Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5638

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
200.241.448/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldleningen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.241.448/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6328711 \ CV EXPL 17-11145)

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

1 [appellant1] ,

wonende te Turkije,

hierna: [appellant1],

2. [appellant2] ,

wonende te Turkije,

hierna: [appellant2],

3. [appellant3] ,

wonende te Turkije,

hierna: [appellant3],

4. [appellant4] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant4],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. L.S. Slinkman, kantoorhoudend te Hoogezand,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. J. Klopstra, kantoorhoudend te Stadskanaal.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
15 mei 2018 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, kanton (hierna: de kantonrechter), heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 juni 2018,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met productie),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis aangezien deze tussen partijen niet in geschil zijn. Het navolgende staat vast.

3.1

[geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn gehuwd.

3.2

[appellanten] , [appellant2] en [appellant3] zijn familieleden van [appellant4] .

3.3

Op 11 februari 2014 heeft [appellant2] via Western Union een bedrag van € 4.352,33

verzonden. [geïntimeerde2] heeft dit bedrag op diezelfde datum afgehaald bij GWK Travelex te

Groningen (hierna: GWK).

3.4

Op 13 februari 2014 heeft [appellant2] via Westem Union een bedrag van € 4.352,33

verzonden. [geïntimeerde1] heeft dit bedrag op diezelfde datum afgehaald bij GWK.

3.5

Op 21 februari 2014 heeft [appellant4] een bedrag van € 7.000,- overgeboekt naar een

bankrekening van [geïntimeerde2] . Bij de overboeking is als betalingsomschrijving vermeld:

“MAHA NOEEL PERSONAL LOAN RELATION NEPHEW”.

3.6

Op 23 mei 2014 heeft [appellant3] via Western Union een bedrag van € 4.290,40

verzonden. [geïntimeerde1] heeft dit bedrag op diezelfde datum afgehaald bij GWK.

3.7

Op 23 mei 2014 heeft [appellanten] via Westem Union een bedrag van € 4.290,40

verzonden. [geïntimeerde2] heeft dit bedrag op diezelfde datum afgehaald bij GWK.

3.8

[geïntimeerden] c.s. hebben de onderneming Restaurant Haifa en de onderneming

Restaurant Grill/Shalom verkocht aan [appellant4] voor een bedrag van in totaal € 106.837,93.

De ondernemingen zijn bij akte van 6 januari 2016 aan [appellant4] overgedragen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg (in conventie) na vermindering van eis gevorderd veroordeling van [geïntimeerden] c.s. tot betaling van:

1. aan [appellanten] een bedrag van € 4.933,96 met wettelijke rente vanaf 23 mei 2014;

II. aan [appellant2] een bedrag van € 5.005,18 met wettelijke rente vanaf 11 februari 2014;

III. aan [appellant2] een bedrag van € 5.005,18 met wettelijke rente vanaf 13 februari 2014;

IV. aan [appellant3] een bedrag van € 4.933,96 met wettelijke rente vanaf 23 mei 2014;

V. aan [appellant4] een bedrag van € 8.050,00 met wettelijke rente vanaf 21 februari 2014;

VI. aan [appellanten] c.s. de kosten van de procedure.

4.2

[geïntimeerden] c.s. hebben de vordering bestreden en hebben (in reconventie) gevorderd (samengevat) "te bepalen dat" [appellant4] aan [geïntimeerden] c.s. dient te voldoen een bedrag van € 1.403,39, vermeerderd met rente en proceskosten.

4.3

De kantonrechter heeft in het vonnis van 15 mei 2018 de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen met veroordeling van respectievelijk [appellanten] c.s. en [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

appeldagvaarding

5.1

In de appeldagvaarding is evenals in de dagvaarding in eerste aanleg (die ook al niet door de deurwaarder was ondertekend) volstaan met de vermelding "wonende te Turkije" bij de appellanten 1 tot en met 3, daar waar artikel 45 lid 3 sub b Rv voorschrijft dat de woonplaats moet worden vermeld van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt. Evenals in eerste aanleg echter zijn [geïntimeerden] c.s. verschenen zonder dat zij hebben aangevoerd dat zij door dit gebrek onredelijk zijn benadeeld of in hun belangen geschaad (zie art. 66 en 122 Rv). Het hof gaat uit van de rechtsgeldigheid van het exploot.

IPR

5.2

Gelet op het feit dat appellanten sub 1 tot en met 3 in Turkije woonachtig zijn, heeft deze zaak een internationaal aspect. De vordering valt onder het formele en materiële toepassingsbereik van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), Pb. EU 2012, L 351/1. Nu de oorspronkelijke gedaagden in Nederland woonachtig zijn, heeft de Nederlandse rechter internationale rechtsmacht op grond van de hoofdregel van artikel 4 van deze verordening.

Daar waar de kantonrechter niets overweegt over (toepasselijkheid van) vreemd recht, houdt het hof het ervoor dat hij is uitgegaan van toepasselijkheid van Nederlands recht. Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep zijn daartegen geen grieven aangevoerd (terwijl gelet op hetgeen hieronder zal blijken de respectieve geïntimeerden geen belang hebben bij een ambtshalve onderzoek naar de vraag of mogelijk vreemd recht van toepassing is). Daarom zal ook het hof het geschil naar Nederlands recht beoordelen.

Bespreking van de grieven

5.3

Grief I in het principaal hoger beroep houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerden] c.s. de door [appellanten] c.s. gestelde overeenkomsten van geldlening gemotiveerd hebben betwist. Grief II in het principaal hoger beroep klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] c.s. gelet op dit gemotiveerde verweer onvoldoende hebben gesteld ter onderbouwing van hun stellingen. Grief III in het principaal hoger beroep klaagt over het oordeel van de kantonrechter dat de betalingsomschrijving "MAHA NOEEL PERSONAL LOAN RELATION NEPHEW" niet duidt op de verstrekking van een lening door [appellant4] maar op de verstrekking van een lening door [appellant3] . Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

5.4

Het hof stelt voorop dat het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv. op de weg van [appellanten] c.s. ligt voldoende feiten te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen waaruit kan volgen dat de door hen gestelde overeenkomsten van geldlening tot stand zijn gekomen. Hoe meer gedetailleerd [appellanten] c.s. hun stellingen onderbouwen, des te meer er verwacht mag worden van een gemotiveerde betwisting van die stellingen. Het enige dat [appellanten] c.s. concreet hebben onderbouwd is dat er door hen op verschillende tijdstippen bedragen zijn verzonden die door [geïntimeerden] c.s. bij het GWK contant zijn opgenomen, respectievelijk dat een bedrag van € 7.000,- is overgemaakt op de bankrekening van [geïntimeerden] c.s.. Voor het overige hebben zij niets concreets gesteld ter onderbouwing van hun stellingen. Niet is gesteld wie waar en op welk moment met wie mondeling heeft gesproken over geldleningen en wat daarbij is afgesproken, zoals wanneer er terugbetaald moest worden, al dan niet in termijnen en al dan niet met rente. Gelet op die vrijwel ontbrekende onderbouwing mogen geen hoge eisen worden gesteld aan de betwisting door [geïntimeerden] c.s. Zij hebben alternatieve verklaringen gegeven voor de geldstromen en de in grief III bedoelde betalingsomschrijving en hebben die met schriftelijke verklaringen van diverse personen gestaafd. Het enkele feit dat mogelijk vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de verklaringen van die personen, zoals [appellanten] c.s. hebben gedaan, doet niet af aan het uitgangspunt dat [appellanten] c.s. hun stellingen hebben te onderbouwen en vormt ook geen reden om [geïntimeerden] c.s. met het bewijs van hun verweer te belasten. Nu [appellanten] c.s. in onvoldoende mate invulling hebben gegeven aan hun stelplicht, wordt aan bewijslevering niet toegekomen en zijn hun vorderingen terecht afgewezen. De grieven falen.

5.5

De grief in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing van de vordering die [geïntimeerden] c.s. in eerste aanleg in reconventie tegen [appellant4] hadden ingesteld. Het betrof een vordering tot betaling van € 1.403,39 vermeerderd met rente op grond van de stelling dat [appellant4] bij de in 3.8 bedoelde bedrijfsovername zich verplicht heeft de schulden van [geïntimeerden] c.s. aan diverse schuldeisers, waaronder 4 x € 665,50 aan accountant [C] , over te nemen en te voldoen en dat [appellant4] dat heeft nagelaten. Deze bedragen zijn vervolgens door [geïntimeerden] c.s. (in 2016) aan [C] betaald. Op het totaal van die bedragen van € 2.662,- strekt volgens [geïntimeerden] c.s. in mindering een verrekenpost van € 1.258,61 ten gunste van [appellant4] , wat leidt tot de verschuldigdheid van € 1.403,39. De kantonrechter heeft overwogen dat de stelling van [geïntimeerden] c.s. over de schuldovername er niet toe kan leiden dat [appellant4] bedoeld bedrag van € 2.662,- aan [geïntimeerden] c.s. verschuldigd zijn. In de toelichting op de grief betogen [geïntimeerden] c.s. dat (i) [C] met de schuldovername heeft ingestemd en (ii) hij zijn vordering op [appellant4] aan [geïntimeerden] c.s. heeft overgedragen. Ter adstructie wordt verwezen naar een overgelegde akte van cessie van 31 augustus 2018. Terecht wijst [appellant4] er echter op dat uit die akte niet blijkt dat deze betrekking heeft op de vier facturen van € 665,50. Bovendien is als gevolg van de betalingen door [geïntimeerden] c.s. aan [C] in 2016, die door [C] als zodanig zijn aangemerkt en behouden (zo blijkt uit de door hem voor "voldaan" afgetekende facturen die bij conclusie van repliek in reconventie zijn overgelegd), de schuld van [appellant4] aan [C] teniet gegaan (art. 6:30 BW). Er viel ter zake van die voldane vordering in 2018 dus niets meer te cederen door [C] aan [geïntimeerden] c.s. De akte van cessie kan dus geen grondslag bieden voor de vordering van [geïntimeerden] c.s. Overigens gaat het in die akte slechts om een bedrag van € 1.403,39, zodat na verrekening met de door [geïntimeerden] c.s. zelf opgevoerde verrekenpost van € 1.258,61 bij een andersluidend oordeel hooguit € 144,78 had kunnen worden toegewezen. Andere grondslagen zijn door [geïntimeerden] c.s. niet aangevoerd. De grief faalt.

4 De slotsom

4.1.

In zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep falen de grieven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 726,- griffierecht en € 1.391,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (1 punt in tarief III). Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerden] c.s. veroordelen in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant4] vastgesteld op € 379,50 aan geliquideerd salaris van de advocaat (1 punt in de helft van tarief I).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 15 mei 2018 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, kanton.

veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het principaal hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. vastgesteld op € 726,- griffierecht en € 1.391,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant4] vastgesteld op € 379,50 aan geliquideerd salaris van de advocaat.

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. W.P.M. ter Berg, en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op
9 juli 2019.