Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5494

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
08-07-2019
Zaaknummer
21-006889-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak veroordeeld. De bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde is van voldoende gewicht geweest om te komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006889-17

Uitspraak d.d.: 2 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 december 2017 met parketnummer 18-129865-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen weken waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen met toekenning van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. H.A. de Boer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte veroordeeld ter zake van het ten laste gelegd en heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van negen weken waarvan zes weken voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk volledig toegewezen en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 11 juli 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bestelbus (VW transporter) heeft weggenomen een Bosch boormachine en/of twee gereedschapskisten en/of twee Bonfix kisten met snelkoppelingen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door de raadsman is ter zitting van het hof betoogd, dat er onvoldoende sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , zodat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft, na zich bij de politie op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte] in de auto zat en dat [medeverdachte] toen de diefstal heeft gepleegd. Verdachte is blijven zitten in de auto omdat hij niet zo goed wist wat hij moest doen.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Feitelijke gang van zaken

Het hof stelt op grond van die bewijsmiddelen het volgende vast.

In de nacht van 11 juli 2017 omstreeks 03:30 uur hoorde getuige [getuige] het geluid van een auto. Toen zij naar buiten keek, zag zij dat de schuifdeur van de bedrijfsauto van haar buurman openstond en dat er een grijze bestelauto vlak naast de bedrijfsauto stond. Uit de aangifte die nadien is gedaan, blijkt – anders dan wat de raadsman hieromtrent heeft opgemerkt - dat de schuifdeur van de bedrijfsauto hierbij is opengebroken. Eén man zat achter het stuur van de bestelauto, een tweede man pakte spullen uit de bedrijfsauto van de buurman en zette deze in de bestelauto. Daarna stapte deze man in aan de bijrijderskant en reden de mannen weg. [getuige] belde daarop de politie.

Diezelfde nacht omstreeks 04:03 uur werden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden. Zij reden in de buurt van de plaats van de diefstal in een grijze bestelauto. De auto stond op naam van [medeverdachte] , verdachte was de bestuurder. In de bestelauto bleek een grote hoeveelheid gereedschap zoals genoemd in de tenlastelegging te liggen. Deze werden nadien door aangever herkend als zijn eigendom en waren afkomstig van de ten laste gelegde diefstal met braak.

[medeverdachte] heeft nadien verklaard dat hij degene is geweest die de spullen uit de auto heeft gestolen en dat verdachte degene was die achter het stuur zat.

Medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Voor de bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat het gewicht van de bijdrage van de verdachte gelijkwaardig is aan dat van zijn mededader(s).

Het hof komt tot een bewezenverklaring van dit feit.

Uit de gang van zaken zoals hiervoor weergegeven blijkt dat verdachte als bestuurder van de auto kan worden geplaatst op de plaats delict. De auto was zeer dicht tegen de auto van aangever geplaatst, kennelijk om de overdracht van spullen van deze auto naar de bestelauto waar de verdachten in reden, qua afstand zo beperkt mogelijk en daardoor zo makkelijk mogelijk te maken. Daarna is de auto van aangever opengebroken door de medeverdachte en is de medeverdachte – blijkens de grote hoeveelheid buitgemaakte goederen – meermalen van de ene auto naar de andere auto gelopen om de buit veilig te stellen. Ondanks de zeer korte afstand tussen de auto’s moet dit al met al enige tijd in beslag hebben genomen. [medeverdachte] is daarna ingestapt en verdachte als bestuurder is weggereden. Vlak na de inbraak zijn verdachte en [medeverdachte] in bezit van de buit aangehouden. Uit voorgaande blijkt dat verdachte een actieve bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde en verder blijkt ook dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde is daarbij van voldoende gewicht geweest om te komen tot een bewezenverklaring van het medeplegen.

Op grond van voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 juli 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bestelbus (VW Transporter) heeft weggenomen een Bosch boormachine en twee gereedschapskisten en twee Bonfix kisten met snelkoppelingen, toebehorende aan [benadeelde] , waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan een auto-inbraak. Een dergelijk strafbaar feit veroorzaakt hinder, schade en gevoelens van onveiligheid voor/bij slachtoffers. De verdachte heeft slechts gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin en heeft er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen.

Het hof heeft bij de straftoemeting ten nadele van verdachte in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 juni 2019 in het verleden meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken een passende en geboden bestraffing is. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen. Het hof ziet geen reden om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zoals de politierechter had opgelegd en de advocaat-generaal had gevorderd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.175,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Daarnaast heeft de benadeelde partij verzocht om vergoeding van proceskosten à € 105,-. Hier is door de politierechter niet op beslist. De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof zal daarom omtrent de gehele vordering en de gevorderde proceskosten een beslissing dienen te nemen.

De raadsman heeft ter zitting van het hof enige vragen opgeworpen omtrent de vordering, maar het hof ziet daarin geen inhoudelijke en gemotiveerde betwisting.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tezamen met zijn medeverdachte tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen. Dit betreft € 2.175,00 aan materiële schade, bestaande uit een vergoeding voor een dag niet kunnen werken in verband met het missen van het buitgemaakte gereedschap, twee keer een dag niet kunnen werken vanwege het missen van de bestelbus in verband met reparaties om de bij de inbraak opgelopen schade te herstellen en de kosten voor het verliezen van de no-claim.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

De benadeelde partij heeft daarnaast proceskosten gevorderd à € 105,- bestaande uit 3 keer uurloon vanwege het bijwonen van de zitting. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij in eerste aanleg aanwezig is geweest bij de behandeling van de zaak en bij die gelegenheid zijn vordering heeft toegelicht én dat de zaak van verdachte in eerste aanleg gelijktijdig is behandeld met de zaak van de medeverdachte. Uit het dossier blijkt niet hoe er in de zaak van de medeverdachte is beslist omtrent de proceskosten.

Het hof acht het aangewezen dat verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de helft van de voornoemde kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op € 52,50, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.175,00 (tweeduizend honderdvijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

52,50 (tweeënvijftig euro en vijftig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 2.175,00 (tweeduizend honderdvijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 31 (eenendertig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 11 juli 2017.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. J. Hielkema en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 2 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.