Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5509

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
23-07-2019
Zaaknummer
WAHV 200.221.925
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof vernietigt de sanctiebeschikking opgelegd in verband met een parkeerverbod (bord E1). Het betrof hier niet een parkeerverbod aangegeven met bord E1, maar een gehandicaptenparkeerplaats met onderbord (artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, RVV 1990). Het hof zal de feitcode

niet wijzigen nu het sanctiebedrag hoger is dan aan de betrokkene is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.221.925

3 juli 2019

CJIB 193964522

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 1 juli 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 188,-.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging, met feitcode R584, zou zijn verricht op 25 november 2015 om 11:37 uur op de Kristallaan te Zevenbergen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert in het hoger beroepschrift aan dat, zelfs als geen twijfel bestaat aan de verklaring van de verbalisant, hetgeen de kantonrechter overweegt, reeds op grond van die verklaring moet worden vastgesteld dat de gedraging waarvoor de sanctie is opgelegd - parkeren in strijd met het bord E1 - niet is verricht.

3. De verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer het volgende in: "stond op invalideplaats zonder kaart, op woensdag is er op deze twee plaatsen een parkeerverbod en daar heb ik betrokkene voor bekeurd".

4. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij het hoger beroepschrift een drietal foto's meegestuurd. Hierop is, naar het hof aanneemt, de parkeerplek in kwestie te zien, namelijk een parkeervak op een terrein, waarbij een bord E6 als bedoeld in bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is geplaatst, dat duidt op de aanwezigheid van een gehandicaptenparkeerplaats. Onder dit bord is een onderbord aangebracht met de tekst: "verboden te parkeren op woensdag i.v.m. ledigen glasbakken".

5. Op grond van de verklaring van de verbalisant en de hiervoor beschreven foto's stelt het hof vast dat zich hier niet de situatie voordoet dat sprake is van een parkeerverbod dat wordt aangegeven met het bord E1. Gelet daarop had geen sanctie mogen worden opgelegd voor de onder 1 genoemde en in de inleidende beschikking omschreven gedraging.

6. De verklaring van de verbalisant en de foto's bieden wel voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het voertuig van de betrokkene in strijd met artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van het RVV 1990 op een gehandicaptenparkeerplaats stond geparkeerd. Wijziging van de omschrijving van de gedraging en de feitcode is echter reeds hierom niet mogelijk, nu het sanctiebedrag voor de overtreding van dat artikel hoger is dan het bedrag van de sanctie die aan de betrokkene is opgelegd (vgl. het arrest van het hof van 4 februari 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:1146).

7. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Het tot zekerheid gestelde bedrag dient aan de betrokkene te worden gerestitueerd.

8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor het indienen van de beroepschriften bij de officier van justitie, de kantonrechter en het hof dienen in totaal 3 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 768,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 193964522 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 768,-.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.