk loon voor het coaten (verven) van een vloer van € 50,- per m² excl. btw worden uitgegaan. [geïntimeerde] heeft op deze akte niet meer kunnen reageren, zodat dit niet als vaststaand kan worden aangenomen.

2.4.

Het hof acht het rekening houdend met indexering van het prijspeil sinds juni 2015 redelijk om van een loon uit te gaan van een bedrag van € 40,- per m². Dit betekent dat het hof € 1.200,-- in mindering brengt op het gefactureerde bedrag van € 4.680,-.

2.5.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat [appellant] aan [geïntimeerde] dient te betalen € 3.480,-. In het tussenarrest van 19 maart 2019 heeft het hof onder 5.3 overwogen dat van de vordering van [geïntimeerde] het bedrag van € 735,60 (stucwerk) en € 27,50 (afvoeren afval) tussen partijen niet in geschil is. In totaal is [appellant] dan aan [geïntimeerde] verschuldigd € 4.243,10. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht de creditfactuur van [appellant] van € 171,-. [appellant] heeft op enig moment € 3.000,- betaald waarmee tevens de factuur van

7 oktober 2015 is betaald (zie onder 5.3 van het tussenarrest). Het restant van € 2.150,20 (€ 3.000,- minus € 849,80) dient op de vordering van [geïntimeerde] in mindering te worden gebracht. Resteert door [appellant] aan [geïntimeerde] te betalen € 1.921,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016. Dit bedrag wijst het hof aan [geïntimeerde] toe. De grieven 2 tot en met 4 slagen.

2.6.

Grief 5 betoogt dat de kantonrechter onder 5.5. van het bestreden vonnis [appellant] ten onrechte in de kosten van de procedure heeft veroordeeld. [geïntimeerde] heeft in deze procedure betaling gevorderd van € 3.121,90 vermeerderd met rente en (incasso)kosten. In eerste aanleg is de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Ook het hof is van oordeel dat een substantieel deel van het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag dient te worden toegewezen. [appellant] is derhalve in eerste aanleg terecht in de proceskosten is veroordeeld. Deze grief faalt dan ook.

3 De slotsom

3.1.

Het bestreden vonnis waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd. Het hof zal voor dat deel opnieuw recht doen en [appellant] veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van € 1.921,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

3.2.

Nu [appellant] en [geïntimeerde] over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van

16 mei 2017 voor wat betreft de veroordeling van [appellant] tot betaling van € 3.121,90 te vermeerderen met de wettelijke rente en doet opnieuw recht;

- veroordeelt [appellant] tot betaling van € 1.921,90 aan [geïntimeerde] vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2016;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

- bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordeling tot betaling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. P.P.M. Rousseau, mr. O.G.H. Milar en mr. R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2019.