Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5785

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
WAHV 200.219.249
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging door de kantonrechter van de omschrijving van de gedraging en feitcode van ‘geen gebruik maken van de autogordel’ in ‘de autogordel gebruiken op een wijze die de beschermende werking ervan negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden’. De kantonrechter mocht overgaan tot wijziging van de feitcode. Wanneer is sprake van gebruik op een wijze die de beschermende werking negatief kan beïnvloeden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.219.249

15 juli 2019

CJIB 200360019

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 1 juni 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 11 juni 2019 heeft het hof het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 18 mei 2017 opgevraagd. De inhoud van dat arrest wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Op 18 juni 2019 heeft het hof een gewaarmerkt afschrift ontvangen van het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter en aan het dossier toegevoegd. Een afschrift daarvan is verzonden aan de gemachtigde van de betrokkene en de advocaat-generaal.

Beoordeling

1. Nu het dossier (alsnog) een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de zittingen van de kantonrechter bevat, is de feitelijke grondslag ontvallen aan de stelling van de gemachtigde dat het dossier geen proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter bevat.

2. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd voor de gedraging "als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel" met feitcode R533. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en die beslissing, alsmede de inleidende beschikking, gewijzigd in die zin dat als omschrijving van de gedraging heeft te gelden: "de autogordel, veiligheidsgordel of het kinderbeveiligingssysteem in een personenauto, bedrijfsauto, een driewielig motorvoertuig met gesloten carrosserie of een brommobiel gebruiken op een wijze die de beschermende werking ervan negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden" met feitcode R535o.

3. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de wijziging van de feitcode enkel en alleen is gebaseerd op de verklaring van de betrokkene die - kort gezegd - inhoudt dat zij de gordel wel om had maar dat het gedeelte dat over de schouder valt onder haar arm zat om gekreukte kleren te voorkomen. Er is geen enkel steunbewijs. Een sanctie ter zake een Wahv-gedraging dient volgens de gemachtigde gebaseerd te zijn op een waarneming van die gedraging door een ambtenaar. De ambtenaar heeft in casu niet waargenomen dat de gordel onjuist is gebruikt. Integendeel, in het zaakoverzicht is verklaard dat de gordel ongebruikt hing. Daarnaast is de kantonrechter er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de gedraging voldoende moet worden geïndividualiseerd. De gemachtigde wenst alsnog te weten waar de gedraging is verricht en hoe de waarneming heeft plaatsgevonden. Dat de beschermende werking van de gordel negatief werd beïnvloed door de wijze waarop deze volgens de betrokkene werd gedragen, is ten slotte in het geheel niet onderbouwd door de kantonrechter en dit staat dan ook niet vast. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal is van mening dat het zeer aannemelijk is dat de beschermende werking van een driepuntsgordel negatief wordt beïnvloed als deze niet op de voorgeschreven wijze wordt gebruikt, maar nergens in de wet staat vermeld wat die voorgeschreven wijze inhoudt. In artikel 59, zevende lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) wordt gesproken over de beschermende werking en niet de voorgeschreven wijze. Als er al een standaard of voorgeschreven wijze van gebruik van de gordel is, dan is het volgens de gemachtigde sterk van de situatie afhankelijk of deze voor de beschermende werking geëigend is. Hierbij verwijst hij naar enkele pagina's uit een onderzoek van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV).

4. De in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de ambtenaar houdt - onder meer - het volgende in:

"Ik zag dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing.
Overtreden artikel: 59 lid 1 RVV 1990. (…)

Verklaring betrokkene: niet van bewust."

5. Gelet op hetgeen de betrokkene heeft verklaard met betrekking tot de wijze van dragen van de gordel acht het hof het - met de kantonrechter - aannemelijk dat de betrokkene ten tijde van de gedraging de gordel wel heeft gedragen, maar niet op de juiste wijze. In tegenstelling tot hetgeen de gemachtigde beweert, verhindert het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wahv niet wijziging van de feitcode in een dergelijke situatie. De gedraging is in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv opgenomen onder feitcode R535o. Voor deze gedraging kan een administratiefrechtelijke sanctie worden opgelegd op de wijze bij die wet bepaald. De bevoegdheid van de ambtenaar in de onderhavige zaak om voor gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv administratieve sancties op te leggen, wordt niet betwist. Daarbij blijft het aan de gewijzigde kwalificatie ten grondslag liggende feitencomplex hetzelfde; de ambtenaar heeft aan hetgeen door hem is waargenomen een - naar achteraf blijkt - foutieve feitcode gekoppeld. Nu de betrokkene daarnaast is staande gehouden en zij zodoende wist waartegen zij zich moest verdedigen en de hoogte van het bedrag van de sanctie voor beide gedragingen gelijk is, is het hof van oordeel dat de kantonrechter mocht overgaan tot het wijzigen van de feitcode.

6. Met betrekking tot het verweer dat de gedraging voldoende moet worden geïndividualiseerd, stelt het hof vast dat het zaakoverzicht gegevens bevat met betrekking tot het kenteken van het voertuig, de aard, plaats en tijd van de gedraging, hetgeen voldoende informatie oplevert om de gedraging waarop de inleidende beschikking betrekking heeft te individualiseren. Een en ander te meer, nu de betrokkene even daarna is staande gehouden en zij wist waartegen zij zich moest verdedigen.

7. De betrokkene heeft eerder in de procedure verklaard dat zij naast de auto stond op het moment dat zij werd aangesproken door de politie en dat de politie haar dus niet heeft zien zitten in de auto en evenmin of zij wel een gordel droeg. Het hof merkt hieromtrent op dat de waarneming door de ambtenaar vooraf is gegaan aan de staandehouding en dat het feit dat de betrokkene op een andere locatie dan de pleeglocatie is staande gehouden aan het voorgaande niet afdoet. De ambtenaar heeft verklaard te hebben gezien dat de gordel ongebruikt langs de deurstijl van het voertuig hing. Het hof heeft geen reden om aan deze waarneming te twijfelen en acht het opvragen van nadere informatie met betrekking tot de wijze waarop dit is waargenomen niet noodzakelijk, te meer nu uit de verklaring van de betrokkene feitelijk hetzelfde volgt met betrekking tot het langs de deurstijl hangen van de gordel.

8. Artikel 59, zevende lid, van het RVV 1990 bepaalt dat een autogordel moet worden gebruikt op een manier die de beschermende werking ervan niet negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden.

9. Bij Besluit van 3 februari 2006, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Voertuigreglement in verband met de implementatie van richtlijn 2003/20/EG, tot wijziging van richtlijn 91/671/EEG betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels in voertuigen van minder dan 3,5 ton, en in verband met het vervoer van passagiers in rolstoelen (het Besluit) is het tot dan toe geldende artikel 59, derde lid, RVV 1990 geschrapt. Dit artikellid luidde:

"Bestuurders en passagiers die korter zijn dan 1.50 meter en die gebruik moeten maken van de autogordel mogen een driepuntsgordel gebruiken als heupgordel."

10. In de Nota van toelichting bij het Besluit is het volgende opgenomen:

"Ingevolge de artikelen 5.2.47, zevende en achtste lid, en 5.3.47, zevende en achtste lid, van het Voertuigreglement moeten de autogordels deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Ook moeten de autogordels zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Voorts moeten de oprolmechanismen zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.

Aan de hierbij vastgestelde veiligheidseigenschappen wordt afbreuk gedaan als de gebruiker de juiste werking van de gordel belemmert. Het is daarom niet meer toegestaan het schouderdeel van een driepuntsgordel achter de rug langs te voeren en op die manier de driepuntsgordel als een soort heupgordel te gebruiken. De effectiviteit van de gordel, die niet ontworpen is om op een dergelijke manier te worden gebruikt, neemt dan teveel af. Artikel 59, derde lid, RVV 1990 zoals dit luidde tot de inwerkingtreding van dit besluit, keert dan ook niet terug."

11. De hiervoor weergegeven eisen die het Voertuigreglement stelt aan gordels in personenauto's zijn opgenomen om een zo hoog mogelijk niveau van veiligheid in de auto te bereiken. De eisen houden - onder andere - in dat autogordels deugdelijk moeten zijn bevestigd en dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Een driepuntsgordel is ontworpen om te dragen over de heup en de schouder. De voorgeschreven wijze van gebruik van een dergelijke gordel is aldus het dragen over zowel de heup als de schouder. Indien een driepuntsgordel gordel niet wordt gebruikt in overeenstemming met dit ontwerp, zoals in de onderhavige zaak het geval is, neemt de effectiviteit en daarmee de beschermende werking van de driepuntsgordel af. Dit houdt in dat de autogordel in deze zaak is gebruikt op een wijze die de beschermende werking van de gordel negatief beïnvloedt of kan beïnvloeden. Hiermee staat vast dat de gedraging is begaan.

12. De verweren die de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter heeft aangedragen, falen. Het hof zal dan ook overgaan tot het bevestigen van die beslissing. Aanleiding voor een proceskostenvergoeding is er dan ook niet.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.