Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5542

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-07-2019
Datum publicatie
05-07-2019
Zaaknummer
21-004331-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:3330
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt ook in hoger beroep de verdachte tot een gevangenisstraf van 28 jaar en TBS met dwangverpleging voor het verkrachten, het van de vrijheid beroven en beroofd houden, het doden van het slachtoffer en het mishandelen van medewerkers van het Pieter Baan Centrum.

Op 29 september 2017 verdween het slachtoffer tijdens een fietstocht en bijna twee weken later werd zij gevonden in het bos. Zij bleek te zijn verkracht, gedood en begraven door de verdachte die daar in de buurt in een kliniek verbleef vanwege een eerdere veroordeling voor verkrachting.

Het hof oordeelt dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad (dus met een vooropgezet plan) van het leven heeft beroofd, zodat verdachte wordt vrijgesproken van moord. Wel wordt verdachte veroordeeld voor ‘gekwalificeerde doodslag’, dus het doden van het slachtoffer om de andere feiten – haar verkrachting en vrijheidsberoving – te verhullen.

Volgens het hof zijn er bij de wijze van de aanhouding van verdachte, waarbij een stuk bot in zijn schouder is afgescheurd, rechten van verdachte geschonden, maar is het niet zo dat hij daardoor geen eerlijk proces heeft gehad en daarom ziet het hof geen aanleiding om over te gaan tot strafvermindering, zoals verdachte heeft gevraagd.

Bij verdachte is een borderline-persoonlijkheidsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Verdachte is licht verminderd toerekeningsvatbaar.

Het hof vindt dat ter vergelding en bescherming van de maatschappij verdachte een hele lange gevangenisstraf opgelegd moet krijgen. Het hof weegt ook zwaar mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor verkrachting en dat de straf die hij daarvoor kreeg nog niet eens helemaal was beëindigd toen hij dit slachtoffer verkrachtte en doodde.

Het hof komt dan ook – net als de rechtbank – tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren met aftrek van het voorarrest. Het hof vindt het daarnaast onverantwoord om verdachte zonder behandeling terug te laten keren in de maatschappij en daarom legt het hof naast de gevangenisstraf aan verdachte ook de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege op.

Daarnaast moet verdachte aan de nabestaanden een vergoeding van 40 duizend euro per persoon voor de shockschade betalen. De vordering die ziet op affectieschade wordt niet toegewezen, omdat dit in deze zaak volgens de wet niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2019/235 met annotatie van Bektesevic, D.
PS-Updates.nl 2019-0949
NJFS 2019/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004331-18

Uitspraak d.d.: 5 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-707164-17 en 16-652376-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

thans verblijvende in [verblijfplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 29 november 2018, 28 mei 2019, 29 mei 2019 en 5 juli 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden,

mr. D.C. Dorrestein en mr. S. de Korte, naar voren is gebracht.

Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van wat mr. R.E.H. Jager, raadsvrouw van de benadeelde partijen, naar voren heeft gebracht. Ook heeft het hof kennis genomen van hetgeen door de ouders en de broer van [slachtoffer] en mr. S.M. Diekstra namens de vriend van [slachtoffer] in het kader van het spreekrecht naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen vanwege een deels andere bewezenverklaring en omdat het tot een deels andere beslissing komt ten aanzien van één van de benadeelde partijen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 16-707164-17:
1 primair
hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

1 subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit en/of die feiten voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren;

1 meer subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof leest in de derde regel van de tenlastelegging onder 1 subsidiair en 1 meer subsidiair na de woorden ‘in Nederland’, het kennelijk abusievelijk weggevallen woord ‘opzettelijk’, nu uit het vervolg van de tenlastelegging, in het bijzonder door opname van het woord ‘opzettelijk’ in de vierde regel, moet worden afgeleid dat de officier van justitie kennelijk bedoeld heeft ten laste te leggen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.


2
hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk wederrechtelijk

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, voor het gezicht, althans ter hoogte van het hoofd, van die [slachtoffer] gehouden, in elk geval die [slachtoffer] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij haar telefoon aan hem moest geven, waarop die [slachtoffer] haar telefoon aan hem heeft gegeven dan wel hij de telefoon van die [slachtoffer] heeft afgepakt en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij met hem, verdachte, mee moest lopen en/of een pad aangewezen en/of gezegd dat die [slachtoffer] dat aangewezen pad in moest lopen, waarna die [slachtoffer] met hem dat aangewezen pad is ingelopen, en/of

- de handen van die [slachtoffer] (met een tiewrap en/of een veter) vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] gedwongen om (met gebonden handen) op zijn scooter plaats te nemen en/of die [slachtoffer] vervolgens (met achterlating van haar fiets) meegenomen op die scooter en/of

- die [slachtoffer] naar een met een hek omheinde plek vervoerd en/of die [slachtoffer] over een hek getild.

3
hij in of omstreeks de periode van 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, een of meermalen door geweld en/of een feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid bestaande uit

- het dreigen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

- het gebieden om mee te lopen naar een (uit het zicht gelegen) plek en/of

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of

- het gebieden om haar broek en/of onderbroek uit te doen, en/of

- het gebieden om op haar knieën te gaan zitten en/of

- het gebieden hem te pijpen

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Zaak met parketnummer 16-652376-18 (gevoegd):
1
hij op of omstreeks 8 februari 2018 omstreeks 12:30 uur, althans in de middag, te Utrecht AM1 en/of AM2 en/of AM3, (allen) medewerker(s) van het Pieter Baan Centrum, opzettelijk heeft mishandeld door:

- die AM1 tegens diens borst/ribben, althans diens lichaam, te schoppen en/of te trappen, waardoor die AM1 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

- die AM2 meermalen, althans eenmaal, tegen diens lichaam te slaan en/of te schoppen, althans door geweldshandelingen jegens die AM2 uit te oefenen, bestaande uit (het om zich heen) slaan en/of (het om zich heen) schoppen en/of trappen en/of het zich (met geweld) verzetten, althans (met geweld) trachten los te komen, waardoor die AM2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of - die AM3 meermalen, althans eenmaal, in diens schouder, althans lichaam te bijten en/of meermalen, althans eenmaal, tegen diens knie te trappen en/of te schoppen en/of meermalen, althans eenmaal, op/tegen diens hoofd en/of rug en/of schouder, althans lichaam te slaan, waardoor die AM3 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2
hij op of omstreeks 8 februari 2018 omstreeks 21:40 uur, althans in de avond, te Utrecht AB1 en/of AB2, (beveiligingsmedewerker(s)), opzettelijk heeft mishandeld door:

- die AB1 meermalen, althans eenmaal, tegen diens hoofd, althans diens lichaam, te slaan, waardoor die AB1 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

- die AB2 in diens (rechter)zij, althans diens lichaam, te bijten, waardoor die AB2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder feit 1 primair ten laste gelegde (moord)

De feiten

Op 29 september 2017 is [slachtoffer] vanuit Utrecht vertrokken op haar fiets voor een tocht via Lage Vuursche, Baarn en Soest in de richting van Den Dolder. Nadat zij om 18:50 uur via een WhatsApp-bericht aan haar vriend een selfie heeft gestuurd, is niets meer van haar vernomen. Later in die nacht hebben de moeder en vriend van [slachtoffer] aangifte gedaan van haar vermissing. Na een dagenlange zoektocht worden op 3 oktober 2017 de jas van [slachtoffer] , op 5 oktober 2017 haar fiets en op 6 oktober 2017 haar rugtas gevonden. Nadat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft geconstateerd dat zich op de gevonden jas van [slachtoffer] DNA-materiaal bevindt dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, is verdachte op 9 oktober 2017 aangehouden op het terrein van de Willem-Arntsz Hoeve (WA-Hoeve) in Den Dolder, waar hij verbleef op een afdeling van de GGZ-instelling Altrecht. In zijn verklaring van 11 oktober 2017 heeft verdachte aangegeven waar hij het lichaam van [slachtoffer] heeft begraven. Op de door verdachte aangewezen plaats in Zeewolde is haar lichaam ook aangetroffen, begraven aan een bospad aan het [pad] .

Op 13 oktober 2017 heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht met een mes.

De arts/patholoog van het NFI die pathologisch onderzoek heeft gedaan op het lichaam van [slachtoffer] heeft onder andere vastgesteld dat er sprake was van snijletsel aan de hals en dat de bevindingen erop duiden dat er meerdere snijbewegingen (meerdere halen) zijn gemaakt. Aan beide onderarmen/polsen werden scherprandige snijletsels vastgesteld en verspreid over het lichaam werden veel bloeduitstortingen waargenomen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten de moord op [slachtoffer] .

Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd en expliciet benadrukt dat niet ieder bewijsmiddel afzonderlijk bekeken dient te worden, maar dat deze in onderlinge samenhang dienen te worden bezien.

Volgens de advocaat-generaal zijn er veel bewijsmiddelen die de opvatting weerspreken dat verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling zou hebben gehandeld. Zo blijkt uit de uitlatingen van diverse getuigen dat verdachte veel met geweld bezig was, heeft hij zich

– blijkens onder andere de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] – ook vaker moorddadig uitgelaten en heeft verdachte een fascinatie voor onthoofdingsvideo’s van IS. Volgens de advocaat-generaal zou daaruit volgen dat verdachte in de basis bereid was om dodelijk geweld te gebruiken.

Daarnaast heeft de advocaat-generaal gewezen op de volgende feiten en omstandigheden van 29 september 2017. De telefoon van verdachte is meermalen voor langere tijd uit de lucht geweest en op grond van het onderzoek is het aannemelijk dat de telefoon bewust is uitgezet en pas na de levensberoving van [slachtoffer] weer is ingeschakeld.

Ook was verdachte in het bezit van gereedschap, te weten een mes en tiewraps, die zijn gebruikt bij de uitvoering van de door hem ten laste gelegde feiten. De door verdachte aangevoerde reden dat hij deze voorwerpen bij zich had voor het uitvoeren van illegale sloopwerkzaamheden, ligt niet voor de hand.

Ten slotte heeft het er volgens de advocaat-generaal alle schijn van dat verdachte tussen de vijf en acht minuten heeft staan wachten op de plaats waar hij [slachtoffer] heeft getroffen en heeft hij daar geen verklaring voor gegeven.

Gelet op het voorstaande is er volgens de advocaat-generaal dus sprake geweest van een geplande actie (voorbedachte raad) van verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven.

In het geval dat het hof op basis van de voorgaande bewijsmiddelen niet aan zal nemen dat er sprake is van een planmatige actie van verdachte, dan heeft de advocaat-generaal nog diverse andere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit geconcludeerd kan worden dat niet moet worden uitgegaan van een handelen van verdachte in een plotselinge gemoedsopwelling.

Zo was verdachte zo bang dat zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in gevaar zou komen dat hij de telefoon van [slachtoffer] heeft afgenomen en vervolgens vernield. Het was verdachte vanaf het moment dat hij [slachtoffer] heeft verkracht zonder enige twijfel duidelijk dat hij sporen op haar lichaam heeft achtergelaten, dat ze aangifte zou gaan doen en dat ook zijn opvallende uiterlijk tot snelle identificatie zou leiden. Daarmee zou niet alleen zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in gevaar komen maar zou ook een langdurige gevangenisstraf al dan niet in combinatie met een terbeschikkingstelling in beeld komen. Als verdachte deze consequentie zou willen aanvaarden was er geen enkele aanleiding om haar daarna niet te laten gaan, maar dat doet hij niet.

Verdachte heeft [slachtoffer] vastgebonden en over een behoorlijke afstand achter op zijn scooter vervoerd, zodat hij vanaf het moment van de verkrachting zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit om haar te doden. Bovendien werkte verdachte [slachtoffer] na de tocht op de scooter over een hekwerk heen en is hij zelf ook mee de bosschages ingegaan.

De advocaat-generaal heeft daarbij gewezen op de afstand van de plaats van de verkrachting tot de plek waar verdachte haar om het leven heeft gebracht – bij de meest waarschijnlijke route 3.400 meter – en op het tijdsbestek van ten minste 15 minuten waarin hij [slachtoffer] heeft vastgebonden, vervoerd, over het hek heen heeft geholpen en heeft meegenomen naar de plaats waar hij haar om het leven heeft gebracht.

Ook heeft de advocaat-generaal gewezen op de handelingen die verdachte na de dood van het slachtoffer heeft verricht en die duidelijk maken dat verdachte er alles aan was gelegen om haar lichaam voorgoed uit het zicht te laten verdwijnen. Zo heeft verdachte eerst een provisorisch graf gemaakt op de voormalige vliegbasis Soesterberg waarin hij het lichaam heeft verborgen en de dag erna heeft hij het lichaam vervoerd naar Zeewolde. Daar heeft hij het eerst schoongemaakt met chloor om, zoals verdachte zelf heeft verklaard, zijn sporen te wissen. Daarna heeft hij het lichaam daar begraven. Verdachte wilde aldus ten koste van alles voorkomen dat zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in gevaar zou komen.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal nog aangevoerd dat de lezing die verdachte heeft gegeven over het gebeurde op 29 september 2017 niet waar kan zijn. Als voorbeelden heeft de advocaat-generaal aangedragen dat verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht terwijl zij kleding droeg, terwijl op het wit/zwart gestreepte shirt dat zij aan had geen bloedspoor is gevonden. Ook heeft verdachte verklaard dat hij de sieraden die [slachtoffer] droeg op de avond van haar verdwijning en die later niet op haar lichaam zijn aangetroffen niet heeft gezien, terwijl het volstrekt onaannemelijk is dat die sieraden en dan met name de oorbellen die bevestigd waren in daarvoor in de oorlellen aangebrachte gaatjes, door het slachtoffer zelf zouden zijn afgedaan.

Het voorgaande brengt de advocaat-generaal tot de slotsom dat de levensberoving van [slachtoffer] niet in een opwelling is gepleegd, maar met voorbedachte raad en dat dus de moord wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat op basis van de onderzoeksresultaten niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van voorbedachte raad. De verdediging heeft ten aanzien van de verschillende onderzoeksresultaten het volgende aangevoerd.

Het uitschakelen van de telefoon van verdachte is niet bewust gebeurd. Volgens de verdediging is bekend dat er problemen zijn met het uitvallen van het type telefoon dat verdachte had en mocht de telefoon al bewust zijn uitgeschakeld, dan impliceert dat nog niet dat hij dit heeft gedaan omdat hij van plan was om iemand van het leven te beroven. Daarnaast kan op basis van de camerabeelden en de Verkeersongevallenanalyse (VOA) niet worden geconcludeerd dat verdachte [slachtoffer] op het bospad heeft staan opwachten en dat hij op dat moment van plan was om haar te doden.

Bovendien is – zoals verdachte heeft verklaard – niet onwaarschijnlijk dat hij door zijn beperkte zicht als gevolg van het beslagen vizier van zijn helm bij het verlaten van het bospad in botsing kwam met [slachtoffer] .

Daarnaast zijn de vermeende uitspraken die verdachte volgens diverse getuigen zou hebben gedaan te algemeen en ongericht en deels ook van te lang geleden om daarop het bewijs te baseren dat verdachte het voornemen had om [slachtoffer] of een ander te vermoorden.

Van de zoektermen die op de computer in de WA-Hoeve zijn ingevoerd en die worden aangehaald ter onderbouwing van de voorbedachte raad, is niet te achterhalen wie deze heeft ingevoerd.

Wat betreft de omstandigheid dat de patholoog heeft aangegeven dat er sprake is van meerdere snijbewegingen heeft de verdediging aangevoerd dat niet duidelijk is in welk tijdsbestek deze zijn toegebracht. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze in zo’n korte tijdspanne zijn toegebracht, dat verdachte niet de gelegenheid had na te denken over de betekenis van de gevolgen van zijn handelen en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

Ten slotte heeft de verdediging nog aangevoerd dat er volgens verdachte bloed op de kleding van [slachtoffer] moet zijn aangetroffen en als mogelijke verklaring dat dit niet is gevonden is aangevoerd dat door de regenjas die zij droeg de onderliggende kleding niet in aanraking is gekomen met bloed.

Volgens de verdediging dient bij de kwalificatie dan ook te worden uitgegaan van de verklaringen van verdachte die consistent zijn en niet bij voorbaat onwaarschijnlijk en welke verklaringen door diverse onderzoeksresultaten worden bevestigd.

Zo heeft verdachte verklaard dat hij de lampjes van de fiets van [slachtoffer] heeft stuk geslagen en zijn er delen van doorzichtig kunststof van een fietskoplamp aangetroffen die ondersteunen dat de verkrachting op die plek heeft plaatsgevonden. Daarnaast is gezien dat het hek is gebogen op de plaats waar verdachte met [slachtoffer] over het hek is geklommen, over welke “gebogen hek” verdachte ook heeft verklaard.

Ook is er door een bloedhond ‘getekend’ op de plaats waar verdachte van stelt dat hij het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij een gat in het hek heeft geknipt en is er ook een gat in het hek geconstateerd. Op diezelfde plaats wordt een deel van een veter met bloed teruggevonden waarover verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] met die veter heeft vastgebonden en deze daar heeft losgesneden.

Ten slotte heeft verdachte verklaard dat hij, nadat het slachtoffer was overleden, haar shirt van achter heeft opengesneden en dat dit ook door het NFI wordt geconstateerd.

De conclusie van de verdediging is aldus dat de dood van [slachtoffer] niet het gevolg is van een vooropgezet plan, waarbij verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, en dat verdachte vrijgesproken dient te worden van voorbedachte raad (moord).

Het oordeel van het hof

Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van voorbedachte raad en dus moord stelt het hof het volgende voorop.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Of in een bepaald geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan ook sterk af van de hiervoor bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.

Zoals hierboven vermeld gaat het om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval. Het hof zal daarom eerst de voor deze weging en waardering van belang zijnde omstandigheden vermelden, waar na de aanhouding van verdachte door de politie uitgebreid onderzoek naar is gedaan. Vervolgens zal het hof de verklaringen van verdachte bezien in het licht van de onderzoeksbevindingen. Daarna volgt de conclusie van het hof.

De mobiele telefoon van verdachte

Onderzoek dat betrekking heeft op het nummer van de mobiele telefoon die verdachte op 29 september 2017 in gebruik had, heeft uitgewezen dat de telefoon in de avond van 29 september 2017 drie keer is uitgegaan of uitgezet – een zogenaamde IMSI Detach – en één daarvan heeft plaatsgehad om 18:26:25 uur voor de duur van 159 minuten. Dat is ook nagenoeg hetzelfde tijdstip (immers: 18:26:46 uur) waarop verdachte op camerabeelden van de WA-Hoeve op een scooter wordt waargenomen, komende uit de richting van de locatie [adres] (het verblijfadres van verdachte).

Uit het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant] van 10 april 2018 blijkt dat de meest waarschijnlijke oorzaak van de IMSI Detach van 29 september 2017 te 18:26 uur door het fysiek uitzetten van de mobiele telefoon wordt veroorzaakt, dan wel doordat het toestel zichzelf uitzet vanwege een lage batterijspanning. Dit laatste wordt echter uitgesloten, omdat de telefoon later op de avond weer wordt aangezet en in gebruik is en deze tussentijds niet is opgeladen.

Het gereedschap dat verdachte bij zich had

Volgens de verklaring van verdachte had hij die bewuste avond van 29 september 2017 bij een oude boom een plastic tas verstopt met daarin gereedschap (een betonschaar, grote schroevendraaiers, een zaag en een mes) voor sloopwerkzaamheden in een oude keuken achter Altrecht. Volgens verdachte sloopten hij en anderen daar vaak oude metalen uit en leverden ze die in Soest in. Die avond van 29 september 2017 wilde hij dat ook gaan doen. Over de tiewraps heeft verdachte verklaard dat die zich in de buddyseat van zijn scooter bevonden, omdat hij samen met [getuige 5] oude fietsen opknapte en hij de tiewraps gebruikte om de verlichting van de fiets of de remkabels vast te zetten. Volgens verdachte lagen deze tiewraps toevallig in de scooter en lag de veter die hij ook heeft gebruikt bij het vastbinden van [slachtoffer] ook in de buddyseat.

Onderzoek naar ‘De oude keuken’

Op verzoek van de verdediging is onderzoek verricht in het pand ‘De oude keuken’ op het terrein van Altrecht te Den Dolder. Op basis van de verklaring van verdachte dat hij in genoemd pand plafondplaten van gips met behulp van een mes had verwijderd, is ter plaatse onderzocht of er überhaupt dergelijke platen aanwezig waren die met een mes waren ingesneden. In de kelder zagen de verbalisanten dat het plafond bestond uit een houten regelwerk met daaronder gipsplaten en dat delen van de gipsplaten waren verwijderd en verspreid lagen op de vloer en op aanwezige kasten. Bij diverse gipsplaten die nog aan het plafond aanwezig waren, was zichtbaar dat deze waren afgebroken na te zijn ingesneden.

Ook vertoonden diverse stukken gipsplaat die op een stalen kast lagen ingesneden randen.

De route

Er heeft een reconstructie plaatsgevonden waarbij onderzoek is gedaan naar de route die verdachte en [slachtoffer] gereden zouden hebben en naar de plaats waar zij elkaar getroffen kunnen hebben. Eerst is gekeken naar het kruispunt [kruispunt] (waar verdachte en [slachtoffer] elkaar voor het eerst hebben kunnen treffen) en uit de camerabeelden en de reconstructie blijkt dat ze daar bijna gelijktijdig moeten zijn aangekomen. Vervolgens is gekeken naar het kruispunt waar verdachte en [slachtoffer] volgens de verklaring van verdachte op elkaar gebotst zouden zijn.

Verdachte zou daar minimaal 4 minuten en 54 seconden en maximaal 8 minuten en 5 seconden eerder zijn aangekomen, waarbij is opgemerkt dat de verbalisant tijdens de reconstructie 30 seconden nodig had om vanaf het verharde fietspad het bospad op te rijden tot de boom waarachter verdachte, aldus zijn eigen verklaring, de plastic tas met gereedschap verstopt zou hebben.

De conclusie van de reconstructie is dat het scenario dat op deze plaats een aanrijding heeft plaatsgevonden zoals verdachte heeft verklaard – hoewel niet waarschijnlijk – niet is uit te sluiten.

De verklaringen van getuigen

Door de politie zijn diverse getuigen gehoord die hebben verklaard over uitspraken die verdachte gedaan zou hebben en die betrekking hebben op het verkrachten en/of doden en/of begraven van iemand. Zo heeft [getuige 2] , die met verdachte in de PI en in een PPC heeft gezeten, verklaard dat verdachte zou hebben gezegd dat hij iemand van kant ging maken zodra hij zijn vrijheden zou krijgen.

De getuige [getuige 1] , die met verdachte in de PI in Vught heeft gezeten, heeft verklaard dat verdachte veel over moord sprak en ook seksueel gefrustreerd was. Daarnaast heeft de getuige [getuige 5] , die met verdachte in Den Dolder zat, bij de politie verklaard dat hij samen met verdachte in juli of augustus 2017 aan het fietsen was, dat er een vrouw voorbij kwam joggen en verdachte daarover zei ‘Zullen we haar pakken?’. Volgens [getuige 5] zei verdachte daarop dat zij dan wel dood moest en dat was volgens de getuige, omdat ze het anders na kon vertellen. Deze verklaring heeft de getuige later ook in zijn verhoor tegenover de raadsheer-commissaris herhaald.

De getuige [getuige 3] , die met verdachte op dezelfde unit zat in Den Dolder en die zelf op een begraafplaats werkte, heeft verklaard dat verdachte hem eind augustus of begin september vroeg hoe diep hij moest graven, waarop de getuige hem vertelde dat er ongeveer 80 centimeter tot 1.20 meter tussen de grond en het lijk in moet zitten.

De zoektermen op de computer in de WA-Hoeve

Bij de doorzoeking in het pand [adres] in Den Dolder werden in een gezamenlijke ruimte twee desktop computers aangetroffen die ter beschikking stonden van de cliënten van de instelling en waar ook verdachte regelmatig gebruik van zou hebben gemaakt. Op één van de computers was als zoekgeschiedenis zichtbaar dat voorafgaand aan de dag van 29 september 2017 onder andere is gezocht op: ‘hoe maak je iemand dood’ (26 juli 2017), ‘girl get executed’ (10 augustus 2017) en ‘killing a human’ (11 september 2017).

Volgens de verklaring van verdachte is hij niet degene geweest die voornoemde zoekslagen voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] heeft gemaakt. Uit het onderzoek kon niet met zekerheid worden bepaald welke handelingen op de computers in relatie stonden tot specifieke gebruikers en dus ook niet tot verdachte.

De verklaringen van verdachte in het licht van de onderzoeksbevindingen

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen stelt het hof vast dat het hof ten aanzien van de gebeurtenissen na het treffen tussen verdachte en [slachtoffer] nagenoeg geheel afhankelijk is van de verklaringen van verdachte.

Het hof zal eerst de diverse onderdelen van de verklaringen van verdachte benoemen die niet worden weersproken door de onderzoeksbevindingen.

Zo heeft verdachte verklaard dat hij het slachtoffer haar telefoon heeft laten uitzetten en hij heeft deze vervolgens door midden gebroken. Van haar telefoon worden vanaf 19:29 uur geen data meer geregistreerd. Vervolgens stelt verdachte [slachtoffer] gedwongen te hebben het ruiterpad in te lopen, waar hij haar verkracht, zowel oraal, vaginaal als anaal. Bij het slachtoffer zijn rond haar anus bloeduitstortingen geconstateerd en er zijn in haar anus en mond spermacellen aangetroffen van verdachte. Verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer] na de verkrachting kans heeft gezien het mes van verdachte af te pakken en hem te verwonden aan zijn hand. Bij het onderzoek aan verdachte op 9 oktober 2017 wordt een wond aan zijn hand geconstateerd. Vervolgens zou verdachte het slachtoffer naar achteren hebben geduwd en zou zij hem hebben getrapt, waarop verdachte haar is gaan slaan. Bij onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] wordt geconstateerd dat een stuk van haar voortand is afgebroken. Tevens had zij een groot aantal bloeduitstortingen verspreid over haar lichaam.

Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] vervolgens aan haar handen heeft vastgebonden met tiewraps en een veter, dat hij met haar achterop zijn scooter is gaan rijden en dat hij, na eerst nog te zijn verdwaald, met haar over een hek heen is geklommen.

Op de plaats waarvan verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] over het hek heen is geklommen, wordt tijdens het onderzoek door de politie ook gezien dat het hekwerk aan de bovenzijde verbogen was. Tevens wordt in de directe omgeving op twee plaatsen een deel van een witte veter aangetroffen en op die veters wordt bloed aangetroffen. Op het ene deel van de veter is DNA van [slachtoffer] gevonden en op het andere stuk van de veter een DNA-mengprofiel van haar en verdachte.

Ten slotte wordt op de plek waar verdachte stelt [slachtoffer] gedood te hebben door een bloedhond ‘getekend’.

Daar staat tegenover dat op verschillende onderdelen de verklaringen van verdachte niet worden ondersteund door onderzoeksbevindingen en daarmee zelfs in tegenspraak zijn.

Het hof benoemt de meest in het oog springende onderdelen daarvan.

Zo heeft verdachte verklaard dat hij bloedde als een rund toen [slachtoffer] het mes had afgepakt en hem verwondde aan zijn hand en dat er daarna meteen een worsteling ontstond. Ook heeft hij verklaard dat het slachtoffer nog kleding droeg toen hij het mes langs haar keel haalde. Hij voelde een warme waas over zijn hand. In eerste aanleg heeft verdachte daarover nog verklaard dat hij veel bloed voelde stromen. Bij het forensisch onderzoek door het NFI op de aanwezigheid van bloed op het shirt dat [slachtoffer] ten tijde van het gebeurde droeg is echter geen bloed aangetroffen.

Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gedood door eenmaal het mes langs haar keel te halen, terwijl de patholoog die onderzoek heeft gedaan aan het lichaam van [slachtoffer] stelt dat het letsel aan de hals erop duidt dat er meerdere halen zijn gemaakt.

Voorts zijn de sieraden die [slachtoffer] moet hebben gedragen, haar kettinkje en oorbellen, tijdens het onderzoek nergens gevonden en verdachte heeft daar geen verklaring voor. Wel heeft hij ontkend die sieraden te hebben afgenomen en/of te hebben meegenomen.

Conclusie

Uit het voorgaande leidt het hof af dat verdachte die bewuste avond de kliniek heeft verlaten waar hij verbleef, terwijl hij in het bezit was van onder andere een mes en tiewraps en dat het meest waarschijnlijke scenario is dat hij zijn telefoon bij het verlaten van de kliniek zelf heeft uitgezet.

Net als de rechtbank kan ook het hof niet vaststellen dat verdachte op de avond van 29 september 2017 al bij het vertrek uit de kliniek het plan had opgevat om het slachtoffer of iemand anders van het leven te beroven. Dat hij zijn telefoon bewust heeft uitgezet en met een mes en tiewraps op pad ging betekent op zich nog niet dat hij toen al het plan had opgevat om een mogelijk slachtoffer om het leven te brengen.

Dat verdachte zich eerder tegenover anderen heeft uitgelaten over het verkrachten en doden van iemand en informatie zou hebben gevraagd over de diepte van het begraven van een persoon maakt dat niet anders. Die uitlatingen zijn immers te weinig specifiek en zijn deels ook gedaan enige tijd vóór de tenlastegelegde feiten waardoor ze in een verder verwijderd verband staan van de tenlastegelegde moord op 29 september 2017.

Ook de zoektermen die zijn gevonden op de computers in de kliniek waar verdachte de beschikking over kon hebben, kunnen niet gerelateerd worden aan het gepleegde feit, nu verdachte ontkend heeft deze voorafgaand aan 29 september 2017 te hebben opgezocht en ook onderzoek niet heeft uitgewezen dat juist deze verdachte aan die zoektermen gekoppeld kan worden.

Verdachte heeft die avond op enig moment [slachtoffer] getroffen, waarbij het hof opmerkt dat niet buiten redelijke twijfel vastgesteld kan worden dat verdachte haar bij het eerste kruispunt heeft gezien en haar later op het andere kruispunt heeft staan opwachten. Nu er geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit blijkt hoe het eerste contact tussen verdachte en [slachtoffer] is verlopen en de verklaring van verdachte op dit punt niet als zo onwaarschijnlijk terzijde kan worden geschoven, zijn er geen aanknopingspunten dat verdachte vanaf het moment dat hij [slachtoffer] heeft gezien op haar heeft staan wachten met het plan om haar op enig (later) moment te doden.

Het hof betrekt tevens de omstandigheid dat onderzoek in de oude keuken bij Altrecht heeft uitgewezen dat er inderdaad gipsplaten van het plafond met een mes waren ingesneden en dat dus niet uitgesloten kan worden dat verdachte het plan had om die avond in de oude keuken te gaan slopen en het gereedschap toen ook daarvoor door verdachte kan zijn meegenomen.

Het hof overweegt dat alleen de verdachte inzicht kan geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan.

In de verklaringen die verdachte tegenover de politie, de rechtbank en het hof heeft afgelegd, heeft hij steeds ontkend dat er van voorbedachte raad sprake is geweest. Verdachte heeft het in die verklaringen niet over een al eerder opgevat plan om [slachtoffer] om het leven te brengen. Volgens verdachte wilde hij haar na de verkrachting op een plek afzetten, waar hij zelf weg kon komen, maar toen [slachtoffer] begon te schreeuwen en er verderop iemand langs kwam fietsen en zij bleef schreeuwen, heeft verdachte het mes langs haar keel getrokken.

Gelet op wat hiervoor is overwogen over verdachtes verklaring in het licht van de onderzoeksbevindingen, kan het niet anders zijn dan dat onderdelen van zijn verklaring niet juist kunnen zijn.

Het hof kan echter niet uitsluiten dat de besluitvorming van verdachte om [slachtoffer] om het leven te brengen en de uitvoering daarvan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling of een plots opkomende hevige drift hebben plaatsgevonden, te weten ingegeven door de gebeurtenissen ter plaatse. Immers, het moment waarop het voornemen van verdachte is ontstaan om [slachtoffer] van het leven te beroven is op basis van objectieve gegevens niet vast te stellen en dus blijft ook onduidelijk wat het tijdsverloop is geweest dat met die besluitvorming gemoeid is geweest.

Daarmee is niet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Ook het feit dat verdachte heeft verklaard dat hij na de verkrachting tot aan de levensberoving van [slachtoffer] enige tijd met haar achterop zijn scooter heeft rondgereden en het feit dat er sprake is geweest van meerdere snijletsels en verdachte dus niet eenmaal het mes langs haar keel heeft gehaald doen hieraan niet af.

Het rondrijden met het slachtoffer achterop de scooter sluit nog steeds het handelen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling niet uit en het halen van het mes langs de keel heeft in een zeer korte tijdsspanne kunnen plaatsvinden. Verdachte heeft na de dood van het slachtoffer sporen gewist om te voorkomen dat die naar hem zouden (ver)wijzen. Dat dat onderstreept zoals de advocaat-generaal heeft betoogd dat de levensberoving niet in een opwelling heeft plaatsgevonden, is echter op geen enkele wijze gebleken.

Concluderend is het hof van oordeel dat de door de advocaat-generaal gestelde feiten en omstandigheden noch ieder voor zich, noch in onderlinge samenhang beschouwd tot de conclusie dwingen dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en dus zal verdachte worden vrijgesproken van de moord op [slachtoffer] (het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 primair tenlastegelegde).

Overweging met betrekking tot het bewijs in de zaak met parketnummer 16-652376-18

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot partiële vrijspraak van de mishandeling van AB2 (het bijten), zoals in de zaak met het hiervoor genoemde parketnummer onder feit 2 ten laste is gelegd, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat de inhoud van de aangifte van AB2 op het door verdachte weersproken punt dat hij hem gebeten heeft, wordt ondersteund door de verklaring van de getuige die heeft gezien dat zijn collega door verdachte in zijn rechterzij werd gebeten.

In de enkele ontkenning van verdachte ziet het hof geen aanleiding om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de hiervoor voornoemde verklaringen te twijfelen.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van verdachte.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 16-652376-18 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 16-707164-17:

1 subsidiair
hij in of omstreeks de periode van op 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk, meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (deels) in de keel/hals van die [slachtoffer] gesneden en/of gestoken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke voren omschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten verkrachting en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit en/of die feiten voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

2
hij in of omstreeks de periode van op 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden,

immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk wederrechtelijk

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, voor het gezicht, althans ter hoogte van het hoofd, van die [slachtoffer] gehouden, in elk geval die [slachtoffer] een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij haar telefoon aan hem moest geven, waarop die [slachtoffer] haar telefoon aan hem heeft gegeven dan wel hij de telefoon van die [slachtoffer] heeft afgepakt en/of

- (vervolgens) tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij met hem, verdachte, mee moest lopen en/of een pad aangewezen en/of gezegd dat die [slachtoffer] dat aangewezen pad in moest lopen, waarna die [slachtoffer] met hem dat aangewezen pad is ingelopen, en/of

- de handen van die [slachtoffer] (met een tiewrap en/of een veter) vastgebonden en/of

- die [slachtoffer] gedwongen om (met gebonden handen) op zijn scooter plaats te nemen en/of die [slachtoffer] vervolgens (met achterlating van haar fiets) meegenomen op die scooter en/of

- die [slachtoffer] naar een met een hek omheinde plek vervoerd en/of die [slachtoffer] over een hek getild.

3
hij in of omstreeks de periode van op 29 september 2017 tot en met 8 oktober 2017 in de gemeente Zeist en/of de gemeente Soest, althans in het arrondissement Midden-Nederland, in elk geval in Nederland, een of meermalen door geweld en/of een feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid bestaande uit

- het dreigen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp en/of

- het gebieden om mee te lopen naar een (uit het zicht gelegen) plek en/of

- het slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam en/of

- het gebieden om haar broek en/of onderbroek uit te doen, en/of

- het gebieden om op haar knieën te gaan zitten en/of

- het gebieden hem te pijpen

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de mond en/of vagina en/of anus van die [slachtoffer] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

zulks terwijl tijdens het plegen van voornoemd misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de verdachte tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf, dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Zaak met parketnummer 16-652376-18 (gevoegd):

1
hij op of omstreeks 8 februari 2018 omstreeks 12:30 uur, althans in de middag, te Utrecht AM1 en/of AM2 en/of AM3, (allen) medewerker(s) van het Pieter Baan Centrum, opzettelijk heeft mishandeld door:

- die AM1 tegens diens borst/ribben, althans diens lichaam, te schoppen en/of te trappen, waardoor die AM1 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

- die AM2 meermalen, althans eenmaal, tegen diens lichaam te slaan en/of te schoppen, althans door geweldshandelingen jegens die AM2 uit te oefenen, bestaande uit (het om zich heen) slaan en/of (het om zich heen) schoppen en/of trappen en/of het zich (met geweld) verzetten, althans (met geweld) trachten los te komen, waardoor die AM2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of - die AM3 meermalen, althans eenmaal, in diens schouder, althans lichaam te bijten en/of meermalen, althans eenmaal, tegen diens knie te trappen en/of te schoppen en/of meermalen, althans eenmaal, op/tegen diens hoofd en/of rug en/of schouder, althans lichaam te slaan, waardoor die AM3 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2
hij op of omstreeks 8 februari 2018 omstreeks 21:40 uur, althans in de avond, te Utrecht AB1 en/of AB2, (beveiligingsmedewerker(s)), opzettelijk heeft mishandeld door:

- die AB1 meermalen, althans eenmaal, tegen diens hoofd, althans diens lichaam, te slaan, waardoor die AB1 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, en/of

- die AB2 in diens (rechter)zij, althans diens lichaam, te bijten, waardoor die AB2 letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren.

Het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een in kracht van gewijsde gegane veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een soortgelijk misdrijf.

Het in de zaak met parketnummer 16-652376-18 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 16-652376-18 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Pro Justitia rapportages

Het hof heeft acht geslagen op het psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia uit het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 9 mei 2018 en het aanvullend onderzoek Pro Justitia van 26 april 2019, beide opgemaakt door J. Heerschop, GZ-psycholoog, en R.J.P Rijnders, psychiater. Op grond van het aanvullend onderzoek in 2019 concluderen de rapporteurs dat er geen aanleiding bestaat om de bevindingen en conclusies in de door hun opgemaakte PBC-rapportage van 9 mei 2018 aan te passen. In 2018 concludeerden de rapporteurs dat een gestoorde seksualiteitsbeleving of parafilie niet te onderbouwen viel en overigens evenmin uitsluitbaar was. In het aanvullend onderzoek stellen de rapporteurs dat het geheel van het onderzoek niet tot de conclusie leidt dat seksuele cognitieve vertekeningen bij verdachte aanwezig zijn noch dat hij voldoet aan de criteria van een seksuele stoornis.

Uit het rapport van 9 mei 2018 volgt dat verdachte kenmerken heeft die zowel onder de criteria van de borderline-persoonlijkheidsstoornis als de antisociale persoonlijkheidsstoornis vallen.

Enerzijds omschrijven de rapporteurs verdachte namelijk als een man die diepgaande problemen heeft met het beheersen van zijn impulsen, emoties en agressies. Zijn zelfbeeld is negatief en zijn persoonlijkheidsstructuur is zeer zwak. In zijn eigen beleving is verdachte in grote mate een speelbal van dagelijkse omstandigheden waarop hij meent een beperkte invloed te hebben, de gebeurtenissen overkomen hem als het ware. Zijn reactietendens volgt dan snel het agressieve scenario. Verdachte heeft voorts de sterke neiging prikkels op te zoeken, althans deze zeker niet te vermijden (prikkelzucht). De combinatie van impulsiviteit en prikkelzucht, gecombineerd met een agressieve, wraaklustige tendens ingeval hij meent te worden benadeeld, leidt ertoe dat verdachte makkelijk kan overgaan tot handelend agressief gedrag. Ondanks zijn normale intelligentie kan verdachte een spanningsvolle situatie niet altijd goed overzien. Naarmate de stress bij hem toeneemt, neigt verdachte ertoe de context waarin hij verkeert in paranoïde zin te evalueren, hetwelk weer een aanjager kan betekenen voor een vicieus proces met extra stressgevoelens en extra paranoïdie, dat voor hem aanleiding kan zijn tot agressief handelen. Zo een spanningsvolle situatie fors is én enige tijd aanhoudt dan kan het gebeuren dat verdachte een realiteitsdistortie ondergaat. Met andere woorden: op psychose gelijkende paranoïde gedachten krijgt.

Deze gedachten houden doorgaans niet heel lang aan, maar wel lang genoeg om op basis daarvan te handelen. Dit geheel van gedachten, gevoelens en gedragingen vloeit voort uit verdachtes zeer zwakke persoonlijkheidsstructuur.

Daarnaast zien de rapporteurs ook een berekenende, antisociale kant van verdachte. Verdachte is beperkt in zijn gewetensfuncties en in zijn empathie, stuurt bewust aan op verwervingscrimineel handelen, lijkt achteloos voorbij te gaan aan de belangen van derden, en is ook in staat over te gaan tot zogenoemde instrumentele agressie. Een dergelijke vorm van agressie is niet zozeer reactief impulsief, maar valt te omschrijven als meer planmatig en doelbewust, waarbij verdachte handelt middels intimidatie en/of slaan teneinde zijn positie duidelijk te maken of ter vergemakkelijking van verwervingscriminaliteit.

Gelet op het voorgaande worden in classificerende zin bij verdachte beide persoonlijkheidsstoornissen vastgesteld. Er is aldus volgens de rapporteurs bij verdachte sprake van zowel een borderline-persoonlijkheidsstoornis als ook van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Verdachtes persoonlijkheidsstoornis met zowel borderline als antisociale kenmerken geldt als een (ernstige) gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Het geheel aan verdachtes afhankelijkheid c.q. misbruik van middelen dient te worden beschouwd als een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rapporteurs stellen vast dat de gebrekkige en ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig waren in de aanloop en ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Voordat zij echter de vraag beantwoorden in hoeverre die gebrekkige en/of ziekelijke stoornis in de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde merken de rapporteurs op dat er ruimte bestaat voor interpretatieverschillen tussen hetgeen verdachte over het delictscenario verklaart en het beeld dat oprijst op grond van diverse opsporingsgegeven en collaterale informatie.

De rapporteurs schetsen vervolgens twee scenario’s. Het eerste scenario is met name gebaseerd op de verklaringen van verdachte, waarbij de feiten zijn gepleegd vanuit achterdocht, woede, impulsieve agressiviteit voortvloeiend uit verdachtes borderline persoonlijkheidsproblematiek.

Op grond van zijn borderline-persoonlijkheidsstoornis kan verdachte, zeker in tijden van stressbeleving en door zijn beperkte copingsvaardigheden, zeer impulsief reageren en doorschieten in achterdochtige gedachten, ernstige agressiviteit en wraakhandelingen. In dat kader kunnen de rapporteurs zich voorstellen dat verdachte zich zo heeft laten beïnvloeden door zijn – vanuit zijn borderline-persoonlijkheidsstoornis voortkomende – achterdocht, woede en ernstige impulsieve agressie dat hij de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Zo dit scenario heeft plaatsgevonden zien de rapporteurs daarin de pathologische persoonlijkheidsaspecten van verdachte naar voren komen die een vermindering van zijn wilsvrijheid inhouden en het onder 1 en 3 tenlastegelegde hem in verminderde mate valt toe te rekenen. De mate waarin het onder 2 tenlastegelegde verdachte valt toe te rekenen is voor de rapporteurs niet goed te bepalen. Zij kunnen zich voorstellen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was, maar ook licht verminderd dan wel geheel toerekenen kan tot de mogelijkheden behoren.

Het tweede scenario daarentegen lijkt uit te gaan van de met verdachtes verklaring contrasterende onderzoeksbevindingen, waarbij de feiten mogelijk zijn gepleegd uit een meer planmatig, doelbewust delictscenario voortvloeiend uit een antisociaal opportunistisch motief. De rapporteurs menen dat in dat geval verdachtes antisociale persoonlijkheidsstoornis veeleer centraal zou staan, hetwelk inhoudt dat hij waarschijnlijk niet dan wel mogelijk in zeer lichte mate werd beperkt in zijn wilsvrijheid en hij meer controlemogelijkheden had. Zo een dergelijk scenario aanwezig is geweest, dan adviseren de rapporteurs verdachte het onder 3 tenlastegelegde geheel of hooguit in licht verminderde mate toe te rekenen. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde merken de rapporteurs op dat zij niet kunnen exploreren of verdachte toentertijd een planmatige intentie had het slachtoffer te doden, voortvloeiend uit de antisociale kant van zijn persoonlijkheidsstoornis. Zo dit heeft gespeeld, dan menen de rapporteurs dat er dan ruimte bestaat om het onder 1 tenlastegelegde in grote mate dan wel geheel toe te rekenen.

De rapporteurs zijn derhalve – kort gezegd – van mening dat de ten laste gelegde feiten verdachte minder kunnen worden toegerekend wanneer zij zijn gepleegd vanuit achterdocht, woede, impulsieve agressiviteit voortvloeiend uit verdachtes borderline persoonlijkheidsproblematiek (eerste scenario), dan wanneer zij voortkomen uit een meer planmatig, doelbewust delictscenario voortvloeiend uit een antisociaal opportunistisch motief (tweede scenario).

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal gaat uit van het door de rapporteurs geschetste tweede scenario. Hij onderschrijft dan ook de conclusies uit het vonnis van de rechtbank dat de verdachte na de gestelde aanrijding in ieder stadium van de gebeurtenissen doelbewust en planmatig heeft gehandeld. De advocaat-generaal sluit zich tevens aan bij de conclusies van de rechtbank dat de ten aanzien van [slachtoffer] gepleegde feiten (parketnummer: 16-707164-17) licht verminderd aan verdachte kunnen worden toegerekend en dat de in het Pieter Baan Centrum gepleegde feiten (parketnummer: 16-652376-18) in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadslieden is – kort gezegd en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte voor alle ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

De rechtbank is er in ieder stadium van de gebeurtenissen vanuit gegaan dat verdachte doelbewust en planmatig heeft gehandeld (tweede scenario), maar er is geen wettig bewijs voorhanden waaruit die planmatigheid blijkt.

Het oordeel van het hof

In het rapport van 9 mei 2018 wordt bij verdachte zowel een borderline-persoonlijkheidsstoornis als een antisociale persoonlijkheidsstoornis vastgesteld, hetgeen geldt als een gebrekkige stoornis van de geestvermogens. De rapporteurs stellen dat deze gebrekkige stoornis als ook de vastgestelde ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig was in de aanloop en ten tijde van de ten laste gelegde feiten die zien op de feiten die gepleegd zijn op 29 september 2017.

Voor beantwoording van de vraag in hoeverre die gebrekkige en/of ziekelijke stoornis in de geestvermogens de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloedde zijn door de rapporteurs twee scenario’s geschetst.

Het hof leidt hieruit af dat het eerste scenario met name is gebaseerd op de verklaringen van verdachte en er aldus vanuit gaat dat verdachte heeft gehandeld vanuit achterdocht, woede en ernstige impulsieve agressie voortvloeiend uit de borderline-persoonlijkheidsstoornis van verdachte. In het tweede scenario daarentegen – dat uitgaat van een meer planmatig, doelbewust delictscenario – staat de antisociale persoonlijkheidsstoornis van verdachte veeleer centraal.

Het hof constateert – evenals de rechtbank – dat de verklaring van verdachte op een aantal punten niet wordt ondersteund door de zich in het dossier bevindende onderzoeksresultaten. Het hof acht het niet goed mogelijk om op basis hiervan een onderscheid te maken tussen de twee door de rapporteurs geschetste scenario’s. Nu zowel een borderline-persoonlijkheidsstoornis als een antisociale persoonlijkheidsstoornis bij verdachte is vastgesteld acht het hof het niet uitgesloten dat beide persoonlijkheidsstoornissen – ieder met zijn eigen kenmerken en dynamiek– een rol hebben gespeeld in de aanloop en ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De rapporteurs hebben immers geconcludeerd dat beide persoonlijkheidsstoornissen verdachtes gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed hebben ten tijde van het tenlastegelegde en zij hebben ook beschreven op welke manier dat gebeurde. Dat zij niet hebben aangegeven welke stoornis het meest waarschijnlijk van invloed is geweest op verdachte en/of welk delictscenario het meest aannemelijk is, maakt dat niet anders. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om een scheiding aan te brengen dan wel een keuze te maken tussen de twee persoonlijkheidsstoornissen van verdachte en daarvan te stellen dat die verdachte ten tijde van het tenlastegelegde (het meest) heeft beïnvloed.

Het hof volgt de conclusies van de rapporteurs en is gelet op het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat alle bewezen verklaarde feiten op zijn minst in licht verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, dus zowel de feiten die betrekking hebben op parketnummer 16-707164-17 als die betrekking hebben op parketnummer 16-652376-18.

Het hof overweegt daarbij dat het net als de rechtbank aanneemt dat de eerdergenoemde stoornissen ook aanwezig waren bij verdachte ten tijde van het plegen van de feiten die hebben plaatsgevonden in het Pieter Baan Centrum.

Nu niet is gebleken dat verdachte het bewezenverklaarde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

Vonnis van de rechtbank

In eerste aanleg is verdachte wegens gekwalificeerde doodslag, vrijheidsberoving, verkrachting en meermalen mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtentwintig jaren en is aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van moord, vrijheidsberoving en verkrachting van [slachtoffer] (parketnummer: 16-707164-17) en ten aanzien van de in het Pieter Baan Centrum gepleegde feiten (parketnummer: 16-652376-18) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achtentwintig jaren en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben opgemerkt dat in deze zaak door de rechtbank een uitzonderlijk hoge straf is opgelegd als deze wordt vergeleken met de straffen die zijn opgelegd in soortgelijke zaken. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het vonnis ten nadele van verdachte een aantal punten meegewogen, welke volgens de verdediging niet strafverzwarend dienen te werken, dan wel onjuist zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de raadslieden verzocht om ten voordele van verdachte rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zijn proceshouding en de gevolgen van alle media-aandacht.

De raadslieden hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat – kort gezegd en zakelijk weergegeven – er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Uit het onderzoek ‘Pollux’, dat is verricht na de aangifte van verdachte van bedreiging en zware mishandeling tijdens en na zijn aanhouding, is namelijk gebleken dat er aan verdachte niet de cautie is gegeven en dat er direct na de aanhouding van verdachte een aantal strafbare feiten jegens hem zijn gepleegd met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De raadslieden menen dat bij dit onherstelbaar vormverzuim strafvermindering een passende sanctie is. Er is daadwerkelijk nadeel (fysiek ongemak bestaande uit pijn en letsel), het nadeel is veroorzaakt door het verzuim (mishandeling), het nadeel is geschikt voor strafvermindering en strafvermindering is gerechtvaardigd in het licht van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim.

In dat kader heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij het horen van de bij appelschriftuur verzochte getuigen [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] en [getuige 11] . Met het horen van deze getuigen wenst de verdediging aan te tonen dat de mate van verwijtbaarheid aan het openbaar ministerie groter is dan in eerste instantie is aangenomen. In het kader van de beslissing aangaande het verweer betreffende artikel 359a Sv is dit van belang om de mate van verwijtbaarheid ofwel de ernst van het verzuim te kunnen wegen.

Alles overziende is door de raadslieden verzocht om een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Oordeel van het hof ten aanzien van het strafmaatverweer naar aanleiding van het onderzoek ‘Pollux’

Op maandag 9 oktober 2017 werd verdachte aangehouden als verdachte in de zaak van de vermissing van [slachtoffer] . Gelet op het zwaarwegende belang in deze zaak heeft het openbaar ministerie het arrestatieteam toestemming gegeven om verdachte direct na aanhouding en zonder het geven van de cautie naar de vind- en/of verblijfplaats van [slachtoffer] te vragen. Tevens is toestemming gegeven om verdachte stevig beet te pakken bij het overbrengen naar de arrestantenbus en het in de bus op zijn zitplaats zetten. Door het openbaar ministerie is expliciet aangegeven dat verdachte niet mocht worden mishandeld en dat er evenmin mocht worden gedreigd met mishandeling. De leidinggevende van het arrestatieteam meldt hierover dat is afgesproken dat het arrestatieteam de verdachte zeer strak zou aanpakken en hem fysiek onder controle zou houden zonder daarbij extra fysiek geweld te gebruiken.

Naar aanleiding van de aangifte van verdachte is er onderzoek gedaan door de rijksrecherche (onderzoek ‘Pollux’). Uit de verklaringen die in dat kader door diverse leden van het arrestatieteam zijn afgelegd blijkt dat verdachte in de arrestantenbus is geplaatst en dat hij daarbij een neopreenbril/blinderingskap opgezet heeft gekregen. In die bus is verdachte vervolgens gevraagd naar de vind- en/of verblijfplaats van [slachtoffer] . Daarbij is hem niet de cautie gegeven. Volgens de ondervraagden was daar door het openbaar ministerie toestemming voor gegeven. Er was echter geen toestemming gegeven voor het toepassen van geweld of dreiging met geweld, maar dat heeft wel plaatsgevonden.

Uit de verklaringen blijkt immers dat:

  • -

    tegen verdachte gezegd is dat de diensthond ingezet zou worden als verdachte de verblijfplaats van [slachtoffer] niet bekend zou maken en vervolgens is de diensthond met muilkorf bij het gezicht van verdachte gehouden, waarbij gedreigd werd dat de hond zou bijten als verdachte niet zou zeggen waar de verblijfplaats was;

  • -

    verdachte een pijnprikkel toegediend heeft gekregen doordat de handboeien een aantal keer stevig zijn vastgepakt en er aan is gedraaid om een pijnprikkel toe te passen;

  • -

    aan verdachte een foto van [slachtoffer] en een foto van zijn moeder zijn getoond terwijl hem gevraagd werd waar [slachtoffer] zich bevond.

Uit medisch onderzoek na de aanhouding van verdachte is gebleken dat bij hem sprake was van een zogenoemde avulsiefractuur. Die treedt op bij hevige trekkracht waarbij een stuk bot afscheurt.

De leden van het arrestatieteam hebben aangegeven dat zij niet kunnen verklaren hoe het letsel van verdachte heeft kunnen ontstaan. Over de gedraging waarover verdachte heeft verklaard ‘het aan de handboeien omhoog trekken waarbij een overstrekking van de armen heeft plaatsgevonden’ hebben zij verklaard dat dit niet heeft plaatsgevonden.

Gelet echter op de aangifte van verdachte in combinatie met het door het NFI uitgevoerde onderzoek naar de mogelijke oorzaak van de avulsiefractuur, acht het hof het – evenals de rechtbank – aannemelijk dat dit letsel tijdens het transport aan verdachte is toegebracht.

Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat er sprake is van een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het hof is van oordeel dat het bedreigen van verdachte met inzet van de diensthond als hij de vind- en/of verblijfplaats van [slachtoffer] niet bekend zou maken en het toepassen van dusdanig geweld dat dit heeft geleid tot een avulsiefractuur in de schouder van verdachte, moet worden aangemerkt als een vernederende en onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Het hof stelt voorts vast dat het bedreigen van verdachte met inzet van de diensthond en het toepassen van geweld tevens een schending van artikel 29, eerste lid, Sv oplevert en dat door het niet geven van de cautie artikel 29, tweede lid, Sv is geschonden.

Het hof constateert – net als de rechtbank – dat door schending van artikel 3 EVRM en artikel 29 Sv sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Bij de beantwoording van de vraag of aan dit verzuim enig rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, moet rekening worden gehouden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’ (I). De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’ (II). Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’ (III). Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.1

Vooropgesteld zij dat de Hoge Raad artikel 359a Sv in de eerste plaats ziet als een instrument om de verdachte te beschermen tegen inbreuken op zijn uit artikel 6 EVRM voortvloeiende rechten op een eerlijk proces. In het kader van het door de raadslieden gevoerde verweer dient het hof dus te beoordelen in hoeverre als gevolg van de schending van de eerder genoemde beginselen verdachte het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM is ontnomen.

Ten aanzien van het belang dat het geschonden voorschrift dient (I) overweegt het hof dat in artikel 3 EVRM is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Het belang van artikel 29, eerste lid, Sv is – kort gezegd – dat een verdachte een verklaring in vrijheid moet kunnen afleggen en het tweede lid van artikel 29 Sv omvat het recht om te zwijgen. Het hof stelt daarbij voorop dat niet elke schending van artikel 3 EVRM of artikel 29 Sv per definitie het recht op een eerlijk proces aantast, tenzij er sprake is van een door middel van die schending verkregen bewijsmiddel. Bewijsmateriaal waarvan dus niet kan worden gezegd dat dit is verkregen door de foltering of onmenselijke of vernederende behandeling, mag wel worden gebruikt.2 Uit het dossier blijkt niet dat de behandeling die verdachte bij zijn aanhouding heeft ondergaan, heeft geleid tot een voor zijn strafzaak belastende verklaring.

Ten aanzien van de ernst van het verzuim (II) overweegt het hof – net als de rechtbank – dat de aanhouding van verdachte onder zeer grote druk heeft plaatsgevonden, waarbij er op het moment van aanhouding van uit werd gegaan dat [slachtoffer] mogelijk nog in leven zou zijn. Er was sprake van een uiterst zorgelijke (nood)situatie en het verkrijgen van een verklaring van verdachte over haar verblijfplaats was mogelijk van levensbelang. Het hard aanpakken en onder druk zetten van een verdachte tijdens een ondervraging kan onder bijzondere omstandigheden noodzakelijk zijn.

Het hof merkt daarbij op dat uit het onderzoek van de rijksrecherche naar voren komt dat door diverse leden van het arrestatieteam is aangegeven dat de opdracht ongebruikelijk en daarmee uniek was. Het toepassen van deze methoden vindt echter zijn begrenzing waar deze overgaan in een behandeling die strijdig is met het bepaalde in artikel 29 Sv of in artikel 3 EVRM. Het onmenselijk behandelen van een verdachte tijdens een dergelijke ondervraging zoals in deze zaak is gebeurd, kan, hoe groot het belang daarvan ook is, in geen geval worden gerechtvaardigd.

Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt (III) overweegt het hof dat uit het dossier blijkt dat de toegepaste bejegening van verdachte, niet heeft geleid tot het afleggen van een voor zijn strafzaak relevante belastende verklaring. Verdachte heeft op vragen van het arrestatieteam waar [slachtoffer] was, immers geantwoord dat hij dat niet wist. Ook bij zijn inverzekeringstelling en in het eerste verhoor bij de politie heeft hij niet willen verklaren over zijn betrokkenheid bij de verdwijning van [slachtoffer] . Pas twee dagen na zijn aanhouding op 11 oktober 2017 heeft verdachte zelf bij het onderzoeksteam kenbaar gemaakt dat hij een verklaring wilde afleggen en vervolgens in het bijzijn van zijn raadsman een bekennende verklaring afgelegd en daarbij de plaats bekend gemaakt waar hij [slachtoffer] had begraven. De door verdachte afgelegde bekennende verklaring is dus niet het gevolg geweest van de schending van artikel 3 EVRM dan wel van de schending van artikel 29 Sv. Verdachte is door het gestelde nadeel niet in zijn verdediging geschaad.

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat verdachte als gevolg van het vormverzuim fysiek ongemak bestaande uit pijn en letsel heeft ondervonden en dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. In het kader van de beoordeling van dit strafmaatverweer dient het hof na te gaan of door de handelswijze van het arrestatieteam – zoals die bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken – een compensatie door matiging van de straf geboden is. Daarbij is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Zoals hiervoor al overwogen heeft verdachte door schending van artikel 3 EVRM en artikel 29, eerste lid, Sv een avulsiefractuur in zijn schouder opgelopen. Het hof is van oordeel dat een dergelijk gevolg – hoe ernstig ook – niet heeft geleid tot schending van het recht van verdachte op een eerlijk proces (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM) en dat verdachte ook in dit opzicht niet daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Naar het oordeel van het hof dient – gelet op de voorgaande overwegingen – in deze procedure te worden volstaan met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim. Het hof ziet aldus geen aanleiding tot strafvermindering zoals door de verdediging is bepleit. Het hof merkt daarbij op dat enige vorm van rechtsherstel voor de door verdachte geleden pijn en letsel mogelijk is in het kader van verschillende strafrechtelijke, civielrechtelijke en disciplinaire procedures die openstaan voor compensatie.

Het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen

Het hof heeft het verzoek tot het horen van de door de verdediging verzochte getuigen eerder afgewezen bij tussenarrest van 13 december 2018. Het hof ziet in het betoog van de verdediging geen aanleiding terug te komen op zijn eerdere beslissing, nu er door de verdediging aan het herhaalde verzoek geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd en hiervan evenmin is gebleken.3 Het hof herhaalt hier voor de volledigheid het in het tussenarrest gegeven oordeel.

Naar aanleiding van de aangifte van verdachte van bedreiging en het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door leden van het arrestatieteam is door de Rijksrecherche onderzoek gedaan onder de naam ‘Pollux’. In dat onderzoek zijn verklaringen afgelegd door de getuigen die de verdediging thans wenst te bevragen. Omtrent het specifieke punt waarop de verdediging deze getuigen wenst te ondervragen, hebben zij in het kader van voornoemd onderzoek verklaringen afgelegd. (…) Naar het oordeel van het hof wordt door middel van deze verklaringen in onderling verband en samenhang bezien voldoende duidelijk gerelateerd hoe de beslissing omtrent de wijze van aanhouding van verdachte tot stand is gekomen en wat daarbij de kaders waren waarbinnen die aanhouding diende plaats te vinden. Het hof merkt daarbij op dat er op enkele onderdelen in de verklaringen van de getuigen weliswaar verschillen zitten, maar dat ten aanzien van het essentiële onderdeel waarover de verdediging hen wenst te bevragen, te weten of er vanuit de plaatselijke top van het openbaar ministerie en de politie opdracht is gegeven voor toepassing van geweld door het arrestatieteam, zij allen hebben verklaard dat verdachte weliswaar stevig aangepakt diende te worden, maar dat de grens lag bij de toepassing van fysiek geweld. En hoewel op grond van de inhoud van het dossier, waaronder Pollux, aannemelijk is geworden dat er wel fysiek geweld heeft plaatsgevonden kort na de aanhouding van verdachte, blijkt uit de hierboven vermelde verklaringen van de verzochte getuigen op geen enkele wijze dat daarvoor door de plaatselijke top van het openbaar ministerie en de politie – in de personen van [getuige 6] en [getuige 7] – opdracht is gegeven of mee is ingestemd. De enkele veronderstelling van de verdediging dat een dergelijke opdracht of instemming mogelijk heeft plaatsgevonden is onvoldoende onderbouwing om nader onderzoek te doen. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat verdachte door de hiervoor genoemde personen niet als getuigen te horen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof zal het verzoek tot het horen van deze getuigen daarom afwijzen.

Strafoplegging

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – de volgende omstandigheden.

Op 29 september 2017 is [slachtoffer] tijdens een van de fietstochten die zij vaker maakte verdachte tegengekomen en vrij snel daarna is de nachtmerrie van iedere vrouw voor [slachtoffer] werkelijkheid geworden. Het ene moment was zij nog een mooie, jonge, zelfverzekerde vrouw die in de bloei van haar leven stond met mooie toekomstplannen en een heel leven voor zich. Na haar ontmoeting met verdachte is haar leven abrupt beëindigd.

Verdachte heeft van haar als ogenschijnlijk volstrekt willekeurig gekozen slachtoffer haar telefoon geëist en onklaar gemaakt, waarna hij haar onder bedreiging van een mes op verschillende manieren heeft verkracht. Zo heeft hij haar op een zeer vernederende wijze oraal, vaginaal en anaal verkracht. Na die verkrachting heeft hij haar eerst hard geslagen, omdat zij er – dapper genoeg – voor koos om het mes van verdachte af te pakken en hem daarmee te verwonden. Uit het forensisch onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte veel geweld tegen haar moet hebben gepleegd.

Verdachte heeft ervoor gekozen haar na die verkrachting niet te laten gaan. Hij heeft haar zijn helm opgezet en haar daarna, terwijl haar polsen door hem waren vastgebonden met tiewraps, op zijn scooter meegenomen voor een rit door het bos. Een voorstelling van wat [slachtoffer] gedurende die rit heeft moeten doormaken is nauwelijks te maken. Zij moet vreselijke doodsangsten hebben beleefd, ook in de wetenschap dat verdachte niet schuwde om (buitensporig) geweld tegen haar toe te passen, terwijl zij in een steeds donkerder wordend en nagenoeg verlaten bos niemand om hulp kon roepen en zich iedere seconde van die rit moet hebben afgevraagd wat hij verder met haar van plan was. Voor haar moet die ervaring in de laatste minuten van haar leven gruwelijk, angstaanjagend en mensonterend zijn geweest en de gedachte aan hetgeen zij heeft moeten doormaken moet op de nabestaanden een enorme impact hebben.

Verdachte is daarna bij een hek gestopt en hij heeft haar daar overheen geholpen en is daarna achter haar aan geklommen. De reden waarom hij haar toen niet heeft laten gaan blijft onduidelijk.

Daar op het terrein heeft hij een einde aan het leven van [slachtoffer] gemaakt door met een mes haar keel door te snijden. Hij heeft haar daar achtergelaten en is teruggekeerd naar de kliniek waar hij verbleef en waar niemand iets aan hem gemerkt heeft. Later die avond heeft verdachte het lichaam van [slachtoffer] provisorisch begraven. Nadat verdachte de daarop volgende dag chloor had gekocht, heeft hij verschillende delen van het lichaam van [slachtoffer] schoongemaakt om zo onder andere de sporen die hij met de verkrachting had achtergelaten te wissen en heeft hij haar in de auto van zijn moeder vervoerd naar de plaats waar hij een graf heeft gegraven en het lichaam van [slachtoffer] in heeft begraven.

Verdachte heeft [slachtoffer] het recht op leven ontnomen en daarmee blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens. Daarbij is de manier waarop hij met haar lichaam is omgegaan bijna niet te bevatten en daaruit blijkt ook het kille en berekenende handelen van verdachte.

Het heeft vervolgens bijna twee weken geduurd voordat verdachte de plaats heeft genoemd waar hij haar begraven heeft. In die tussenliggende tijd hebben niet alleen de ouders, de broer, de vriend, familie, vrienden en andere bekenden van [slachtoffer] in een haast onmenselijke spanning verkeerd over haar lot en hebben zij geleefd tussen hoop en vrees, maar een groot deel van de rest van Nederland was in de ban van haar verdwijning, de zoektocht en de vraag naar wat er met haar gebeurd zou kunnen zijn.

Voor de naasten van [slachtoffer] moet die periode onvoorstelbaar kwellend zijn geweest en verdachte had daar eerder duidelijkheid over kunnen geven. Volgens verdachte was hij echter boos over de wijze waarop hij was aangehouden en was dat de reden dat hij niet wilde verklaren. Het hof ziet ook dit als een voorbeeld van hoe verdachte zijn eigen gedachten, motieven en belangen vooropstelt en zich niet bekommert om de gevoelens of het welzijn van een ander.

Toen de nabestaanden na die periode geconfronteerd werden met de dramatische en harde werkelijkheid hebben zij afscheid moeten nemen van [slachtoffer] en werden zij geconfronteerd met een lichaam van een vrouw dat al in staat van ontbinding was, maar waarop nog wel de talrijke bloeduitstortingen en de doorgesneden hals te zien waren.

Een lichaam dat zij nauwelijks meer herkenden als dat van hun mooie dochter en zus.

Verdachte heeft met zijn handelen aan de ouders van [slachtoffer] , haar broer, haar grootouders, haar vriend en aan verdere naaste familie, vrienden en bekenden onnoemelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht.

Ter terechtzitting in hoger beroep hebben de vader, moeder, broer en mr. S.M. Diekstra namens de vriend van [slachtoffer] een slachtofferverklaring afgelegd. Deze nabestaanden hebben gesproken over de gevolgen die de door de verdachte gepleegde strafbare feiten bij hen teweeg hebben gebracht, waaronder het immense leed dat hen is aangedaan en het gemis dat zij nog steeds ervaren. Zij zullen daarnaast moeten leren leven met de vragen die onbeantwoord blijven, doordat verdachte op zijn minst genomen geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Zoals reeds is overwogen kan het namelijk niet anders dan dat onderdelen van de verklaring van verdachte niet juist kunnen zijn.

Daarnaast zijn dergelijke gruwelijke en gewelddadige feiten ook zeer schokkend voor de samenleving in het algemeen en zorgen ze voor gevoelens van angst en onveiligheid, niet in de laatste plaats voor vrouwen die net als [slachtoffer] zich vrij willen bewegen op welk moment dan ook.

In de periode dat verdachte in het PBC was geplaatst ter observatie naar aanleiding van de hiervoor genoemde feiten heeft hij zich op een dag schuldig gemaakt aan mishandeling van vijf medewerkers van het PBC. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en hun pijn en letsel toegebracht.

Ook deze feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd illustreren dat verdachte zijn eigen wil voorop plaatst en daarbij fysiek geweld niet schuwt om dat duidelijk te maken.

Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 april 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld.

Verdachte is op 9 oktober 2012 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor onder meer twee verkrachtingen in mei 2010.4 Verdachte heeft toen twee minderjarige meisjes in een kort tijdsbestek op verschillende manieren verkracht in het bijzijn van elkaar. Bij het bepalen van de strafmaat in die zaak heeft het hof rekening gehouden met de berekenende en nietsontziende wijze waarop de verkrachtingen hebben plaatsgevonden, met de wijze waarop verdachte zich gedurende de verkrachtingen heeft uitgelaten tegenover de slachtoffers en het feit dat verdachte het wapen waarmee hij heeft gedreigd ook daadwerkelijk heeft gebruikt. Het hof legde aan verdachte een gevangenisstraf op van in totaal 12 jaren. Echter, nog voordat deze gehele straf ten uitvoer was gelegd en vrijwel direct in de periode dat verdachte over enige beperkte vrijheden beschikte, heeft hij de onderhavige zeer ernstige feiten begaan.

Het hof houdt er – evenals de rechtbank – uitdrukkelijk rekening mee en rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij heeft gerecidiveerd tijdens zijn detentiefasering, nog voor de ingangsdatum van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Met de omstandigheid dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte in de voornoemde zaak is herroepen zal het hof bij de strafoplegging in deze zaak geen rekening houden.

Het hof ziet de omstandigheid dat verdachte twee dagen na zijn aanhouding, nadat hij werd geconfronteerd met de toen aanwezige onderzoeksresultaten, de vindplaats van het lichaam van [slachtoffer] bekend heeft gemaakt geen aanleiding tot strafmatiging, zoals door de verdediging is verzocht, mede in het licht van de omstandigheid zoals hiervoor overwogen dat verdachte op andere punten op zijn minst genomen geen volledige openheid van zaken heeft willen geven.

De verdediging heeft terecht opgemerkt dat deze zaak en ook deze verdachte veel aandacht heeft gekregen in de media. De publiciteit is begonnen in de periode van de verdwijning en de zoektocht naar [slachtoffer] en is daarna mede veroorzaakt door de afschuwelijke feiten die bekend zijn geworden en de berichtgeving over verdachte en het verloop van zijn detentie in het kader van zijn eerdere veroordeling.

Naar het oordeel van het hof maakt de mediabelangstelling voor de persoon van verdachte niet dat dit gevolgen zou moeten hebben voor de strafoplegging.

Over het verweer van de verdediging dat door de rechtbank geen aansluiting is gezocht bij vergelijkbare uitspraken merkt het hof op dat zaken als de onderhavige zo uitzonderlijk zijn dat er van vergelijkbare gevallen niet of nauwelijks sprake is. Niet alleen gaat het hier om uitzonderlijk gruwelijke en ernstige feiten, maar ook de persoon van verdachte is moeilijk te vergelijken, mede gelet op zijn specifieke recidive. Daarnaast is een vergelijking lastig te maken ook al doordat de door de verdediging aangehaalde zaken deels hebben plaatsgevonden voor de verhoging van het strafmaximum en onder meer verschillen in kwalificaties, ouderdom van de feiten of opgebouwd strafblad. Het hof komt dan ook niet toe aan enige vergelijking met andere strafzaken.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat – ter vergelding van

de bewezen verklaarde feiten alsmede ter bescherming van de maatschappij – oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en noodzakelijk is. Met de rechtbank overweegt het hof dat de wetgever voor gekwalificeerde doodslag (evenals voor moord) als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren heeft gesteld.

Wanneer een tijdelijke gevangenisstraf wordt opgelegd is het tevens mogelijk om naast die gevangenisstraf een bijkomende maatregel, zoals de maatregel van terbeschikkingstelling, op te leggen. Het hof zal zich daarom eerst uitlaten over de vraag of de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd.

Maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege

Een verdachte bij wie tijdens het begaan van een feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is dat wordt genoemd in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

Uit het rapport van 9 mei 2018, opgemaakt door J. Heerschop, GZ-psycholoog, en R.J.P Rijnders, psychiater, volgt dat verdachte een man is met een ernstige antisociale en borderline-persoonlijkheidsstoornis met een gestoorde stressbeteugeling, paranoïde ideaties tijdens stressbeleving waardoor zijn copingsvaardigheden ernstig onder druk staan, impulsieve agressiviteit en wraakgedachten.

De rapporteurs zien op grond van verdachtes persoonlijkheidsstoornissen een pathologisch bepaald hoog recidiverisico op een geweldsdelict en op een zedendelict. Met behulp van de risicotaxatie-instrumenten komen de rapporteurs tot de conclusie dat verdachte een zeer hoog risico heeft op een nieuw zedendelict en dat bij verdachte moet worden gesproken van een hoog risico op herhaling van geweld, met daarbij ook een hoog risico op ernstig lichamelijk letsel. In de visie van de rapporteurs dient vanwege deze recidiverisicotaxatie afgezet tegen verdachtes ernstige gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis een behandeling in een strafrechtelijk kader plaats te vinden. Zij adviseren daarom om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen.

Door de reclassering is in het reclasseringsadvies van 31 mei 2018 aangesloten bij dit advies.

Het hof is van oordeel dat gelet op het hiervoor overwogene, en gelet op de vastgestelde gebrekkige en ziekelijke stoornis van de geestvermogens van verdachte, de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde, de eerdere veroordelingen wegens ernstige (zeden)delicten en hetgeen het hof overigens uit het verhandelde ter zitting is gebleken omtrent de persoon van verdachte, sprake is van een aanzienlijk gevaar voor recidive van ernstige feiten, als thans bewezenverklaard.

Het hof betrekt daarbij dat de door verdachte begane feiten (onder parketnummer 16-707164-17) misdrijven betreffen vermeld in artikel 37a, lid 1 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. Het hof stelt op basis van hetgeen hiervoor is overwogen vast dat is voldaan aan de vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling.

Het hof acht het niet verantwoord dat verdachte – na een langdurige gevangenisstraf en zonder dat het recidivegevaar is weggenomen – terugkeert in de maatschappij. Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben J. Heerschop en R.J.P Rijnders aangegeven dat behandeling van verdachte mogelijk is, waarbij R.J.P Rijnders stelt dat niet is uitgesloten dat bij intensief behandelen goed resultaat te verwachten is en behandeling van verdachte tevens wenselijk is vanuit veiligheidsperspectief. Het hof is mede daarom van oordeel dat behandeling en daarmee het terugdringen van het recidiverisico voor verdachte niet anders kan plaatsvinden dan binnen het kader van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het hof zal dan ook – naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur – deze maatregel opleggen.

Omdat het een misdrijf betreft dat gericht was tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zal het hof de terbeschikkingstellingsmaatregel niet gemaximeerd aan de verdachte opleggen.

Conclusie

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achtentwintig jaar met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege – zoals opgelegd door de rechtbank en thans gevorderd door de advocaat-generaal – passend en geboden is.

Alleen deze straf kan leiden tot adequate vergelding van het leed dat verdachte [slachtoffer] en haar nabestaanden heeft aangedaan en tot vereffening van de schade die verdachte door de bewezen verklaarde feiten de rechtsorde heeft toegebracht. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de op zijn minst licht verminderende toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Net als voor de rechtbank is dit voor het hof de enige omstandigheid die een enigszins matigend gevolg heeft voor de op te leggen gevangenisstraf.

Van de hiervoor genoemde factoren die het hof bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft betrokken, heeft het hof met name de recidive zeer zwaar laten meewegen. Dat verdachte de zeer ernstige feiten heeft gepleegd, terwijl hij nog een langdurige straf uitzat voor soortgelijke feiten en nog niet eens in vrijheid was gesteld, maakt in samenhang met de andere factoren, dat niet anders dan een zeer langdurige vrijheidsstraf opgelegd dient te worden. Een straf die slechts een uitermate beperkte matiging kent ten opzichte van de maximaal op te leggen gevangenisstraf. Voor een effectieve bescherming van de maatschappij is oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege tevens noodzakelijk.

De vorderingen van de benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] (de vader van [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Deze bedraagt € 75.359,38 en bestaat uit de volgende posten:

 uitvaartkosten € 14.059,44

 reiskosten € 914,94

 shockschade immaterieel € 40.000,00

 shockschade materieel € 385,00

 affectieschade € 20.000,00

De benadeelde partij heeft daarbij gevraagd om het bedrag dat de benadeelde partij heeft uitgekeerd gekregen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, te weten een bedrag van

€ 12.500,00, niet in mindering te brengen op de vordering.

Tevens heeft de benadeelde partij ex artikel 6:119 lid 1 BW verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Ook heeft de benadeelde partij verzocht om naast de veroordeling van verdachte tot betaling van het voornoemde bedrag de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 55.359,38

bestaande uit de gevorderde uitvaartkosten, reiskosten, materiele shockschade en het bedrag van de gevraagde immateriële shockschade.

De rechtbank heeft de post die ziet op de gevraagde affectieschade afgewezen met als onderbouwing dat op het moment dat de rechtbank daarover diende te oordelen een wettelijke regeling voor vergoeding van affectieschade ontbrak en dat ook in de door de benadeelde partij aangehaalde Richtlijn 2012/29 EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten (PbEU 14 november 2012, L 315) geen grondslag gevonden kan worden voor toewijzing van deze schade.

Ook heeft de rechtbank niet vooruit willen lopen op de wetgeving die de vergoeding van affectieschade wel mogelijk maakt, maar ten tijde van het vonnis van de rechtbank nog niet in werking was getreden. Tenslotte heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat in het wetsvoorstel geen terugwerkende kracht wordt toegekend aan de wet na inwerkingtreding daarvan.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Het hof heeft derhalve te oordelen over het totale gevorderde bedrag van € 75.359,38.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] (de moeder van [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Deze bedraagt € 61.160,27 en bestaat uit de volgende posten:

 reiskosten € 775,27

 shockschade immaterieel € 40.000,00

 shockschade materieel € 385,00

 affectieschade € 20.000,00

De benadeelde partij heeft daarbij gevraagd om het bedrag dat de benadeelde partij heeft uitgekeerd gekregen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, te weten een bedrag van

€ 5.000,00, niet in mindering te brengen op de vordering.

Tevens heeft de benadeelde partij ex artikel 6:119 lid 1 BW verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Ook heeft de benadeelde partij verzocht om naast de veroordeling van verdachte tot betaling van het voornoemde bedrag de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 41.160,27 bestaande uit de gevorderde reiskosten, de materiele shockschade en het bedrag van de gevraagde immateriële shockschade. Daarnaast heeft de rechtbank de post die ziet op de gevraagde affectieschade afgewezen op dezelfde gronden als hiervoor zijn weergegeven ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Het hof heeft derhalve te oordelen over het totale gevorderde bedrag van € 61.160,27.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij [benadeelde 3] (de broer van [slachtoffer] ) heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Deze bedraagt € 78.335,00 en bestaat uit de volgende posten:

 shockschade immaterieel € 40.000,00

 shockschade materieel

o zorgkosten € 385,00

o studievertraging € 20.450,00

 affectieschade € 17.500,00

De benadeelde partij heeft daarbij gevraagd om het bedrag dat de benadeelde partij heeft uitgekeerd gekregen van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, te weten een bedrag van

€ 5.000,00, niet in mindering te brengen op de vordering.

Tevens heeft de benadeelde partij ex artikel 6:119 lid 1 BW verzocht het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Ook heeft de benadeelde partij verzocht om naast de veroordeling van verdachte tot betaling van het voornoemde bedrag de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.835,00, bestaande uit de gevorderde materiele shockschade en de helft van het bedrag van de gevraagde immateriële shockschade.

De rechtbank heeft ten aanzien van deze laatstgenoemde post overwogen dat slechts de helft van het gevraagde bedrag van € 40.000,00 voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de benadeelde partij, anders dan zijn ouders die als benadeelde partij beiden het gehele gevraagde bedrag toegewezen hebben gekregen, geconfronteerd is met een foto van zijn overleden zus en niet met het stoffelijke overschot zelf en aan te nemen is dat de shockschade als gevolg van deze verschillende confrontaties anders is.

Daarnaast heeft de rechtbank de post die ziet op de gevraagde affectieschade afgewezen op dezelfde gronden als hiervoor zijn weergegeven ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] .

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Het hof heeft derhalve te oordelen over het totale gevorderde bedrag van € 78.335,00.

De onderbouwing van de vorderingen van de benadeelde partijen

De raadsvrouw van de benadeelde partijen, mr. Jager, heeft ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep verwezen naar de schriftelijke toelichtingen die zich in het dossier bevinden.

Ter onderbouwing van het deel van de vordering dat ziet op de shockschade is in die schriftelijke toelichtingen aangevoerd dat de benadeelde partijen vanwege de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van de door verdachte gepleegde gruwelijke misdrijven ernstig en mogelijk blijvend psychisch letsel hebben opgelopen.

Zo zorgde niet alleen de vermissing van hun dochter en zus al voor een hevige shock en daarmee gepaard gaande ernstige psychische klachten, maar ook de sporen van geweld waren overduidelijk zichtbaar toen de benadeelde partijen afscheid namen van [slachtoffer] .

Daarbij werden steeds meer gruwelijke feiten bekend na verloop van tijd, hetgeen heeft geleid tot herbelevingen van pijn en angst, een trauma van de ergste soort. De conclusie is dan ook dat verdachte niet alleen jegens [slachtoffer] onrechtmatig heeft gehandeld, maar ook jegens haar familieleden, zodat op verdachte de verplichting rust de schade die met het geestelijk letsel verband houdt te vergoeden. Wat betreft de omvang van de shockschade is door de benadeelde partijen aansluiting gezocht bij de uitspraak door de civiele rechter in de zaak van de vader van Marianne Vaatstra, waar aan hem een bedrag van € 40.000,00 aan shockschade is toegewezen.

Ten tijde van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep heeft mr. Jager ten aanzien van de shockschade nog aangevoerd dat er geen sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding, zoals de verdediging heeft gesteld, nu de deskundigen hebben aangegeven waar het letsel van de nabestaanden uit bestaat en de nabestaanden ter terechtzitting hebben aangegeven hoe zij er aan toe zijn en dat er nog steeds beelden in hun hoofd opdringen van de inhumane gruwelijkheden die [slachtoffer] heeft moeten ondergaan.

Daarbij heeft mr. Jager ook gewezen op het overzichtsarrest van de Hoge Raad omtrent de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019, waarin de Hoge Raad onder andere heeft overwogen dat de wetgever met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen binnen het strafproces heeft beoogd te voorzien in een eenvoudige en laagdrempelige procedure en dat met het overzichtsarrest beoogd wordt te voorkomen dat de strafrechter vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding.

Ten slotte heeft de raadsvrouw nog gewezen op de overweging van de Hoge Raad dat de vordering van de benadeelde partij strekkende tot vergoeding van zogenaamde ‘shockschade’ niet uitsluit dat deze vordering zich leent voor behandeling in een strafgeding. De conclusie van mr. Jager is dat er geen reden is om op dit punt af te wijken van de rechtbank.

Ten aanzien van de gevorderde schade die ziet op affectieschade heeft de raadsvrouw naast een verwijzing naar de schriftelijke onderbouwing, nog aangevoerd dat de nabestaanden menen dat er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen reden mag zijn om de vordering op dit punt af te wijzen of terughoudend om te gaan met de nieuwe wet die in werking is getreden.

Ten slotte heeft mr. Jager als reactie op een verweer van de verdediging nog aangevoerd dat er geen vergoeding is vanuit de minister aan de nabestaanden.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangegeven dat hij zich grotendeels kan vinden in de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen en de daaraan te koppelen schadevergoedingsmaatregelen. Volgens de advocaat-generaal komt de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] ten aanzien van de gehele gevorderde shockschade voor vergoeding in aanmerking. De advocaat-generaal heeft nog opgemerkt dat het criterium waar het hof aan dient te toetsen ten aanzien van de post die ziet op shockschade is of er sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding. Voor een vergoeding van de gevraagde affectieschade ziet de advocaat-generaal geen ruimte, gelet op het oorspronkelijk wettelijk kader dat van toepassing is. De benadeelde partijen dienen in dat deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde uitvaartkosten, reiskosten en materiele shockschade.

Wat betreft de gevorderde immateriële shockschade is het standpunt van de verdediging dat al dan niet toewijzen en het bepalen van de hoogte hiervan juridisch en feitelijk gecompliceerd ligt en zich daardoor niet leent voor behandeling in deze strafzaak.

De verdediging heeft daarbij verwezen naar de uitspraak in de strafzaak tegen de verdachte die veroordeeld is wegens verkrachting en de moord op Marianne Vaatstra en het hof verzocht de benadeelde partijen op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren. Ook heeft de verdediging als bijkomende complicerende factor gewezen op de omstandigheid dat de Minister van Rechtsbescherming na publicatie van de onderzoeksrapporten heeft aangegeven dat hij met de nabestaanden in gesprek zal gaan over een eventuele schadevergoeding. Nu de verdediging niet kan overzien hoe deze schadevergoeding zich verhoudt ten opzichte van de gevorderde schade in het strafgeding is dat reden temeer om deze post niet-ontvankelijk te verklaren.

In het geval het hof de benadeelde partijen op dit punt wel ontvankelijk acht, dan heeft de verdediging met een verwijzing naar jurisprudentie, waar aanzienlijk lagere bedragen werden toegewezen dan in de onderhavige zaak in eerste aanleg, verzocht om daarbij aansluiting te zoeken en de door de rechtbank toegewezen bedragen te matigen en de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de verdediging het hof verzocht deze niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de huidige regeling niet voorziet in toekenning van een vergoeding van affectieschade met terugwerkende kracht en ook uit verschillende uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven blijkt dat niet is geanticipeerd op de inmiddels van kracht zijnde wetgeving. De verdediging heeft daarbij ook nog gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, waarin is bepaald dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat affectieschade niet met terugwerkende kracht wordt toegewezen.

Ten slotte heeft de verdediging nog verzocht om net als de rechtbank de vervangende hechtenis die verbonden wordt aan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel te bepalen op een dag, omdat het anders in de praktijk zou neerkomen op een verkapte gevangenisstraf.

Het oordeel van het hof

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest en omdat de verschillende vorderingen grotendeels dezelfde posten bevatten, zal het hof de vorderingen van de benadeelde partijen hieronder gezamenlijk bespreken.

Uitvaartkosten

Door de benadeelde partij [benadeelde 1] is een bedrag van € 14.059,44 aan materiele schadevergoeding gevorderd, bestaande uit de kosten voor de uitvaart en crematie van zijn overleden dochter. De benadeelde partij is een nabestaande van het slachtoffer en op grond van artikel 6:108 BW kan degene die de kosten voor de lijkbezorging heeft gedragen, deze kosten vorderen van de aansprakelijke persoon.

De gevorderde schadevergoeding met betrekking tot de kosten voor de uitvaart en de crematie is niet betwist en bovendien is de vordering onderbouwd door middel van een factuur. Het gevraagde bedrag van € 14.059,44 zal worden toegewezen.

Reiskosten

De door de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gevorderde reiskosten als gevolg van de vermissing en de daaropvolgende juridische procedure van respectievelijk

€ 914,94 en € 775,27 zijn ook niet betwist, voldoende onderbouwd en de gevraagde bedragen komen het hof niet onredelijk voor. De gevorderde bedragen zullen dan ook worden toegewezen.

Shockschade materieel

eigen risico zorgkosten

Door de benadeelde partijen is telkens een bedrag van € 385,00 gevorderd als vergoeding van het eigen risico van de zorgverzekering. Blijkens de toelichting op de gevorderde schade en de bijgevoegde stukken blijkt dat zij alle drie onder behandeling zijn van een psychotherapeut.

Met de rechtbank acht het hof het aannemelijk dat bij de benadeelde partijen het eigen risico als gevolg van de behandelingen van de benadeelde partijen door hun psychotherapeuten geheel is aangesproken.

Het hof zal dan ook aan de benadeelde partijen telkens een bedrag van € 385,00 toewijzen.

studievertraging

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een bedrag van € 20.450,00 gevorderd vanwege de studievertraging die in het jaar 2017/2018 is ontstaan na de feiten die zijn zus zijn aangedaan. De gevorderde schadevergoeding is onderbouwd met een verklaring van de studentendecaan, waaruit blijkt dat de benadeelde partij een studievertraging heeft opgelopen van twaalf maanden.

Door de verdediging is de schade niet betwist en het gevraagde bedrag komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond over. Het gevorderde bedrag van € 20.450,00 zal dan ook worden toegewezen.

Shockschade immaterieel

Door de benadeelde partijen is telkens € 40.000,- aan immateriële shockschade gevorderd.

Het hof stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Ontvankelijkheid

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat al dan niet toewijzen van deze post en het bepalen van de hoogte hiervan geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Het hof heeft daarbij gelet op hetgeen namens de verdediging ter betwisting van de vordering is aangevoerd. De verdediging heeft enkel gesteld dat al dan niet toewijzen en het bepalen van de hoogte van de shockschade juridisch en feitelijk gecompliceerd ligt en zich daardoor niet leent voor behandeling in deze strafzaak. Daarbij is verwezen naar een andere strafzaak – die tegen de verdachte van de verkrachting en de moord op Marianne Vaatstra –, en de verdediging heeft nog gewezen op een eventuele schadevergoeding die vanuit de minister zou volgen.

Het hof stelt vast dat van de zijde van de verdediging op zichzelf niet gemotiveerd is betwist dat de benadeelde partijen ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade hebben geleden. De verdediging heeft de volgende elementen die vereist zijn voor de vaststelling van de aansprakelijkheid immers niet betwist: de onrechtmatigheid, de verwijtbaarheid, het causaal verband tussen daad en schade en de relativiteit. Bovendien is daarbij ook niet verzocht om nog getuigen of deskundigen te horen of nader onderzoek te laten verrichten naar bijvoorbeeld de diagnose of het behandelverloop.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn in hun vorderingen ten aanzien van de post die ziet op shockschade.

Beoordeling van de vordering

In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de benadeelde partijen een nauwe en affectieve relatie hadden met hun dochter respectievelijk zus. Dat hetgeen waarmee de benadeelde partijen zijn geconfronteerd een hevige schok teweeg heeft gebracht, is door de verdediging evenmin betwist.

Dat laatste volgt ook uit hetgeen door en namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] en

[benadeelde 2] , zijnde de ouders van [slachtoffer] , en de benadeelde partij [benadeelde 3] , zijnde de broer van [slachtoffer] , naar voren is gebracht. Nadat zij eerst langere tijd in grote onzekerheid hebben geleefd omtrent haar lot, zijn zij, nadat het lichaam van hun dochter en zus was gevonden, geconfronteerd met de ernstige gevolgen van de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid en de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden. De confrontatie bestond voor de ouders van [slachtoffer] uit het aanschouwen van het lichaam van hun dochter dat bijna twee weken begraven was geweest. De persoonlijke kenmerken van hun dochter waren op dat moment nauwelijks nog herkenbaar, terwijl de sporen van het geweld dat op haar was uitgeoefend nog wel zichtbaar waren.

De broer van [slachtoffer] is weliswaar niet feitelijk en direct met het stoffelijk overschot van zijn zus geconfronteerd – hetgeen hem overigens ook met klem was afgeraden door zijn ouders en maatschappelijk werkers en welk advies hij heeft gevolgd – maar heeft wel foto’s gezien, waarop ook sporen van het op zijn zus toegepaste geweld zichtbaar moeten zijn geweest. Daarbij komt dat door de zeer uitgebreide media-aandacht voor de zaak, die tijdens de zoektocht naar [slachtoffer] al begon en na de vondst van haar lichaam onverminderd door is gegaan, de benadeelde partijen voortdurend worden geconfronteerd met de details van deze zaak en zij zijn ook in het kader van de behandeling van de strafzaak zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en de daarmee gepaard gaande media-aandacht voortdurend geconfronteerd met alle details uit het dossier.

De feiten en omstandigheden die de broer van [slachtoffer] na de vondst van het lichaam van zijn zus bekend zijn geworden en de foto’s die hij van haar heeft gezien nadat ze gevonden is, maken dat het onvermijdelijk is dat hij zich een voorstelling heeft kunnen maken van wat zijn zus is aangedaan en van de toestand waarin zijn zus zich na het geweld en de levensberoving bevond.

Naar het oordeel van het hof zijn de beelden die hierdoor bij de broer van [slachtoffer] zijn opgeroepen, vergelijkbaar met de feitelijke en directe waarneming van de gevolgen van de misdrijven zoals zijn ouders die hebben gedaan.

Dat hetgeen waarmee de benadeelde partijen zijn geconfronteerd een hevige schok teweeg heeft gebracht, wat heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld, is door de verdediging ook niet betwist.

Dat van een dergelijk geestelijk letsel sprake is volgt ook uit de toelichting op de gevorderde immateriële schade en de bijgevoegde stukken van onder andere de psychotherapeuten waar de benadeelde partijen onder behandeling staan. Volgens de therapeuten heeft de confrontatie met het gedode lichaam van hun dochter voor [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , en in het geval van [benadeelde 3] de beelden van wat zijn zus moet hebben meegemaakt, geleid tot ernstige psychische gevolgen bij de benadeelde partijen, in de vorm van een medisch vastgesteld psychiatrisch ziektebeeld te weten een posttraumatische stressstoornis.

Naar het oordeel van het hof is aldus vast komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks immateriële schade in de vorm van shockschade hebben geleden.

Begroting van de schade

De volgende vraag is in welke omvang dit gedeelte van de vorderingen kan worden toegewezen. Ingevolge art. 6:106 lid 1 BW dient het smartengeld door de rechter naar billijkheid vastgesteld te worden. Die vaststelling geschiedt, zoals hiervoor overwogen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op vergelijkbare gevallen.

In het onderhavige geval acht het hof het volgende van belang.

Voor wat betreft de ernst van het verwijt dat aan verdachte kan worden gemaakt is van belang dat hier sprake is geweest van een bijzonder gruwelijk delict dat door verdachte opzettelijk is begaan en dat een zeer ernstige inbreuk is gemaakt op het rechtsgevoel van de benadeelde partijen. Het hof weegt daarbij mee dat verdachte [slachtoffer] eerst op verschillende manieren heeft verkracht, haar vastgebonden heeft en met haar heeft rondgereden op zijn scooter, waarbij zij voortdurend enorme angsten moeten hebben uitgestaan over wat hij met haar zou doen. Vervolgens heeft hij haar ontkleed en gedood en daarna heeft hij haar levenloze lichaam begraven. De dag erna heeft hij eerst het lichaam op verschillende plekken met chloor schoongemaakt om zijn sporen te wissen om haar vervolgens op een andere plaats dieper te begraven. Doordat verdachte het lichaam van [slachtoffer] na haar te hebben verkracht en gedood begraven heeft en zij pas na bijna twee weken gevonden is, hebben de nabestaanden vervolgens op stel en sprong moeten beslissen of zij afscheid van haar wilden nemen en zijn zij geconfronteerd met de gruwelijkheden die verdachte hun dochter en zus heeft aangedaan. Zo was nog zichtbaar dat [slachtoffer] een enorm aantal bloeduitstortingen had over haar lichaam en dat zij snijverwondingen in haar hals had. De geweldsmisdrijven die de dochter en zus van de benadeelde partijen is overkomen worden door hen ontelbare keren herbeleefd en hebben een zeer grote impact op hun levens.

Ook ter terechtzitting in hoger beroep, meer dan anderhalf jaar nadat de bewezenverklaarde feiten hebben plaatsgevonden, is aangevoerd dat het beeld van hoe [slachtoffer] was toegetakeld door verdachte nog steeds fysiek pijn doet bij de nabestaanden. Daarbij is ook aangevoerd dat de nabestaanden nooit antwoorden zullen krijgen op de vragen die zij hebben, omdat het niet anders kan dat de waarheid anders moet zijn dan de juridische werkelijkheid waar vanuit wordt gegaan en zij dus nooit zullen weten of hun dochter en zus veel langer heeft geleden en wat verdachte precies met haar heeft gedaan.

Daar komt bij dat de nabestaanden alle drie als gevolg van de door verdachte gepleegde feiten ernstige psychische klachten ondervinden. Er is bij alle drie sprake van een posttraumatische stressstoornis.

Uit de verklaringen van mei 2018 van de psychotherapeut die de benadeelde partij [benadeelde 1] vanaf januari 2018 in behandeling heeft in relatie tot voormeld ziektebeeld blijkt onder andere dat de benadeelde partij zich bij voortduring een voorstelling maakt van de pijn en vernedering die zijn dochter zijn aangedaan en dat hij kampt met de beelden van de verre staat waarin het lichaam van zijn dochter zich bevond toen hij afscheid van haar moest nemen. Tevens is opgenomen dat de behandeling waarschijnlijk een langere tijd zal gaan duren.

De klinisch psycholoog-psychotherapeut die de benadeelde partij [benadeelde 2] sinds december 2017 in behandeling heeft, heeft aangegeven dat de confrontatie met het vermoorde lichaam van de dochter van de benadeelde partij, na twee weken begraven te zijn geweest en aangetast door de dader, tot een ernstige posttraumatische stressstoornis heeft geleid bij de benadeelde partij en dat zij nauwelijks in staat is te functioneren in het dagelijks leven. De verwachting is dat de behandeling nog zeker twee jaar gaat duren en de hoop is dat de posttraumatische stressstoornis niet chronisch wordt.

Uit de verklaring van mei 2018 van de psychotherapeut en GZ-psycholoog waar de benadeelde partij [benadeelde 3] onder behandeling is, volgt onder andere dat hij geregeld opdringende herinneringen heeft over wat zijn zus heeft meegemaakt en er een film in zijn hoofd afspeelt hoe het waarschijnlijk is gegaan. De therapeut kan geen duidelijke prognose geven omdat het lastig te voorspellen is hoe het hertelproces verloopt.

Ondanks de behandelingen die de benadeelde partijen al vanaf eind 2017 of begin 2018 ondergaan, zijn de klachten nog altijd actueel.

Volgens de verklaring die [benadeelde 2] ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen zal zij nooit meer echt gelukkig zijn en is er geen uitzicht op verbetering. Hoewel het niet met zoveel woorden is uitgesproken, heeft het hof geen reden om te veronderstellen dat dit bij de andere benadeelde partijen anders zal zijn. Uit alle drie de slachtofferverklaringen van de benadeelde partijen blijkt dat het gebeurde nog altijd een enorme invloed op hun hele dagelijkse bestaan heeft.

Naar het oordeel van het hof dient er dan ook vanuit te worden gegaan dat de benadeelde partijen nog langdurig ernstige psychische klachten zullen ondervinden als gevolg van de gebeurtenissen waarvoor verdachte veroordeeld is, en dat die klachten het functioneren en welbevinden van de benadeelde partijen in aanzienlijke mate negatief zullen beïnvloeden.

In het bijzonder ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3] overweegt het hof nog dat het acht heeft geslagen op zijn leeftijd – ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 21 jaar oud – en dat het hof meeweegt dat hij op jongere leeftijd is geconfronteerd met de gruwelijkheden die zijn zus heeft moeten ondergaan en dat ook zijn schoolprestaties hebben geleden onder deze traumatische gebeurtenis en hem dit zijn leven lang bij zal blijven.

Bij de begroting van deze immateriële schade dient het hof ook rekening te houden met bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Naar het oordeel van het hof is hier echter sprake van een uitzonderlijk ernstig geval, in het bijzonder door de gruwelijkheden van deze zaak en de aandacht van de media voor deze zaak en deze verdachte, die maakt dat de nabestaanden nauwelijks aan enige verwerking toe kunnen komen, en is derhalve van vergelijkbare gevallen nauwelijks sprake.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen en met name gelet op de ernst van het verwijt en de ernst van het aangedane leed aan zowel de ouders als broer van [slachtoffer] dat zij hun leven lang met zich zullen dragen, begroot het hof de shockschade telkens op het gevraagde bedrag.

Anders dan de rechtbank ziet het hof geen aanleiding om wat betreft de hoogte van de toe te kennen schadevergoeding verschil te maken tussen de ouders van [slachtoffer] enerzijds en haar broer anderzijds. Het hof verwijst hieromtrent naar hetgeen hiervoor is overwogen dat het hof de confrontatie van de ouders niet anders beoordeelt dan die van de broer van het slachtoffer.

Ook ziet het hof om redenen als hierboven genoemd geen aanleiding om de hoogte van het bedrag te matigen, zoals de verdediging heeft verzocht.

Het hof waardeert derhalve voor alle drie de benadeelde partijen de omvang van de shockschade telkens op € 40.000,00.

Affectieschade

Door de benadeelde partijen is gevraagd om toewijzing van een bedrag aan affectieschade. De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben allebei een bedrag van

€ 20.000,00 gevorderd en de benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een bedrag van € 17.500,00 gevorderd.

Affectieschade betreft immateriële schade die een naaste of nabestaande lijdt als gevolg van het door een onrechtmatige daad (waaronder een strafbaar feit) veroorzaakte ernstig en blijvend letsel bij of overlijden van het slachtoffer.

Ten tijde van de behandeling van deze zaak bij de rechtbank was de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen nog niet van kracht. Deze wet is inmiddels op 1 januari 2019 in werking getreden.

Echter, krachtens artikel 68a van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, gelezen in verband met artikel 69, onder d, van die wet, ontstaat het recht op vergoeding van affectieschade niet door het enkele in werking treden van de wet, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien zijn voltooid. Dat betekent dat de wet dus slechts gevolgen met zich mee brengt ter zake van gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van voornoemde wet op 1 januari 2019.

Voor het onderhavige geval waarin het slachtoffer in 2017 is overleden, betekent dit – hoe spijtig ook – dat de betreffende vorderingen volgens de wet niet voor schadevergoeding in aanmerking komen.

De benadeelde partijen worden dan ook ter zake van de vorderingen die zien op affectieschade niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

Uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat er geen aanleiding is om de uitkeringen die door het Schadefonds Geweldsmisdrijven zijn gedaan aan de benadeelde partijen in mindering te brengen op hun vorderingen. Het hof merkt daarbij nog terzijde op dat daar door de verdediging ook niet om is verzocht.

Wettelijke rente

Het hof zal de toegewezen bedragen vermeerderen met de wettelijke rente, zoals door de benadeelde partijen is verzocht.

Wat betreft de materiele schade die is toegewezen, zal het hof de wettelijke rente toewijzen

- voor zover die ziet op de kosten voor de uitvaart en de crematie met ingang van 20 oktober 2017;

- voor zover die ziet op de reiskosten en de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering met ingang van 29 september 2017;

- voor zover die ziet op de kosten voor studievertraging met ingang van 29 september 2017.

Voor zover het gaat om de toegewezen bedragen terzake de immateriële schade stelt het hof met de rechtbank vast dat de wettelijke rente wordt toegewezen met ingang van 14 oktober 2017, zijnde de dag van de confrontatie.

Kostenveroordeling

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof ten behoeve van de benadeelde partijen telkens de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Het hof ziet evenals de rechtbank aanleiding om, ondanks de hoogte van de toegewezen bedragen, aan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, telkens slechts één dag vervangende hechtenis te verbinden. Het is immers de vraag of verdachte in de toekomst in staat zal zijn om aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, gelet op de omstandigheid dat aan verdachte een langdurige gevangenisstraf, almede de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 43a, 57, 242, 282, 288 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 primair ten laste gelegde (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 16-652376-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair, 2 en 3 en in de zaak met parketnummer 16-652376-18 onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 55.359,38 (vijfenvijftigduizend driehonderdnegenenvijftig euro en achtendertig cent) bestaande uit € 15.359,38 (vijftienduizend driehonderdnegenenvijftig euro en achtendertig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 55.359,38 (vijfenvijftigduizend driehonderdnegenenvijftig euro en achtendertig cent) bestaande uit € 15.359,38 (vijftienduizend driehonderdnegenenvijftig euro en achtendertig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade

- voor zover die ziet op de kosten voor de uitvaart en de crematie (een bedrag van

€ 14.059,44) op 20 oktober 2017;

- voor zover die ziet op de reiskosten en de kosten van het eigen risico van de zorgverzekering (een bedrag van € 1.299,94) op 29 september 2017;

en van de immateriële schade op 14 oktober 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 41.160,27 (eenenveertigduizend honderdzestig euro en zevenentwintig cent) bestaande uit € 1.160,27 (duizend honderdzestig euro en zevenentwintig cent) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 41.160,27 (eenenveertigduizend honderdzestig euro en zevenentwintig cent) bestaande uit

€ 1.160,27 (duizend honderdzestig euro en zevenentwintig cent) materiële schade en

€ 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 september 2017 en van de immateriële schade op 14 oktober 2017.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 60.835,00 (zestigduizend achthonderdvijfendertig euro) bestaande uit € 20.835,00 (twintigduizend achthonderdvijfendertig euro) materiële schade en

€ 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-707164-17 onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 60.835,00 (zestigduizend achthonderdvijfendertig euro) bestaande uit € 20.835,00 (twintigduizend achthonderdvijfendertig euro) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 september 2017 en van de immateriële schade op 14 oktober 2017.

Aldus gewezen door

mr. G. Mintjes, voorzitter,

mr. B.J.J. Melssen en mr. R.W. van Zuijlen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen en mr. I. Vugs, griffiers,

en op 5 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier mr. I. Vugs is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 5 juli 2019.

De samenstelling van het gerechtshof is als bovenvermeld.

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

De voorzitter geeft verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 ECLI:NL:HR:2013:BY5322.

2 ECLI:NL:XX:2010:BN6864 en ECLI:NL:XX:2006:AY9133.

3 ECLI:NL:HR:2016:2523.

4 ECLI:NL:GHARN:2012:BX9606.