Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5425

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
04-07-2019
Zaaknummer
200.227.695/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanprestatie, onrechtmatige daad, dwaling, misbruik van omstandigheden en bedrog. Partij stelt € 125.000,- beschikbaar om een lening van € 3.000.000,- te verwerven. De geldleenovereenkomst voor dat bedrag komt niet tot stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.695/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/172588 / HA ZA 16-282)

arrest van 2 juli 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W. van de Velde, kantoorhoudend te Lent,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] (België),

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P.J.W. Vermunt, kantoorhoudend te Roosendaal.

1 Het verdere verloop van het geschil in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 november 2018 hier over. In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft op

16 mei 2019 plaatsgevonden. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [appellante] een akte genomen met producties 12 tot en met 19. [geïntimeerde] heeft pleitnotities overgelegd.

1.2

Na afloop van de comparitie hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het ten behoeve van de comparitie door [appellante] overgelegde procesdossier aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie en de akte.

1.3

[appellante] heeft bij dagvaarding gevorderd, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 26 juli 2017 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [appellante] toe te wijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties en de nakosten.

In de memorie van grieven heeft [appellante] opgenomen dat zij het hof verzoekt de overeenkomst van geldlening alsmede alle overige gemaakte afspraken te vernietigen, voor zover haar buitengerechtelijke vernietiging geen effect sorteert, en zij concludeert voor het overige tot persistit.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het hof zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten.

2.2

De heren [geïntimeerde] , [C] , [D] , [E] en [F] vormden een investeringsgroep onder de naam ’Perlot Groep’ (hierna afzonderlijk aangeduid als: [geïntimeerde] , [C] , [D] , [E] en [F] en gezamenlijk als Perlot Groep).

2.3

Tussen [appellante] en [F] als geldnemers enerzijds en Jaya B.V. (bestuurder [G] ) als geldgever anderzijds is op 24 juni 2008 een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 125.000,-. De overeenkomst kende onder meer de volgende voorwaarden: de lening diende met rente op 30 september 2008 te zijn afgelost, er was een rente van 20% per kwartaal verschuldigd en [appellante] diende haar auto en woning als zekerheid te verstrekken.

2.4

Op 9 juli 2008 heeft [geïntimeerde] € 10.000,- geleend aan [appellante] . Partijen hebben hun geldleenovereenkomst neergelegd in een door een notaris voor hen opgestelde akte. Dit bedrag is aangewend om een beslag dat door derden op de woning van [appellante] was gelegd te laten doorhalen alvorens daarop hypotheek werd gevestigd.

2.5

Eveneens op 9 juli 2008 is de hypotheekakte gepasseerd waarbij [appellante] ten behoeve van al hetgeen zij en/of [F] aan Jaya B.V. verschuldigd zijn, aan Jaya B.V. een hypotheek heeft verleend op haar woning. Van of namens Jaya B.V. heeft [appellante] vervolgens een bedrag van € 121.500,- gestort gekregen.

2.6

Op de navolgende data zijn van een op naam van [H] , de echtgenoot van [appellante] , gestelde bankrekening de navolgende bedragen overgeboekt naar een op naam van [geïntimeerde] gestelde bankrekening, o.v.v. van de navolgende betalingskenmerken:

- op 9 juli 2008 een bedrag van € 50.000,- o.v.v. "overeenkomst 09.07.08";

- op 10 juli 2008 een bedrag van € 21.500,- o.v.v. "leningsovereenkomst 09-07-08";

- op 11 juli 2008 een bedrag van € 50.000,- o.v.v. "overeenkomst 09.07.08".

2.7

[geïntimeerde] heeft met de op zijn rekening bijgeschreven bedragen de navolgende betalingen gedaan:

- € 25.000,- contant aan [G] ;

- € 5.000,- aan [F] voor reis- en verblijfkosten in Hongkong;

- € 5.000,- aan de echtgenote van [F] voor een verblijf in Suriname;

- € 85.000,- aan [I] , als koopsom voor een "financieel instrument";

- € 3.000,- reis- en verblijfkosten Frankrijk van 11 tot en met 15 juli 2008 van [C] , [D] , [geïntimeerde] en [E] .

2.8

Bij brief van 10 oktober 2012 is [geïntimeerde] namens [appellante] aangeschreven om uit hoofde van schadevergoeding een bedrag van € 250.000,- aan haar te voldoen.

2.9

Bij brief van 18 april 2016 is [geïntimeerde] namens [appellante] gesommeerd binnen veertien dagen een bedrag van € 121.500,- uit hoofde van geldlening aan haar terug te betalen.

3 Het geschil in eerste aanleg

3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan haar van € 121.500,- vermeerderd met rente en kosten. Daartoe heeft [appellante] gesteld, samengevat weergegeven, dat zij op 9 juli 2008 op grond van een overeenkomst van geldlening aan [geïntimeerde] € 121.500,- heeft verstrekt en dat [geïntimeerde] in gebreke is gebleven de lening aan haar terug te betalen. [appellante] heeft gesteld dat zij hoe dan ook recht heeft op betaling van haar vordering, zo niet op grond van de geldleningsovereenkomst, dan op grond van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

4 Rechtsmacht en het toepasselijke recht

4.1

[geïntimeerde] woont in België. Het geschil heeft derhalve internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Het hof stelt in dit verband vast dat [geïntimeerde] in eerste aanleg is verschenen en geen punt heeft gemaakt ten aanzien van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. De rechtbank heeft zich ambtshalve bevoegd geacht. In hoger beroep is [geïntimeerde] opnieuw verschenen zonder hiertegen bezwaar te maken. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat sprake is van een forumkeuze van partijen op grond waarvan de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het geschil tussen partijen.

4.2

Partijen noch de rechter in eerste aanleg hebben zich uitgelaten over het toepasselijke recht. Het hof begrijpt uit het feit dat partijen in hun stellingen aansluiting zoeken bij het Nederlandse recht, dat zij voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, wat in dit geval is toegestaan. Ook het hof zal Nederlands recht toepassen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellante] heeft twee als zodanig aangeduide grieven tegen het vonnis gericht die zeer beperkt zijn. Uit de verdere inhoud van de memorie van grieven maakt het hof op dat [appellante] ook op andere gronden vernietiging van het vonnis nastreeft. Aangezien [geïntimeerde] dat ook heeft begrepen, blijkens de bespreking ervan in zijn memorie van antwoord, zal het hof ook die gronden bij de beoordeling betrekken.

[appellante]

5.2

[appellante] heeft het volgende gesteld. Zij wilde een camping beginnen in Duitsland en hiervoor had zij een bedrag van € 3.000.000,- nodig. Lenen via een bank was geen mogelijkheid, aangezien zij geen inkomsten had. Zij kwam in contact met [C] , die samen met [D] , [geïntimeerde] , [E] en [F] de ‘Perlot Groep’ vormde. Zij is met de Perlot Groep overeengekomen dat, als zij een bankgarantie zou stellen voor een bedrag van

€ 125.000,- dan wel een bedrag van € 125.000,- aan de Perlot Groep ter beschikking zou stellen, [appellante] een bedrag van € 3.000.000,- ter leen zou ontvangen. De heer [I] , een financier in Azië, zou een groter bedrag ter leen aan de Perlot Groep verstrekken, waarna [appellante] via de Perlot Groep daarvan een bedrag van € 3.000.000,- zou ontvangen. Ter comparitie heeft [appellante] dit aangevuld met de stelling dat zes weken na het fourneren van

€ 125.000,- het bedrag van € 3.000.000,- door haar zou worden ontvangen. Aangezien zij niet de beschikking had over € 125.000,- is zij een overeenkomst van geldlening aangegaan met Jaya B.V. , een vennootschap van de heer [G] , met wie [C] haar in contact had gebracht. Ten behoeve van die lening heeft zij aan Jaya B.V. haar Mercedes verpand met een waarde van € 70.000,- en een eerste hypotheek verstrekt op haar woning. De leden van de Perlot Groep hebben toegezegd dat dan aan haar een lening van € 3.000.000,- werd verstrekt en daarnaast dat zij gevrijwaard zou blijven van eventuele gevolgen in geval van het niet nakomen van haar verplichtingen uit de overeenkomst met Jaya B.V. Zij heeft nooit het bedrag van € 3.000.000,- ontvangen en de zekerheden die zij heeft verstrekt ten behoeve van de geldlening met Jaya B.V. zijn uitgewonnen, aldus [appellante] .

Koerswijziging

5.3

[appellante] heeft in eerste aanleg aan haar vordering primair een overeenkomst van geldlening met [geïntimeerde] ten grondslag gelegd, waarbij [appellante] als geldgever zou zijn opgetreden. [appellante] heeft in hoger beroep aan haar vordering jegens [geïntimeerde] achtereenvolgens ten grondslag gelegd: wanprestatie, onrechtmatige daad, dwaling, misbruik van omstandigheden en bedrog. Zij heeft haar beroep op ongerechtvaardigde verrijking uitdrukkelijk ingetrokken.

5.4

[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van de gronden van de eis. Volgens hem wordt door het wezenlijk andere feitenrelaas en de verveelvoudiging van de gronden in hoger beroep de verdediging onredelijk bemoeilijkt.

5.5

Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep strekt mede ertoe de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Het staat [appellante] daarom in beginsel vrij in hoger beroep een ander standpunt in te nemen dan zij in eerste aanleg heeft gedaan, ook als dat standpunt sterk afwijkt van eerder ingenomen standpunten. Een verklaring voor deze koerswijziging behoeft [appellante] ook niet te geven (HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3912).

Van processueel gedrag in eerste aanleg, al dan niet in samenhang met een voorafgaand aan het geding aangenomen houding, waaraan de consequentie dient te worden verbonden dat [appellante] haar recht heeft verloren om voor het eerst in appel een nieuw standpunt in te nemen, is onvoldoende gebleken. Daarbij is van belang dat het hof in verband met de voormelde strekking van het hoger beroep terughoudend is met het aannemen van dergelijke consequenties (ECLI:NL:HR:1999:ZC2831). Het enkele gegeven dat [appellante] zich in eerste aanleg goeddeels heeft beperkt tot de vraag hoe de overboekingen naar de bankrekeningen van [geïntimeerde] moeten worden geduid, zonder de achterliggende feiten naar voren te brengen, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat sprake is van strijd met de goede procesorde: [geïntimeerde] heeft immers nog de gelegenheid gehad (en ook te baat genomen) om op deze nieuwe feiten en producties te reageren. Het hof dient dan ook te onderzoeken in hoeverre de nieuwe stellingen van [appellante] hout snijden.

5.6

Tijdens de comparitie in hoger beroep heeft [appellante] ook nog een beroep gedaan op de in artikel 6:166 BW geregelde groepsaansprakelijkheid. Dit wordt aangemerkt als een nieuwe grief. De in artikel 347 lid 1 Rv besloten "twee-conclusieregel" brengt mee dat de rechter in beginsel niet hoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd (HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771). Op deze regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, zoals in genoemd arrest is aangegeven. Het hof oordeelt dat daarvoor in dit geval geen aanleiding bestaat. De nieuwe grief is tardief.

5.7

[appellante] legt aan haar vordering in de kern de volgende stellingen ten grondslag:

(i) de leden van de Perlot Groep zouden ervoor zorgen dat zij de beschikking zou krijgen over een bedrag van € 3.000.000,- (in de vorm van een geldlening) als zij € 125.000,- aan de Perlot Groep beschikbaar zou stellen en

(ii) de leden van de Perlot Groep zouden haar bovendien vrijwaren voor de eventuele gevolgen van het niet nakomen van haar verplichtingen uit de overeenkomst van geldlening met Jaya B.V. Zij heeft dit richting [geïntimeerde] als volgt uitgewerkt.

Wanprestatie

5.8

[appellante] heeft gesteld dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens haar, omdat hij

(i) ondanks dat zij € 125.000,- (€ 121.500,- na aftrek van kosten) heeft overgemaakt naar zijn bankrekening er niet voor heeft gezorgd dat zij de beschikking kreeg over € 3.000.000,- en (ii) [geïntimeerde] niet heeft voorkomen dat haar onderpand (de Mercedes en de woning) executoriaal is verkocht, ondanks zijn toezegging dat hij de overeenkomst van geldlening met Jaya B.V. in privé zou mee tekenen, garant zou staan voor de nakoming van de verplichtingen uit die geldleenovereenkomst en haar schade zou vergoeden.

5.9

[geïntimeerde] heeft weersproken dat door of namens hem aan [appellante] voornoemde toezeggingen zijn gedaan, dan wel hij garant zou staan voor de nakoming ervan. [appellante] heeft zelf, zonder tussenkomst van [geïntimeerde] , afspraken met [F] en [G] gemaakt, aldus [geïntimeerde] .

5.10

Het hof overweegt als volgt. In de door [appellante] overgelegde producties 2 en 7 bij memorie van grieven staat met zoveel woorden vermeld dat indien zij € 125.000,- beschikbaar zou stellen zij binnen korte tijd daarna € 3.000.000,- zou ontvangen (binnen drie maanden volgens productie 2 en binnen een week volgens productie 7). Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat zij het geld binnen zes weken zou ontvangen, maar wat ook zij van deze uiteenlopende termijnen, de bewuste producties betreffen slechts eigen verklaringen van [appellante] en die verklaringen vinden geen steun in de overige stukken. [appellante] heeft weliswaar verwezen naar een e-mail van 29 juni 2008 afkomstig van [C] (productie 4 bij memorie van grieven) en een niet ondertekende verklaring op naam van [F] (productie 5 bij memorie van grieven) maar daaruit blijkt niet dat de overige leden van de Perlot Groep, waaronder [geïntimeerde] , op de hoogte waren van hetgeen daarin is gesteld, dan wel dat zij zich daaraan op enigerlei wijze committeerden en dit wordt door [geïntimeerde] ook ontkend. Tot slot heeft [appellante] verwezen naar een verklaring (productie 6 bij memorie van grieven) waarin zou kunnen worden gelezen dat de leden van de Perlot Groep ervoor instaan dat de zekerheden die [appellante] had gesteld (haar Mercedes en haar woning) niet zouden worden uitgewonnen. [geïntimeerde] heeft ontkend dat dit stuk mede namens hem is opgesteld of ondertekend. De productie is ook niet ondertekend. Het hof komt op basis van het vorenstaande tot de conclusie dat uit niets blijkt dat door [geïntimeerde] een gegarandeerd resultaat is afgesproken in die zin dat [appellante] de beschikking zou krijgen over € 3.000.000,- en evenmin dat [geïntimeerde] zich garant zou stellen voor de nakoming van de verplichtingen van [appellante] uit de geldleenovereenkomst met Jaya B.V. of schade zou vergoeden. Bovendien is geen concreet en ter zake doende bewijsaanbod gedaan. Nu de door [appellante] gestelde inhoud van de verbintenissen niet is komen vast te staan, is [geïntimeerde] hierin niet tekort geschoten.

Onrechtmatige daad

5.11

[appellante] heeft gesteld dat het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] hierin bestaat dat (a) hij [appellante] door het verstrekken van allerlei onjuiste informatie en door het doen van onjuiste toezeggingen heeft bewogen tot het aangaan van een geldlening met Jaya B.V., en (b) dat [geïntimeerde] dat aldus verkregen geldbedrag naar eigen goeddunken heeft uitgegeven, althans in strijd met de met [appellante] gemaakte afspraken en zodanig onzorgvuldig dat zij naar haar geld kon fluiten.

5.12

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij, zoals hij het zelf noemt, niet de architect was van afspraken tussen [appellante] en de Perlot Groep en geen rol heeft gespeeld bij het aangaan van de hypothecaire geldlening door [appellante] met Jaya B.V. Hij kende de inhoud van de voorwaarden van die geldlening niet en ook niet het doel van het door [appellante] ontvangen bedrag. Hij werd bij de zaak betrokken, omdat voor het passeren van de hypotheekakte bleek dat een beslag rustte op de woning van [appellante] en € 10.000,- nodig was voor het opheffen van het beslag. Hij heeft toen op verzoek van [C] dat bedrag aan [appellante] ter beschikking gesteld. Omdat de Perlot Groep niet over een bankrekening beschikte heeft [appellante] , althans haar echtgenoot, het door haar geleende bedrag van Jaya B.V. gestort op de rekening van [geïntimeerde] , die uitsluitend als doorgeefluik functioneerde. [geïntimeerde] heeft vervolgens in opdracht van [F] het geld verdeeld.

5.13.

Het hof overweegt als volgt. Dat [geïntimeerde] [appellante] heeft bewogen tot, kort gezegd, het aangaan van de geldleningsovereenkomst met Jaya B.V. en het stellen van de daaraan verbonden zekerheden, wordt door [geïntimeerde] betwist en het verwijt is richting [geïntimeerde] ook op geen enkele wijze onderbouwd. Namens [appellante] is ter comparitie nog naar voren gebracht dat als [geïntimeerde] de lening van € 10.000,- niet zou hebben verstrekt, het beslag niet zou zijn opgeheven en de hypotheekakte niet zou zijn gepasseerd. Dat dit niet op één lijn kan worden gesteld met het bewegen tot het aangaan van een lening met een derde is echter evident. Bovendien was de overeenkomst van geldlening met Jaya B.V. al ruim voor het passeren van de akte aangegaan.

5.14

Het bedrag van de geldlening met Jaya B.V. is in drie gedeelten door [appellante] overgemaakt naar de rekening van [geïntimeerde] onder de enkele vermelding geldlening

9 juli 2008. Vaststaat dat [geïntimeerde] het geldbedrag op de in rechtsoverweging 2.8 genoemde wijze heeft aangewend. Niet weersproken is dat dit in opdracht van [F] is gebeurd. Dat dit in strijd is met door [appellante] gemaakte afspraken wordt door haar niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door in te vullen wat hierover tussen [appellante] en [geïntimeerde] zou zijn afgesproken. Dat het geld naar goeddunken of onzorgvuldig door [geïntimeerde] is verdeeld kan hieruit evenmin volgen.

Beroep op vernietiging

5.15

[appellante] heeft gesteld dat zij de overeenkomst van geldlening alsmede alle overige gemaakte afspraken tussen [geïntimeerde] en [appellante] vernietigt (memorie van grieven, nummer 26). Daartoe beroept zij zich op de volgende wilsgebreken.

a. Bedrog

5.16

Bedrog veronderstelt dat iemand een ander willens en wetens misleidt (zie artikel 3:44 lid 3 BW). [appellante] legt aan haar vordering gebaseerd op bedrog dezelfde feiten ten grondslag als waarop zij wanprestatie en onrechtmatige daad heeft gebaseerd. Dat feitencomplex is niet komen vast te staan en, zoals hiervoor is vastgesteld, er ontbreekt een afdoende bewijsaanbod, zodat uit die feiten dan ook geen bedrog kan worden afgeleid.

b. Misbruik van omstandigheden

5.17

[appellante] heeft gesteld dat [geïntimeerde] , als voormalig bankdirecteur en op de hoogte van haar persoonlijke financiële situatie, haar ervan had moeten weerhouden om de overeenkomst van geldlening met Jaya B.V. aan te gaan. De voorwaarden van die geldlening waren dusdanig (zie rov. 2.3) dat van meet af duidelijk was dat [appellante] deze nooit zou kunnen nakomen en zij haar woning en auto zou verliezen. De lichtzinnigheid waarmee zij die lening desondanks is aangegaan en de verwachting dat zij ondanks een gebrek aan inkomsten een lening van € 3.000.000,- zou ontvangen spreekt boekdelen. [geïntimeerde] had [appellante] met klem moeten afraden de betreffende financieringsconstructie aan te gaan

en niet over het geldbedrag van € 121.500,- moeten beschikken, maar dit geld veilig moeten stellen voor haar, aldus [appellante] .

5.18

Het hof overweegt als volgt. De stellingen van [appellante] zijn erop gebaseerd dat [geïntimeerde] de inhoud van haar geldleningsovereenkomst met Jaya B.V. tevoren kende. [geïntimeerde] heeft dit betwist en gesteld dat hij voor het eerst kennis heeft genomen van de inhoud daarvan toen deze bij de memorie van grieven werd overgelegd. Het lag op de weg van [appellante] om nader te onderbouwen op welke wijze [geïntimeerde] bij die overeenkomst van geldlening was betrokken, hetgeen zij heeft nagelaten. Ter comparitie heeft zij in dit kader nog aangevoerd dat [geïntimeerde] bij het passeren van de hypotheekakte aanwezig is geweest. [geïntimeerde] heeft dit eveneens ontkend; hij stelt uitsluitend bij het ondertekenen van de geldleenovereenkomst van € 10.000,- aanwezig te zijn geweest. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat hij bij het passeren van de hypotheekakte aanwezig is geweest, maar ook als dat wel het geval zou zijn geweest, dan is de geldleningsovereenkomst met Jaya B.V. al op 24 juni 2008 gesloten en uit niets blijkt van enige betrokkenheid van [geïntimeerde] daarbij. [appellante] heeft verder op geen enkele wijze onderbouwd op welke wijze [geïntimeerde] van haar financiële situatie op de hoogte was, terwijl [geïntimeerde] ook dit heeft weersproken. [geïntimeerde] heeft ook in dit kader nog aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de totale financieringsconstructie tussen de verschillende partijen en dat hij slechts de instructies van [F] heeft uitgevoerd met betrekking tot de (door of namens [appellante] ) op zijn rekening gestorte gelden. In een situatie als deze kan niet worden aangenomen dat er sprake is van een op [geïntimeerde] rustende zorgplicht die ertoe strekt dat [geïntimeerde] dient te onderzoeken wat de beweegredenen van [appellante] zijn. [appellante] heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid.

c. Dwaling

5.19

Voor een geslaagd beroep op dwaling is vereist dat ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst (1) het de dwalende aan een juiste voorstelling van zaken heeft ontbroken, (2) zonder de dwaling de overeenkomst niet, althans niet met dezelfde inhoud, zou zijn afgesloten, (3) de dwaling te wijten is aan (a) een inlichting van de wederpartij, of (b) een schending van de spreekplicht van de wederpartij, of dat sprake is van (c) wederzijdse dwaling en (4) de dwaling niet berust op een uitsluitend toekomstige omstandigheid of op grond van de verkeersopvatting voor rekening van de dwalende behoort te blijven (artikel 6:228 BW). Het hof overweegt uitgaande van deze maatstaf het volgende.

5.20

Bij het beroep van [appellante] op dwaling wreekt zich dat zij in haar stellingen de verschillende overeenkomsten door elkaar laat lopen. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij de overeenkomst van geldlening met Jaya B.V. met een onjuiste voorstelling van zaken is aangegaan, voert [appellante] aan dat zij die overeenkomst nooit zou hebben gesloten als zij van te voren had geweten dat dit er niet toe zou leiden dat aan haar een lening van € 3.000.000,- zou worden verstrekt. Zij roept vervolgens vernietiging van deze overeenkomst in. [geïntimeerde] is echter geen partij bij deze overeenkomst en van enige betrokkenheid van [geïntimeerde] bij het aangaan van deze overeenkomst is niet gebleken, zodat een oordeel over die ingeroepen vernietiging deze procedure te buiten gaat. [appellante] roept verder de vernietiging in “van alle afspraken tussen haar en [geïntimeerde] ”. Bij een zeer welwillende lezing zou dat kunnen worden uitgelegd als dwaling over de inhoud van de onder 5.2 bedoelde, door [appellante] gestelde, overeenkomst tussen haar en de Perlot Groep waarbij zij € 125.000,- inbrengt ter verwerving van een lening van € 3.000.000,-. [appellante] heeft gedwaald over de inhoud van die overeenkomst; zij is er immers van uitgegaan dat zij met zekerheid de beschikking zou krijgen over dit bedrag, terwijl dat niet is gebeurd. In deze procedure is niet komen vast te staan dat dit resultaat door de (leden van de) Perlot Groep is gegarandeerd. [appellante] heeft betoogd dat haar onjuiste veronderstelling te wijten is aan onjuiste informatie van [geïntimeerde] , maar zij heeft dat niet geconcretiseerd. Voorts heeft zij betoogd dat [geïntimeerde] wist dat zij dwaalde en haar in strijd met zijn mededelingsplicht niet heeft geïnformeerd. Ook dit betoog faalt. [appellante] , die ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast heeft, heeft de betrokkenheid en kennis van [geïntimeerde] hierbij niet onderbouwd. Daarop stuit ook het beroep op wederzijdse dwaling af.

Ter comparitie heeft [appellante] tot slot nog aangevoerd dat het beroep op vernietiging de overeenkomst van geldlening zou betreffen van [geïntimeerde] aan haar van € 10.000,-. Deze lezing is voor het eerst ter zitting aangevoerd en past ook niet bij de overige stellingen, waarbij de financiering door de onderneming van [G] steeds een rol speelt. De conclusie luidt dat het beroep op dwaling geen stand houdt.

Bewijsaanbod

5.21

Het bewijsaanbod van [appellante] dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op geconcretiseerde en onderbouwde stellingen – dan wel niet ter zake dienende - nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven - te worden gepasseerd.

5.22

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen leidt geen van de door [appellante] genoemde grondslagen tot toewijzing van haar vorderingen. Het ter beschikking stellen door [appellante] van het bedrag van € 121.500,- aan de leden van de Perlot Groep, waaronder [geïntimeerde] , op de rekening van [geïntimeerde] was ter uitvoering van afspraken die zij daartoe met hen had gemaakt en waaraan de rechtsgrond niet is komen te ontvallen of door dit arrest zal ontvallen, zodat geen sprake is van onverschuldigde betaling (grief 1) en zij in eerste aanleg terecht in de proceskosten is veroordeeld (grief 2).

Slotsom

5.23

De grieven falen. Het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 1.628,- voor verschotten en op € 6.322,- aan salaris advocaat conform het liquidatietarief (2 punten, tarief V).

De beslissing

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

26 juli 2017;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.628,- voor verschotten en op € 6.322,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. I. Tubben, mr. M.E.L. Fikkers en mr. H.M. Fahner en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

2 juli 2019.