Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5814

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-07-2019
Datum publicatie
31-07-2019
Zaaknummer
200.242.148
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schulden. Op de ontbonden gemeenschap van goederen zijn de bepalingen zoals die voor 1 januari 2018 luidden van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.242.148

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, 427406 & 435041)

beschikking van 16 juli 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.L.A. Verleun te Mijdrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.P.G. Roobeek te Mijdrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 april 2018 (hierna: de bestreden beschikking), uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 5 juli 2018;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. Roobeek van 3 mei 2019 met producties;

- een journaalbericht van mr. Verleun van 14 mei 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1993 te [plaats] gehuwd in gemeenschap van goederen.

3.2

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3.3

De man heeft op 18 november 2016 een verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.4

Partijen hielden ieder 50% van de aandelen in [de vennootschap] B.V. (verder: de vennootschap).

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap – voor zover hier van belang – als volgt gelast en bepaald dat:

- de vrouw ter afwikkeling van de feitelijke verdeling van inboedel nog de sieraden van

de moeder van de man aan de man zal geven, waarna partijen ter zake van de inboedel niets meer van elkaar te vorderen hebben;

- de aandelen op naam van de vrouw in de vennootschap aan de man worden

toegedeeld, waarbij de man de helft van de totale waarde van de holding van € 397.500,00, derhalve een bedrag van € 198.750,00 aan de vrouw dient te vergoeden;

- de vrouw, indien en zover er belasting geheven zal worden in verband met de

toedeling c.q. overdracht van aandelen op naam van de vrouw aan de man, in de interne verhouding tussen partijen draagplichtig is voor deze belasting(druk);

- van het bedrag van € 198.750,00, een deel ter grootte van € 94.671,25 binnen een

maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand door de man aan de vrouw dient te worden voldaan;

- het restantbedrag van € 104.078,75 door de man aan de vrouw dient te worden voldaan

in 24 maandelijkse termijnen van € 4.336,61, de eerste termijn te voldoen uiterlijk per twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- de vordering die partijen hebben op de rekening-courant van de vennootschap bij

helfte gedeeld dient te worden tussen partijen.

Tot slot heeft de rechtbank de beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.6

Het huwelijk van partijen is op 23 april 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand.

3.7

Op 31 juli 2018 zijn partijen bij akte partiële verdeling en levering aandelen, verleden voor mr. A.J. Fanoy, notaris met plaats van vestiging De Ronde Venen, overgegaan tot verdeling van de aandelen in de vennootschap. Partijen zijn bij deze akte – voor zover hier van belang – het navolgende overeengekomen waarbij met partij 1 de man en met partij 2 de vrouw wordt bedoeld:

1. Overeenkomst

Partijen zijn overeengekomen uitvoering te geven aan gemelde echtscheidingsbeschikking in zoverre dat alleen de Aandelen in deze akte worden verdeeld en geleverd.

2. Waardering

Partijen verschillen van mening over de waarde van de aandelen. Daartoe zijn zij op achttien juli tweeduizend achttien in het kader van een schikking het volgende overeengekomen:

- Rekening houdend met het hierna onder 3 van deze akte gestelde omtrent het bepaalde in artikel 4:17 van de Wet op de Inkomstenbelasting wordt de waarde van de door partij 2 aan partij 1 over te dragen aandelen gesteld op éénhonderd eenenzestigduizend zevenhonderd zevenenzeventig euro en vijftig cent (€ 161.777,50);

- Door partij 1 wordt aan partij 2 per datum overdracht van de aandelen een bedrag ineens voldaan van vierennegentigduizend zeshonderd eenenzeventig euro en vierendertig cent (€ 94,671,34), gevolgd door vierentwintig (24) maandelijkse termijnen van tweeduizend zevenhonderd zesennegentig euro en negen cent (€ 2.796,09) waarvan de eerste termijn per één september tweeduizend achttien verschuldigd is;

- Bij niet-tijdige betaling van de termijnen is partij 1 door het enkele feit van niet-tijdige betaling in verzuim, zonder dat daarvoor een afzonderlijke ingebrekestelling noodzakelijk is. Partij 2 behoudt zich het recht voor ontbinding van deze overeenkomst te vorderen, en alsnog de waarde te vorderen die door haar deskundige is vastgesteld.

3. Overbedeling

Als gevolg van de verdeling bij deze akte wordt partij 1 overbedeeld, en wel voor een bedrag

van éénhonderd eenenzestigduizend zevenhonderd zevenenzeventig euro en vijftig cent

(€ 161.777,50). Partij 1 is verplicht dit bedrag wegens overbedeling aan partij 2 te betalen, onder de voorwaarden en bepalingen als hierna onder ‘overbedelingsvordering’ zijn vermeld. De overbedelingsvordering is berekend naar de helft van de hiervoor vermelde waarde van de Aandelen.

Bij de vaststelling van het overbedelingsbedrag is rekening gehouden met het feit dat op grond van het bepaalde in artikel 4:17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 de verdeling van een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na ontbinding van de huwelijksgemeenschap ander dan door overlijden niet als vervreemding wordt aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen geen deel uitmaken van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren. De latente “aanmerkelijk belang” belastingclaim wordt derhalve doorgeschoven naar partij 1. Partijen maken geen gebruik van de mogelijkheid van artikel 4:38 van de Wet inkomstenbelasting 2001 om de doorschuiving als bedoeld in artikel 4:17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 buiten toepassing te laten.

HOOFDSTUK 3. LEVERING

1. Levering

Partijen leveren de Aandelen hierbij aan partij 1, die deze levering aanvaardt.

2. Overbedelingsvordering

Een gedeelte van de overbedelingsvordering, te weten vierennegentigduizend zeshonderd eenenzeventig euro en vijfentwintig cent (€ 94.671,25), is betaald op een door mij notaris beheerde kwaliteitsrekening.

Doorbetaling aan partij 2 vindt plaats uiterlijk de eerste werkdag na het passeren van deze akte.

Met betrekking tot de hiervoor vermelde verplichting van partij 1 tot betaling van het restant van de overbedelingssom ad zevenenzestigduizend éénhonderd zes euro en vijfentwintig cent (€ 67.106,25) aan partij 2 nader overeengekomen dat dit bedrag door partij 1 aan partij 2 dient te worden voldaan in vierentwintig (24) maandelijkse termijnen van tweeduizend zevenhonderd zesennegentig euro en negen cent (€ 2.796,09), telkens per de eerste van iedere kalendermaand, de eerste termijn te voldoen uiterlijk op één september tweeduizend achttien en de laatste termijn uiterlijk op één augustus tweeduizend twintig.

(…)

4 De omvang van het geschil

4.1

De gemeenschap van goederen van partijen is op 18 november 2016 ontbonden door indiening door de man van een verzoek tot echtscheiding. Tussen partijen is in geschil de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap zoals door de rechtbank is gelast.

4.2

De vrouw is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de waarde van de aandelen van de vennootschap en de hoogte van de latente belastingclaim (grief 1) en de omvang van de rekening-courantschuld van partijen aan de vennootschap (grief 2, zie tevens grief 2 van de man in incidenteel hoger beroep). De vrouw verzoekt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zal bepalen,

- ten aanzien van de aandelen, dat de man gehouden is de aandelen over te nemen tegen

betaling van een netto bedrag van € 161.777,50, en

- ten aanzien van de rekening-courantschuld, de man te bevelen rekening en verantwoording af te leggen over de rekening-courantverhouding van partijen met de vennootschap over de jaren 2013 en volgende en zal bepalen dat de posten ‘ [bedrijf x] ’ op de afrekening van de man voor een bedrag van € 5.936,26 door beide partijen gezamenlijk moeten worden gedragen. Met handhaving van het overige van de bestreden beschikking.

4.3

De man is op zijn beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De eerste grief van de man ziet op de (verkoopopbrengst van de) inboedel van de vakantiewoning te [land] . Zijn tweede grief op de rekening-courantschuld van de vennootschap (zie ook grief 2 van de vrouw in principaal hoger beroep). Grief drie ziet op de overdracht door de vrouw aan hem van de sieraden van zijn moeder.

De man verzoekt dat het hof bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw niet-ontvankelijk zal verklaren in haar principaal hoger beroep, dan wel het principaal hoger beroep zal afwijzen, en voorts in incidenteel hoger beroep bij beschikking, de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing aangaande de verdeling van de inboedel van de vakantiewoning te [land] en de verdeling van de rekening-courant betreft, zal vernietigen dan wel zal wijzigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. zal verklaren voor recht dat de man een vordering op de vrouw heeft ter hoogte van een bedrag van € 20.000,00 ter zake van de inboedel van de vakantiewoning ten [land] ;

II. de vrouw zal veroordelen tot betaling van het bedrag ter hoogte van € 20.000,00 ter zake van de inboedel van de vakantiewoning te [land] ;

III. primair zal bepalen dat de schuld wordt toegerekend aan de man, en de man de schuld als eigen schuld voor zijn rekening moet nemen, met veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man voor een bedrag van € 10.993,28 zijnde de helft van de genoemde schuld;

IV. subsidiair zal verklaren voor recht dat, ten aanzien van de rekening-courant van de vennootschap, partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld die partijen aan de vennootschap hebben;

V. de vrouw zal bevelen aan de man binnen 7 dagen na betekening van de te wijzen beschikking de sieraden van de moeder van de man aan de man te geven onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat de vrouw nalaat voornoemde sieraden aan de man te overhandigen, met een maximum van € 10.000,00, althans een zodanige beslissing zal nemen welke het hof in goede justitie juist acht;

VI. de vrouw in de proceskosten zal veroordelen, gelijk te stellen aan de werkelijke advocaat- en overige kosten (griffierechten, deurwaarderskosten, et cetera) die de man in verband met deze procedure heeft gemaakt en nog zal moeten maken, daaronder begrepen de buitengerechtelijke kosten en nakosten;

VII. althans zodanige beslissingen zal nemen als uw hof in goede justitie juist acht.

4.4

De vrouw voert verweer, Zij verzoekt dat het hof de man in zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de grieven ongegrond zal verklaren en de verzoeken in het incidenteel hoger beroep zal afwijzen. Kosten rechtens.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

peildatum

5.1

Tegen de door de rechtbank gehanteerde peildatum van 18 november 2016 is door geen van partijen een grief geformuleerd. Voormelde datum is de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. Die datum geldt als peildatum voor de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap.

de aandelen

5.2

De vrouw heeft haar grief die ziet op de waarde van de aandelen in de onderneming ingetrokken. Haar eerste grief behoeft dan ook geen bespreking meer.

rekening-courant verhouding met de vennootschap

5.3

In haar tweede grief voert de vrouw aan de rechtbank zich niet heeft uitgelaten over de verdeling van de kosten van [bedrijf x] van € 5.936,26 en ook niet heeft bepaald dat de man rekening en verantwoording over de jaren 2013 en verder dient af te leggen van de opbouw en besteding van de rekening-courantschuld. Ook de man heeft een grief geformuleerd tegen de overweging van de rechtbank. Hij stelt in zijn tweede grief in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat partijen een schuld aan de vennootschap hebben en dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen een vordering op de rekening-courant van de vennootschap hebben welke bij helfte gedeeld dient te worden.

5.4

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de schuld aan [bedrijf x] , het gaat hier om kosten die gemaakt zijn om de waarde van de aandelen van de vennootschap te bepalen, gelijkelijk tussen partijen dient te worden verdeeld. De man heeft dat betwist. Hij stelt dat partijen een splitsing hebben gemaakt voor wat betreft bedragen die kunnen worden toegerekend aan ieder der partijen en dat aan de vrouw daarom alleen bedragen zijn toegerekend welke uitsluitend voor haar rekening komen. [bedrijf x] heeft in opdracht van de vrouw werkzaamheden verricht en niet in opdracht van partijen.

5.5

Voor wat betreft de schuld van partijen aan de vennootschap wenst de man toedeling van die schuld aan hem, zodat hij die schuld voor zijn rekening kan nemen, met gelijktijdige veroordeling van de vrouw tot betaling aan hem voor een bedrag gelijk aan de helft van de schuld. De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij wil dat de man uitleg geeft over het ontstaan van die schuld, dat hij het bedrag van de schuld verantwoordt, zij voert aan dat zij niet bij de totstandkoming en/of ontwikkeling van de schuld is betrokken en dat evenmin is gebleken dat de gelden die op die grond aan de vennootschap zijn onttrokken en in rekening-courant geboekt, ten goede van de gemeenschappelijke huishouding zijn gekomen.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Tot de te verdelen ontbonden huwelijksgemeenschap behoren de schuld van partijen aan [bedrijf x] van € 5.936,26 en die aan de vennootschap van € 21.986,56. Die laatste schuld is aanvankelijk door partijen en ook door de rechtbank ten onrechte als een vordering van partijen op de vennootschap gekwalificeerd. Inmiddels is vast komen te staan dat het niet gaat om een vordering van partijen op de vennootschap, maar om een schuld van partijen aan de vennootschap. Deze schuld is op 31 december 2016 tot het bedrag van € 21.986,56 in de boeken van de vennootschap opgenomen.

5.7

Op de op 18 november 2016 ontbonden gemeenschap van goederen zijn de bepalingen zoals die voor 1 januari 2018 luidden van toepassing (zie ook HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:636). Ingevolge artikel 1:94 lid 5 (oud) van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) omvat de gemeenschap, wat haar lasten betreft, alle schulden van ieder der echtgenoten. De hoofdregel is dat alle schulden, zowel vóór als tijdens huwelijk aangegaan, gemeenschappelijk zijn, ongeacht wie van beide echtgenoten de schuld is aangegaan. In lid 3 van artikel 1:94 (oud) BW wordt bepaald dat goederen en schulden niet in de gemeenschap van goederen vallen voor zover verknochtheid zich hiertegen verzet. Artikel 1:100 lid 2 (oud) BW bepaalt (kort gezegd) dat ieder voor de helft draagplichtig is voor de schulden van de gemeenschap. Uit artikel 6:10 BW volgt dat bij hoofdelijke schuldenaren ieder van de schuldenaren onderling het gedeelte van de schuld draagt dat hem/haar aangaat en dat ieder na betaling van méér dan dat gedeelte regres heeft op de overige schuldenaren.

5.8

Het hof stelt voorop dat de vrouw en de man, na de ontbinding van de gemeenschap, hoofdelijk (mede)schuldenaren zijn van voormelde schulden. De Hoge Raad hanteert een strenge maatstaf om van de draagplicht van de schulden bij helfte af te wijken; een afwijking is niet geheel uitgesloten, maar kan slechts worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden, die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot jegens de andere zich beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap (o.a. HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1393).

5.9

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting ziet het hof geen grond om af te wijken van de hoofdregel dat ieder van de ex-echtgenoten de helft van de gemeenschapsschulden draagt. Zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor bedoeld zijn niet gesteld of gebleken. Ook is niet gesteld of gebleken dat sprake is van verknochtheid van de rekening-courantschuld aan de man.

5.10

Voor de omvang van de rekening-courantschuld is in beginsel de stand per

18 november 2016 bepalend. Voor wat betreft de periode van een aantal weken tussen de peildatum en het einde van het boekjaar (31 december 2016) overweegt het hof als volgt. Vast staat dat partijen in hun hoedanigheid van bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap de jaarrekening 2016 van de vennootschap hebben goedgekeurd en dat niet in geschil is dat de vordering van de vennootschap op partijen per 31 december 2016

€ 21.986,56 bedraagt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken kan het hof niet exact opmaken/reconstrueren of de paar mutaties die dateren van na 18 november 2016 een andere verdeling behoeven dan de overige in rekening-courant geboekte posten, zodat ook deze posten ook als gemeenschappelijke schulden moeten worden beschouwd. Over en weer is door partijen onvoldoende gesteld en onderbouwd om tot een ander oordeel te komen.

5.11

Door de man is onbetwist gesteld dat hij alle bankafschriften en grootboekrekeningen over de door de vrouw gewenste periode aan haar heeft verstrekt. Naar het oordeel van het hof heeft de man daarmee aan zijn informatieplicht voldaan. De vrouw heeft verzuimd te stellen op welke grond de man een verdergaande informatieplicht heeft dan die waaraan hij reeds heeft voldaan jegens haar. Haar verzoek te bepalen dat de man rekening en verantwoording aan haar dient af te leggen zal daarom worden afgewezen.

5.12

Grief 2 van de vrouw slaagt voor een deel en grief 2 van de man slaagt.

inboedel vakantiewoning te [land]

5.13

In zijn eerste grief in incidenteel hoger beroep stelt de man dat de rechtbank zich op een onjuiste manier heeft uitgelaten over de wijze van verdeling ten aanzien van de inboedel van de vakantiewoning te [land] . Blijkens de rechtsoverwegingen van de rechtbank staat vast, althans lijkt vast te staan dat de vrouw zich een bedrag van € 20.000,- extra van de netto verkoopopbrengst heeft toegeëigend. De vrouw heeft dit niet ontkend. De vrouw meent dat zij hier recht op heeft en stelt zich op het standpunt dat de man € 20.000,- heeft ontvangen en behouden uit de verkoopopbrengst van de inboedel van de vakantiewoning te [land] . De stelling van de vrouw wordt door haar niet nader met stukken onderbouwd, aldus de man. De vrouw heeft verweer gevoerd.

5.14

Voor zover de vrouw bepleit dat het gewijzigde standpunt van de man moet worden beschouwd als het terugkomen op een gerechtelijke erkentenis ex artikel 154 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), passeert het hof dat betoog. Het staat een partij in beginsel vrij om in hoger beroep eventuele onjuistheden of onduidelijkheden uit haar stellingen in eerste aanleg te herstellen. Van een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 lid 1 Rv is naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook het subsidiaire standpunt van de vrouw, dat de vordering die de man meent op haar te hebben niet in een verzoekschriftenprocedure aan de orde kan worden gesteld en dat hij daarvoor een dagvaardingsprocedure dient te entameren, zal het hof passeren. In de onderhavige echtscheidingsprocedure zijn nevenvoorzieningen betreffende de verdeling van de gemeenschap als bedoeld in artikel 827 lid 1 onder b. Rv verzocht. Een vordering (wegens overbedeling), zoals hier aan de orde, kan tevens daarvan onderdeel uitmaken.

5.15

Tussen partijen staat vast dat de verkoopopbrengst van de vakantiewoning ruim

€ 360.000,- bedroeg en dat de opbrengst bij helfte tussen partijen moest worden verdeeld. Dat laatste is niet gebeurd. Uit de overgelegde bankafschriften van de Lienzer Sparkasse volgt dat (nadat eenzelfde bedrag op 1 december 2016 eerst naar de vrouw was overgeboekt en vervolgens weer teruggeboekt) de vrouw op 2 december 2016 een bedrag van € 200.000,- heeft ontvangen – hetgeen door de vrouw niet langer is ontkend – en de man een bedrag van

€ 160.000,-. De man heeft dan (wegens overbedeling van de vrouw) nog recht op betaling door de vrouw aan hem van een bedrag van € 20.000,-. Dat de vrouw op een andere grond recht heeft op een hoger bedrag dan de man is door haar niet onderbouwd. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet onderbouwd dat de verkoopopbrengst van de vakantiewoning niet mede bestond uit de opbrengst van de inboedel dan wel dat zij vanwege de afzonderlijke verkoop van de inboedel recht had op een hoger bedrag dan € 180.000,- in totaal. Grief 1 van de man in incidenteel hoger beroep slaagt. Het hof zal de door de man verzochte verklaring voor recht als hierna te melden toewijzen en de vrouw veroordelen tot betaling aan hem van voormeld bedrag.

afgifte sieraden

5.16

Partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ter zake van de sieraden een regeling in der minne getroffen, in die zin dat de vrouw de door de man gewenste sieraden aan hem heeft afgegeven en de man bij die gelegenheid aan haar finale kwijting heeft verleend. Omdat door partijen alsnog uitvoering is gegeven aan de beslissing van de rechtbank onder rechtsoverweging 4.2.2., heeft de man zijn derde grief ingetrokken. De grief behoefte geen inhoudelijke beoordeling en beslissing.

proceskostenveroordeling

5.17

De man verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen in de (werkelijke) kosten van het geding. Hij stelt dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid indien de kosten worden gecompenseerd. De vrouw voert verweer.

5.18

Het hof ziet geen aanleiding de vrouw te veroordelen in de proceskosten in het hoger beroep. Beide partijen zijn over en weer (deels) in het gelijk gesteld en het betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, zodat het hof aanleiding ziet de proceskosten te compenseren.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaagt grief 2 voor een deel en zal het hof beslissen als volgt.

in het incidenteel hoger beroep

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven 1 en 2 en hoeft grief 3 geen bespreking. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 april 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

gelast de wijze van verdeling als volgt:

verstaat dat partijen in hun interne verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan [bedrijf x] van € 5.936,26 (zegge: vijfduizend en negenhonderdzesendertig euro en zesentwintig eurocent);

voorts:

bepaalt dat de man de schuld ad € 21.986,56 (zegge: eenentwintigduizend en negenhonderdzesentachtig euro en zesenvijftig eurocent) aan de onderneming geheel voor zijn rekening zal nemen en als eigen schuld zal voldoen (onder vrijwaring van de vrouw);

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 10.993,28 (zegge: tienduizend negenhonderddrieënnegentig euro en achtentwintig eurocent);

verklaart voor recht dat de man een vordering op de vrouw heeft ter hoogte van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro) en veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van dit bedrag;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, J.U.M. van der Werff en H. Phaff, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, en is op 16 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.