Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5782

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-07-2019
Datum publicatie
18-07-2019
Zaaknummer
200.251.902/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wwz. Ontslag na ziekte. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten werkgever? Werknemer is arbeidsongeschikt geraakt en vervolgens ontslagen wegens die (voortdurende) ziekte. Werkgever en werknemer twisten over de oorzaak van de ziekte. Hof neemt bij wijze van hypothese tot uitgangspunt de lezing van de werknemer (door het werk veroorzaakte stress, burn-out). Feitelijke beoordeling. Er is onvoldoende gesteld om oorzakelijk verband tussen handelen/nalaten werkgever en arbeidsongeschiktheid te kunnen aannemen. Opzegging kan om die reden niet worden aangemerkt als te zijn veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Verzoek om billijke vergoeding terecht afgewezen door kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHSE 2019/?
AR-Updates.nl 2019-0772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.251.902/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, 6948661)

beschikking van 15 juli 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep, verweerder in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. Y. Schippers,

tegen

Sweco Nederland B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te De Bilt,

verweerster in het principaal hoger beroep, verzoekster in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerster,

hierna: Sweco,

advocaat: mr. E.L. Traag.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 25 september 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift van [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 20 december 2018;

- het verweerschrift van Sweco tevens houdende (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep met producties;

- het verweerschrift in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep;

- de brief van mr. Schippers ( [verzoeker] ) ter griffie ontvangen 20 maart 2019 met producties 12 t/m 15;

- de brief van mr. Schippers ( [verzoeker] ) ter griffie ontvangen op 26 maart 2019 met een (abusievelijk ook als productie 12 genummerde) bijlage (rapport van prof. [B] );

- het proces-verbaal van de zitting van het hof van 27 maart 2019;

- de brief van mr. Traag (Sweco) ter griffie ontvangen op 17 juni 2019 met de producties 5 en 6 (rapport van psychiater [D] );

- de brief van mr. Schippers ( [verzoeker] ) ter griffie ontvangen op 28 juni 2019 met als bijlage een reactie van prof. [B] ;

- de brief van mr. Traag (Sweco) ontvangen ter griffie op 28 juni 2019.

2.2

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft eerst plaatsgevonden op 27 maart 2019. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Op die datum is de behandeling van de zaak aangehouden om Sweco in de gelegenheid te stellen alsnog te reageren op het daags voor die behandeling door [verzoeker] in het geding gebrachte rapport van prof. [B] . De behandeling is voortgezet op 1 juli 2019. Ook van die behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

2.3

Vervolgens heeft het hof uitspraak bepaald op 19 augustus 2019 of zoveel eerder als mogelijk is dan wel zoveel later als onvermijdelijk blijkt te zijn.

2.4

[verzoeker] heeft in hoger beroep verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en hem alsnog toe te kennen een billijke vergoeding van € 607.646,42 (bruto) aan inkomensschade, € 13.000,- (netto) aan zorgkosten, 25.000,- (exclusief btw) aan advocaatkosten en € 25.000,- (netto) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, de proceskosten van beide instanties en nakosten.

2.5

Sweco heeft in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep verzocht

primair: de beschikking van de kantonrechter te vernietigen met uitzondering van de proceskostenveroordeling en [verzoeker] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn in eerste aanleg gedane verzoek;

subsidiair: die beschikking onder verbetering van gronden te bekrachtigen;

primair en subsidiair: [verzoeker] te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de feiten zoals deze door de kantonrechter in de overwegingen 1.1 tot en met 1.5 van de bestreden beschikking zijn opgenomen nu van bezwaren tegen die vaststelling niet is gebleken.

3.2

[verzoeker] , geboren [in] 1964, is [in] 1991 bij (de rechtsvoorganger van) Sweco in loondienst getreden. De fulltime arbeidsovereenkomst gold voor onbepaalde tijd. De functie van [verzoeker] was teamleider. Zijn salaris bedroeg € 5.680,77 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

3.3

Sweco, voorheen Grontmij geheten, is een advies- en ingenieursbureau dat zich onder andere richt op de sectoren bouw, infrastructuur, water en energie.

3.4

Per april 2014 is de heer [C] de leidinggevende van [verzoeker] geworden. Op 7 augustus 2014 heeft hij met [verzoeker] over diens functioneren gesproken. Op 11 augustus 2014 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.

3.5

Door het UWV is bij beschikking van 3 augustus 2016 de loondoorbetalingsverplichting van Sweco verlengd tot 7 augustus 2017.

3.6

Na verkregen toestemming van het UWV is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2018 beëindigd door opzegging wegens ziekte of gebreken waardoor [verzoeker] niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten (art. 7:669 lid 3 aanhef en onder b BW).

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht hem een billijke vergoeding toe te kennen van € 961.656,82 (bruto) aan inkomensschade, te vermeerderen met bedragen van € 13.000,- (netto) aan zorgkosten, € 25.000,- (exclusief btw) aan advocaatkosten en € 25.000,- (netto) aan immateriële schade, althans zodanige bedragen als de kantonrechter juist zal achten, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen omdat niet gebleken is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Sweco en geen sprake is van causaal verband tussen handelen of nalaten van Sweco enerzijds en de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte van [verzoeker] anderzijds. [verzoeker] is veroordeeld in de proceskosten.

5 De beoordeling in hoger beroep

Vermindering verzoek

5.1

[verzoeker] heeft in hoger beroep zijn verzoek om toekenning van een billijke vergoeding verminderd in die zin dat hij in plaats van het hiervoor onder 4.1 genoemde bedrag aan inkomensschade verzoekt hem een bedrag van € 607.646,42 toe te kennen. Ingevolge de artikelen 129 juncto 283 en 362 Rv is [verzoeker] te allen tijde gerechtigd zijn verzoek te verminderen. Recht wordt daarom gedaan op basis van het verminderde verzoek.

Processtukken

5.2

Op 26 maart 2019 is door [verzoeker] in het geding gebracht een rapport van prof. dr. [B] (psychiater). Sweco heeft daarop gereageerd door op 17 juni 2019 in het geding te brengen een contra-expertise van de psychiater [D] . Op vrijdag 28 juni 2019 heeft [verzoeker] een reactie op deze contra-expertise van prof. [B] ingediend. Sweco heeft bezwaar gemaakt tegen deze indiening op de grond dat deze te laat is en Sweco op de inhoud ervan redelijkerwijs niet meer gedegen kan reageren. Verzocht is het stuk in kwestie buiten beschouwing te laten.

5.3

Ter zitting van 1 juli 2019 heeft het hof als zijn beslissing kenbaar gemaakt dat het stuk in kwestie op een zodanig laat tijdstip is ingediend dat Sweco daarop redelijkerwijs niet meer naar behoren kan reageren en dat het om die reden in strijd met de goede procesorde zou zijn indien de reactie niettemin in de beoordeling betrokken zou worden. De reactie van prof. [B] blijft daarom buiten die beoordeling.

Principaal hoger beroep

Gronden van het hoger beroep

5.4

[verzoeker] heeft in de randnummers 6 tot en met 14 van zijn beroepschrift negen gronden ontwikkeld tegen de bestreden beschikking. In die gronden en de daarop gegeven toelichting betoogt [verzoeker] dat de kantonrechter hem ten onrechte niet een billijke vergoeding heeft toegekend (gronden 1 en 9) en hem ten onrechte niet tot bewijslevering heeft toegelaten (grond 8). Tot toekenning van een dergelijke vergoeding had het volgens [verzoeker] echter wel moeten komen omdat

a. [verzoeker] arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van handelen of nalaten van Sweco (gronden 2, 5 en 6);

b. Sweco tijdens de ziekte van [verzoeker] heeft ingezet op de start van een in de visie van Sweco noodzakelijk verbetertraject (grond 3);

c. Sweco haar re-integratieverplichtingen ernstig heeft veronachtzaamd (grond 7);

d. de opzegging van de arbeidsovereenkomst het gevolg was van het handelen of nalaten van Sweco (grond 4).

Beoordelingskader

5.5

De (voor onbepaalde tijd aangegane) arbeidsovereenkomst tussen partijen is, na verkregen toestemming van het UWV, met ingang van 1 april 2018 geëindigd door opzegging wegens ziekte of gebreken waardoor [verzoeker] niet meer in staat was de bedongen arbeid te verrichten (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder b BW). [verzoeker] verzoekt in deze procedure toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:682 lid 1 aanhef en onder c BW. Een dergelijke vergoeding kan, zo is in dat wetsartikel bepaald, worden toegekend indien "de opzegging (…) het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever".

5.6

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen. Als voorbeelden van dergelijke gevallen zijn daarin genoemd de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden en de situatie dat een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

Onderbouwing van de gronden door [verzoeker]

5.7

stelt (gronden 2, 5 en 6) dat hij arbeidsongeschikt is geraakt door jarenlange overbelasting als gevolg van een te hoge werkdruk in zijn functie van teamleider van de teams Baan&Civiel en Tractie&Energievoorziening. Hij vervulde aldus een dubbele functie. Op 7 augustus 2014 heeft de heer [C] , leidinggevende van [verzoeker] , met hem gesproken over zijn functioneren en daarbij ernstige kritiek op dat functioneren geuit. Als gevolg van de jarenlange overbelasting was de belastbaarheid van [verzoeker] toen al zeer gering. De kritiek van [C] kwam als een donderslag bij heldere hemel en was daarom de druppel die de emmer deed overlopen. [verzoeker] is toen volledig ingestort. [verzoeker] stelt dat de dubbele functie (het leiden van twee teams) met de daarbij behorende taken alleen al voldoende aanwijzing van overbelasting is. Bovendien heeft hij, zo stelt [verzoeker] , Sweco doen weten dat het samenstel van taken en verantwoordelijkheden hem te veel was. Desondanks is verlichting van het takenpakket uitgebleven. Daarbij komt dat de wijze waarop [C] kritiek uitte op [verzoeker] in strijd was met de interne richtlijnen (PROS) met als gevolg dat [verzoeker] zich niet heeft kunnen voorbereiden op het gesprek van 7 augustus 2014. [verzoeker] wijst ook op het door hem overgelegde rapport van prof. [B] , waarin burn-out als oorzaak van de uiteindelijke uitval wordt genoemd.

5.8

Toen [verzoeker] na het gesprek met [C] van 7 augustus 2014 arbeidsongeschikt was geworden heeft Sweco, aldus [verzoeker] (grond 3), herhaaldelijk het volgens Sweco noodzakelijke verbetertraject ter sprake gebracht. Dat had Sweco echter binnen het kader van de toen lopende re-integratie niet mogen doen omdat een verbetertraject pas aan de orde kan zijn na herstel van de werknemer en het aan de bedrijfsarts is te beoordelen of de werknemer tot het voeren van gesprekken over een verbetertraject in staat is. Het, tijdens diens arbeidsongeschiktheid, voeren van de gesprekken over dat verbetertraject heeft bovendien een desastreus effect gehad op de gezondheid van [verzoeker] . Telkens na een re-integratiegesprek met Sweco, waarin ook telkens het verbetertraject aan de orde kwam, was namelijk sprake van een ernstige psychische terugval van [verzoeker] waardoor het re-integratietraject werd belemmerd.

5.9

Sweco heeft daarnaast, aldus [verzoeker] (grond 7), haar re-integratieverplichtingen geschonden door de mediation niet te richten op hervatting van het eigen werk van [verzoeker] , maar op diens vertrek uit de organisatie en hem na de mediation geen passende werkzaamheden in het eerste spoor aan te bieden. Aan re-integratie in het tweede spoor heeft Sweco te laat en te weinig inhoud gegeven. Toen [verzoeker] uiteindelijk bij ProRail geplaatst was en de re-integratie daar succesvol verliep werd dat traject plotsklaps beëindigd zonder dat een nieuwe re-integratieplek werd aangeboden. Dat had Sweco wel moeten doen omdat kennelijk op voorhand vaststond dat [verzoeker] bij ProRail niet een baan aangeboden zou kunnen krijgen.

5.10

Tot slot voert [verzoeker] aan (grond 4) dat het in de overige gronden beschreven handelen en nalaten van Sweco moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar handelen ten gevolge waarvan [verzoeker] arbeidsongeschikt is geworden en gebleven. De op die arbeidsongeschiktheid gebaseerde opzegging van de arbeidsovereenkomst vindt daardoor zijn directe grond in die ernstige verwijtbaarheid.

Beoordeling hof

5.11

Bij de beoordeling van de door [verzoeker] aangevoerde gronden zet het hof het volgende voorop. [verzoeker] beroept zich op de bevindingen van prof. [B] in diens rapport van 26 maart 2019. In dat rapport wordt als oorzaak voor de uitval op het werk genoemd dat [verzoeker] in de jaren daarvoor "in wisselende mate" heeft "geleden aan stress-gerelateerde aandoeningen (overspanning/ burn-out/ aanpassingsstoornis/ depressie/ paniekklachten)". Die aandoeningen “zijn” (pag. 18) dan wel "lijken" (pag. 19) volgens prof. [B] de oorzaak van de uitval op het werk te zijn geweest. Hoewel de formulering van prof. [B] niet consistent genoemd kan worden - en daargelaten dat diens conclusies in de, door Sweco overgelegde, rapportage van psychiater [D] worden weersproken - gaat het hof veronderstellenderwijs er vanuit dat [verzoeker] uiteindelijk is uitgevallen als gevolg van de door prof. [B] genoemde oorzaken.

5.12

Het enkele feit dat de uitval van [verzoeker] zijn oorzaak vond in stressgerelateerde aandoeningen is onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat die uitval is veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen van Sweco. Daarvan zou pas sprake zijn indien kan worden vastgesteld dat handelen of nalaten van Sweco (mede) ten grondslag ligt aan het ontstaan van die aandoeningen en dat Sweco van dat handelen of nalaten een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

5.13

[verzoeker] had voor zijn ziekmelding op 11 augustus 2014 de leiding over twee teams. Zoals de kantonrechter heeft overwogen gaf een teamleider bij Sweco in het algemeen leiding aan 15 tot 35 teamleden. [verzoeker] gaf leiding aan 24 leden. Alleen oordelend op basis van het aantal mensen waaraan leiding werd gegeven kan in dat licht bezien niet worden gezegd dat [verzoeker] overbelast was. Nu kan het zo zijn dat het totale takenpakket van [verzoeker] niettemin zodanig zwaar was dat van overbelasting sprake was. Dat die situatie zich voordeed is echter onvoldoende onderbouwd en ligt ook niet zonder meer voor de hand. In dat verband merkt het hof nog op dat [verzoeker] niet heeft weersproken dat hij indertijd zelf heeft verzocht om de dubbelfunctie uit te mogen oefenen. Indien moet worden aangenomen dat niettemin van overbelasting sprake was, zou ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Sweco zich kunnen voordoen indien Sweco daarvan kennis droeg, maar met voorbijgaan aan die overbelasting en de belastbaarheid van [verzoeker] diens takenpakket en/of de werkomstandigheden zou hebben gehandhaafd. [verzoeker] heeft ter zitting in hoger beroep wel opgemerkt dat hij aan Sweco meerdere keren kenbaar heeft gemaakt dat hij te zwaar belast was, maar Sweco heeft dat niet kunnen bevestigen en ook die mededeling is niet nader onderbouwd. Voor zover [verzoeker] in dit verband Sweco heeft verweten dat zij geen verslagen heeft gemaakt van de (functionerings)gesprekken waarin hij zijn overbelasting ter sprake zou hebben gebracht, geldt dat dit niet afdoet aan de op [verzoeker] rustende bewijslast. Het blijft uiteindelijk zijn verantwoordelijkheid zich er van te vergewissen dat meldingen die hij van belang acht deugdelijk schriftelijk worden vastgelegd.

5.14

Het gesprek van [verzoeker] met zijn leidinggevende [C] op 7 augustus 2014 is in de beleving van [verzoeker] onmiskenbaar de druppel geweest die de emmer van de overbelasting deed overlopen. Dat sprake was van een gesprek als bedoeld in de interne handleiding "PROS VOOR PROFS" (productie 13 inleidend verzoekschrift [verzoeker] ) is niet onderbouwd. Terecht heeft de kantonrechter bovendien geoordeeld dat een werkgever het functioneren van een werknemer aan de orde moet kunnen stellen, ook buiten het kader van een formele gesprekkencyclus. Waar [C] in de visie van [verzoeker] zelf (beroepschrift onder 27) "wellicht niet" kon "weten dat [verzoeker] op die bewuste 7 augustus 2014 psychisch op het randje balanceerde" geldt dat zich evenmin de situatie voordeed dat [C] zich had moeten realiseren dat een stevig gesprek over het functioneren van [verzoeker] op dat moment onverantwoord was.

5.15

Na de ziekmelding van 11 augustus 2014 is, zij het niet meteen, begonnen met de re-integratie van [verzoeker] . Tijdens die re-integratie heeft Sweco bij verschillende gelegenheden het (dis)functioneren van [verzoeker] en het noodzakelijk geachte verbetertraject ter sprake gebracht. Dat is, onder andere, gebeurd in gesprekken tussen de leidinggevende ( [C] ) en [verzoeker] op 15 oktober 2014 en 13 februari 2015 alsmede in de gegeven beoordeling over het jaar 2014. Volgens Sweco was dat nodig omdat [verzoeker] wilde terugkeren in eigen werk. Over dit aspect van de zaak heeft het UWV op 26 oktober 2015 een deskundigenoordeel uitgebracht. De conclusie daarvan was dat de aanpak van Sweco niet juist is geweest. Het spreken over het functioneren had pas gemogen indien de werknemer, ter beoordeling van de bedrijfsarts, voldoende hersteld zou zijn om het gesprek daarover aan te gaan.

5.16

Noch uit het deskundigenoordeel noch uit de daaraan voorafgaande rapportages van de bedrijfsarts blijkt dat door de bedrijfsarts aan Sweco is geadviseerd tijdens de re-integratie (eventueel: vooreerst) niet met [verzoeker] te spreken over diens (dis)functioneren en/of het noodzakelijk geachte verbetertraject. Gesteld noch gebleken is voorts dat Sweco anderszins wist of had moeten begrijpen dat het (dis)functioneren en dat verbetertraject niet ter sprake mochten worden gebracht in de re-integratiecontacten en in de beoordelingscyclus. Door dat niettemin te doen heeft Sweco weliswaar onjuist gehandeld, maar ernstig verwijtbaar kan dat niet worden genoemd nu de - getuige de vele berichten van diens kant: intensief bij de zaak betrokken - bedrijfsarts daarover geen instructies had gegeven en van niettemin bij Sweco bestaande wetenschap van verkeerd handelen niet is gebleken. Daarbij komt dat de re-integratie in de fase waarin het verbetertraject ter sprake werd gebracht gericht was op re-integratie in het eigen werk en op de wijze van invulling van dat eigen werk door [verzoeker] kritiek bestond. Het is dan niet onbegrijpelijk dat bij de gesprekken over re-integratie wordt ingegaan op de wijze waarop dat eigen werk, waarin [verzoeker] diende te re-integreren, moest worden gedaan. Dat doet aan de kwalificatie van onjuist handelen niet af, maar draagt bij aan het oordeel dat van ernstige verwijtbaarheid geen sprake is. Daarbij verdient voorts opmerking dat Sweco onweersproken heeft aangevoerd dat tijdens de gesprekken alleen is gesproken over een verbetertraject dat pas na het herstel zou moeten worden gestart en niet over een verbetertraject dat al tijdens de arbeidsongeschiktheid zou moeten aanvangen.

5.17

Tussen partijen heeft mediation plaats gevonden als onderdeel van de re-integratie. [verzoeker] stelt dat die mediation niet was gericht op re-integratie, maar op het vertrek van [verzoeker] uit de organisatie van Sweco. Die stelling is door Sweco betwist en door [verzoeker] niet (nader) onderbouwd. Van de juistheid daarvan kan om die reden niet worden uitgegaan. Voor zover [verzoeker] ook heeft bedoeld te stellen dat de mediation niet tussen hem en [C] moest plaatsvinden geldt dat in ieder geval, naast andere aspecten, ook aan de orde was een probleem in de samenwerking tussen hem en [C] . Dan ligt mediation tussen de beide betrokkenen ( [C] en [verzoeker] ) voor de hand en kan Sweco bezwaarlijk een (ernstig) verwijt worden gemaakt van het op gang brengen van een dergelijke mediation/bemiddeling.

5.18

De re-integratie-inspanningen van Sweco zijn in het reeds genoemde deskundigenoordeel van het UWV onvoldoende geoordeeld. In dat verband wordt opgemerkt dat het "beeld ontstaat dat er onvoldoende gedacht wordt vanuit de belastbaarheid van de werknemer". Daaraan wordt toegevoegd dat de directe aanleiding was een aanvaring tussen Sweco ( [C] ) en [verzoeker] over het functioneren, dat een dergelijke aanvaring normaliter aanleiding is voor een goed gesprek, maar dat het nu volkomen uit de hand loopt "omdat er allerlei mentale problemen uit voortvloeien bij de werknemer". Deze bevindingen komen erop neer dat Sweco onvoldoende oog heeft gehad voor de belastbaarheid van [verzoeker] , maar dat de intensiteit waarmee [verzoeker] heeft gereageerd op de gedragingen van Sweco redelijkerwijs niet was te voorzien.

5.19

In het genoemde deskundigenoordeel (van 26 oktober 2015) is tevens uitgesproken dat nog onvoldoende was onderzocht of (i) eigen werk op termijn mogelijk is, (ii) ander werk binnen de eigen organisatie mogelijk is en (iii) passend werk buiten de eigen organisatie is te vinden. De functie van teamleider wordt daarin een inmiddels "gepasseerd station" genoemd, de situatie als geheel wordt omschreven als een "lastige". Op 3 augustus 2016 beslist het UWV vervolgens dat de re-integratie-inspanningen van Sweco onvoldoende zijn geweest en legt het een loonsanctie op aan Sweco. In het aan die beslissing ten grondslag liggende arbeidskundig onderzoek is vermeld dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar resterende mogelijkheden in het eerste spoor en dat de re-integratie in het tweede spoor pas in februari 2016 is ingezet.

5.20

Dat van een "lastige" situatie sprake was staat niet alleen uitdrukkelijk vermeld in het deskundigenoordeel van 26 oktober 2015, maar is ook het beeld dat oprijst na kennisname van alle in deze procedure overgelegde stukken. Complicerende, maar daarom nog niet specifiek aan Sweco (ernstig) verwijtbare, omstandigheid was zeker ook dat [C] en [verzoeker] kennelijk moeizaam onderling communiceerden. Ter zitting in hoger beroep heeft mevrouw [E] (HRM Sweco) daarover opgemerkt dat zij bij de gesprekken aanwezig was en dat dat "niet voor niets was". De heren versterkten elkaar "in negatieve zin". Het enkele feit dat Sweco in die situatie niet (meteen) het juiste heeft gedaan maakt dat gedrag nog niet tot ernstig verwijtbaar gedrag. Ook hier geldt dat van gedrag in strijd met gegeven adviezen of anderszins aanwezige kennis niet blijkt. Hooguit is sprake van onvoldoende voortvarendheid. Desondanks is voor [verzoeker] uiteindelijk een re-integratieplaats in spoor 2 gerealiseerd bij ProRail. Die plaatsing is niet geëindigd als gevolg van onvoldoende inspanning van Sweco, maar als gevolg van het aflopen van de termijn waarvoor deze was overeengekomen, hetgeen [verzoeker] ter zitting in hoger beroep als juist heeft erkend. Daaraan heeft hij wel toegevoegd dat ProRail groot is en er een tekort aan vakmensen op zijn deskundigheidsgebied was, maar dat doet aan de eindigheid van de plaatsing niet af. Dat eind 2015 in het kader van het eerste spoor en/of na het re-integratietraject bij ProRail in het tweede spoor gelet op de (beperkte) belastbaarheid van [verzoeker] arbeidsmogelijkheden bestonden die (als gevolg van onvoldoende inspanning van Sweco) onbenut zijn gebleven, heeft [verzoeker] niet voldoende onderbouwd.

5.21

De conclusie is dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is geweest van ernstig verwijtbaar handelen van Sweco. De beroepsgronden 2 tot en met 7 slagen daarom niet. De beroepsgronden 1 en 9 missen zelfstandige betekenis en slagen daarom evenmin.

5.22

Voor zover hiervoor stellingen van [verzoeker] als onvoldoende onderbouwd zijn aangemerkt wordt aan de door [verzoeker] aangeboden bewijslevering niet toegekomen. Voor het overige is niet gebleken van feiten of omstandigheden die tot bewijslevering aanleiding zouden moeten geven én waarvoor een voldoende specifiek bewijsaanbod is gedaan. Ook beroepsgrond 8 slaagt daarom niet.

Slotsom

5.23

De beroepsgronden slagen niet. Het hoger beroep wordt om die reden verworpen. [verzoeker] is de in het ongelijk gestelde partij. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van Sweco gevallen. Die kosten worden bepaald op € 741,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat (3 punten - twee zittingen en een verweerschrift - tarief II à € 1.074,- per punt).

Incidenteel hoger beroep

5.24

Het incidenteel hoger beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat een van de beroepsgronden in het principaal hoger beroep slaagt. Die situatie doet zich niet voor. Aan de genoemde voorwaarde is derhalve niet voldaan met als gevolg dat het incidenteel hoger beroep buiten beoordeling blijft. Er is ook geen grond voor een kostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, nu wat daarin aan de orde is gesteld valt binnen de devolutieve werking van het hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep en veroordeelt [verzoeker] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten daarvan, aan de zijde van Sweco vastgesteld op € 741,- griffierecht en € 3.222,- salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking en - voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening alsmede met veroordeling van [verzoeker] in de nakosten ter hoogte van

€ 157,- dan wel, indien betekening van de beschikking plaatsvindt, ter hoogte van € 239,-;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Willemse, W.P.M. ter Berg en O.E. Mulder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.