Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5497

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-07-2019
Datum publicatie
03-07-2019
Zaaknummer
21-003469-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:3174
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan het vervaardigen en verkopen van een enorme hoeveelheid MDMA-pillen, alsmede aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot het maken en verkopen van soortgelijke synthetische drugs. Rekening houdende met overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van het hoger beroep ziet het gerechtshof aanleiding de gevangenisstraf voor de duur van zestig maanden, met aftrek van voorarrest, die het gerechtshof voornemens was op te leggen terug te brengen tot zevenenvijftig maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003469-16

Uitspraak d.d.: 3 juli 2019

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 juni 2016 met het parketnummer

16-706383-14 in de strafzaak inzake de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 19 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met dien verstande dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf met één maand dient te worden gekort.

Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. V.C. van der Velde, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde delicten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest en heeft de rechtbank het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

Het gerechtshof zal dat vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een nadere omschrijving van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:


1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 december 2014 in de gemeente [gemeente 1] en/of de gemeente [gemeente 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 127.783 eenheden/pillen, in elk geval een (zeer grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of

2 CB en/of amfetamine, zijnde MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of 2 CB en/of amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 oktober 2014 tot en met

30 december 2014 in de gemeente [gemeente 1] en/of [gemeente 2] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of aanwezig hebben en/of te vervaardigen van ((een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende) MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of 2CB en/of amfetamine, zijnde (telkens) (een) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of (een) hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- ( telkens) zich en/of een ander gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- ( telkens) (een) voorwerp(en) en/of (een) vervoermiddel(en) en/of (een) stof(fen) en/of gelden en/of (een) ander(e) betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),

immers heeft/hebben hij en/of zijn, verdachtes, mededaders (telkens) opzettelijk daartoe:

- ( een) (grote) hoeveelhe(e)d(en) (chemische) brok(ken) en/of poeder(s) en/of vloeistoffen en/of kleurstoffen, in elk geval grondstoffen en/of materialen (al dan niet bevattende MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of 2CB en/of amfetamine), bestemd voor de productie van (pillen bevattende) MDA en/of MDEA en/of MDMA en/of 2CB en/of amfetamine) vervaardigd en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of

- ( een) materia(a)l(en), te weten (onder andere) (een) tabletteermachine(s) en/of (een) vermaler(s) en/of (een) mengmachine(s) en/of (een) droogkast(en) en/of (een) stempels (voorzien van logo's) en/of (een) maatbeker(s) en/of (een) weegscha(a)l(en) en/of (een) speciekuip(en) voorhanden gehad en/of opgeslagen.

Bewezenverklaring

Op grond van wettige bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 december 2014 in de gemeente [gemeente 1] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en verstrekt en vervaardigd 127.783 eenheden/pillen, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

2.

omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 30 december 2014 in de gemeente [gemeente 1] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verwerken, verkopen, verstrekken en vervaardigen van hoeveelheden van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

telkens voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben hij en zijn, verdachtes, mededaders telkens opzettelijk daartoe:

- grote hoeveelheden (chemische) poeders en vloeistoffen en kleurstoffen, in elk geval grondstoffen en materialen (al dan niet bevattende MDMA), bestemd voor de productie van pillen, bevattende MDMA, voorhanden gehad en opgeslagen, en

- materialen, te weten (onder andere) tabletteermachines en vermalers en een mengmachine en droogkasten en stempels voorzien van logo's en weegschalen en speciekuipen voorhanden gehad en/of opgeslagen.

Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en D van de Opiumwet gegeven verbod;

2

medeplegen van het misdrijf om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat de verdachte zich, samen met zijn mededader, schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen en verkopen van een enorme hoeveelheid MDMA-pillen, alsmede aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot het maken en verkopen van soortgelijke synthetische drugs. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan overtredingen van de Opiumwet. De strafwaardigheid van deze delicten zijn in zijn algemeenheid gelegen in de ernstige bedreiging die synthetische drugs, zoals MDMA, voor de volksgezondheid vormen;

  • -

    de omstandigheid dat ter zake van het vervaardigen en verkopen van de bewezen verklaarde hoeveelheid XTC-pillen volgens de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ontwikkelde en gepubliceerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftig maanden kan worden opgelegd;

  • -

    het aandeel van de verdachte in de bewezen verklaarde delicten, ook bezien in relatie tot het aandeel van zijn mededader daarin. Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens de verdachte aangevoerd dat zijn mededader in feite de intellectuele dader was en voorop liep en dat hijzelf vooral meeliep en een ondergeschikte rol had. Wat hiervan zij, het gerechtshof is op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep van oordeel dat de verdachte in ieder geval qua uitvoering van de bewezen verklaarde feiten niet voor zijn mededader onder deed. De wijze waarop de pillen werden vervaardigd, verkocht en afgeleverd maakt voorts een sterk professionele indruk. Gelet op de enorme hoeveelheid XTC-pillen waar het hier om gaat kan het gerechtshof de verklaring van de verdachte dat hij hierin min of meer geleidelijk en in relatief korte tijd na een onbezonnen beslissing bij betrokken is geraakt maar zeer moeilijk volgen. Met de in één van de loodsen aangetroffen hoeveelheid MDMA en overige (grond)stoffen had nogmaals een enorme partij XTC-pillen kunnen worden vervaardigd. In tapgesprekken is in dit verband gesproken over een "grote klapper". In de woning van de verdachte zijn op diverse plekken grote geldbedragen aangetroffen, hetgeen een grotere betrokkenheid bij de fabricage van harddrugs suggereert dan de verdachte wenste toe te geven.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:

 de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van

22 mei 2019, waaruit blijkt dat hij nimmer door een strafrechter is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit. Het gerechtshof kent hieraan geen bijzondere betekenis toe, nu het uitblijven van enig delictgedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden;

 de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof oplegging van de door de raadsman bepleite strafmodaliteit

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest, dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke werkstraf van de maximale duur - aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden.

De ernst van de bewezen verklaarde delicten laat simpelweg geen ruimte voor een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur, zoals hieronder nader aangeduid.

Met betrekking tot de door de raadsman aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn overweegt het gerechtshof het volgende.

De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van - onder meer - de ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, en de invloed van de verdachte en/of de verdediging op het procesverloop, waaronder het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

Het gerechtshof is van oordeel dat het tijdsverloop vanaf de aanvang van de redelijke termijn op 30 december 2014, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, welk tijdsverloop hier vier jaren en zes maanden bedraagt, zodanig lang is, dat dit als

onredelijk in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moet worden aangemerkt. Immers, met de berechting in eerste aanleg en in hoger beroep dient in totaal in de regel niet meer dan vier jaren gemoeid te zijn en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die bovenbedoeld tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen.

Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn ziet het gerechtshof aanleiding de gevangenisstraf voor de duur van zestig maanden, met aftrek van voorarrest, die het gerechtshof voornemens was op te leggen terug te brengen tot zevenenvijftig maanden, met aftrek van voorarrest.

Deze straf berust op al het bovenstaande, in onderling verband en onderlinge samenhang bezien, en wordt opgelegd uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en generale en speciale preventie.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen

47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van de bewezen verklaarde delicten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 (zevenenvijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 3 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken,

zijnde mr. A.J. Rietveld buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.