Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:541

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
14-02-2019
Zaaknummer
200.210.600
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omkering bewijslast in het kader van beweerdelijke schenking(en)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0048
FJR 2020/21.15
Jurisprudentie Erfrecht 2019/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel/familie

zaaknummer gerechtshof 200.210.600

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, 296373)

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

1 [appellant sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [appellante sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie, verweerders in reconventie,

hierna: [appellanten] (mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. J.J.H. Post,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: voorheen mr. I.M. d’Hont, thans mr. R.W. de Pater.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 mei 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 september 2018 en de producties 22-24 die door mr. d’Hont bij journaalbericht van 19 juli 2018 zijn ingezonden.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het vonnis van 5 oktober 2016. Deze feiten zijn hierna voor een goed begrip en voor de leesbaarheid van dit arrest weergegeven.

2.2

[naam erflater] (hierna: erflater) is gehuwd geweest met de grootmoeder van [appellanten] . Dat huwelijk is door echtscheiding ontbonden op 11 april 1997. Erflater heeft vanaf april/mei 1996 gewoond in de woning van [geïntimeerde] en haar echtgenoot te [woonplaats] . Erflater is aldaar overleden op [overlijdensdatum] .

2.3

[appellanten] heeft op zeker moment een brief ontvangen van [geïntimeerde] waarin zij meedeelde dat erflater was overleden. Bij die brief was gevoegd een door erflater ondertekende verklaring met de volgende tekst:

3 Nov 2014 [woonplaats]

Heden 3 november 2014 herroep ik alle uiterste wilsbeschikkingen vóór deze door mij gemaakt.

Ik bepaal, dat de uitleg van dit schrijven en de afwikkeling van mijn nalatenschap, uitgevoerd wordt door: [geïntimeerde] - Geboren te [geboorteplaats] .

Voor:

[appellant sub 1] geboren [geboortedatum] ,

[appellant sub 2] geboren [geboortedatum] ,

[appellante sub 3] geboren [geboortedatum] ,

zijn de tegoeden bedoeld, die mogelijk nog op een bank in Canada zijn gestald.

Ten tijde van het huwlijk met mevr. [naam echtgenote] , is er een som gestort aldaar.

Mevrouw [naam echtgenote] zal in het bezit zijn van alle gegevens, omtrent de in Canada gestalde tegoeden.

Mij is de deur ontzegd, zonder enig financieel tegoed. Om eventuele problemen te voorkomen, dit schrijven.

Getuigen: 1, [naam getuige 1]

2, [naam getuige 2]

3, [naam getuige 3]

Getekend:

[naam erflater]

[geboortedatum]

BSN: [nummer]

[adres]

2.4

[geïntimeerde] heeft aan [appellanten] een brief met dagtekening 5 december 2014 toegestuurd met daarbij gevoegd een andere verklaring van erflater met de volgende tekst:

3 Nov 2014 [woonplaats]

Heden 3 november 2014 herroep ik alle uiterste wilsbeschikkingen vóór deze door mij gemaakt.

Ik bepaal, dat de uitleg van dit schrijven en de afwikkeling van mijn nalatenschap, uitgevoerd wordt door: [geïntimeerde] - Geboren te [geboorteplaats] .

Dit omdat ik 18 jaar heb samengewoond met [geïntimeerde] .

Na afwikkeling van alle zaken (betaling crematie, medicijnen, voorschotten pgb en nog openstaande rekeningen) dienen de tegoeden staande op de betaalrekening van de Regiobank te Voorthuizen verdeeld te worden.

De volgende personen komen in aanmerking dit kontant te ontvangen: 1, [erfgenaam 1]

2, [erfgename 2]

3, [erfgename 3]

4, [erfgenaam 4]

Zij hebben enorme kosten gemaakt, om mij vanuit Roemenië te bezoeken.

Mevr. [geïntimeerde] zal deze zaken afwikkelen.

Na afwikkeling van alle zaken kunnen de tegoeden van NL16 INGB [rekeningnummer] (ING Barneveld) eveneens verdeeld worden door de 4 bovenstaande personen.

Getuigen: 1, [naam getuige 1]

2, [naam getuige 2]

3, [naam getuige 3]

Getekend:

[naam erflater]

[geboortedatum]

BSN: [nummer]

[adres]

2.5

Ten aanzien van beide verklaringen van 3 november 2014 geldt dat op de rechteronderzijde ervan het rijbewijs van erflater is gekopieerd en dat bij de namen van de in die verklaringen genoemde getuigen en bij de naam van de erflater handtekeningen staan.

2.6

Op 30 oktober 2014 beschikte erflater over de volgende bankrekeningen:

- bankrekening [rekening 1] bij Regiobank (hierna: rekening [rekening 1] ) met als saldo: € 0,00

- bankrekening [rekening 2] t.n.v. erflater en/of [geïntimeerde] bij Regiobank (hierna: en/of-rekening) met als saldo: € 73.199,23

- bankrekening [rekening 3] bij Regiobank (hierna: rekening [rekening 3] ) met als saldo: € 8.192,78

- bankrekening [rekeningnummer] bij ING Bank (hierna: rekening [rekeningnummer] ) met als saldo; € 2.071,89.

2.7

De en/of-rekening is na 30 oktober 2014 gedebiteerd voor een bedrag van in totaal

€ 73.259,88, respectievelijk:

  • -

    op 4 november 2014 opname per kas van € 40.000,-,

  • -

    op 7 november 2014 opname per kas van € 30.000,-,

  • -

    op 10 november 2014 opname per kas van € 3.199,23,

  • -

    op 10 november 2014 overboeking naar rekening van [geïntimeerde] van € 60,65.

2.8

Op 26 augustus 2014 is van rekening [rekening 3] een bedrag van € 7.445,01 overgeboekt naar een bankrekening van OTO Nijkerk B.V. met als omschrijving ‘(…) contractnr.: [contractnummer] tnv Mw.M’. Dit betrof de aankoop van een Toyota Yaris (hierna: de Yaris). In het kader van die transactie is tevens een auto van erflater ter waarde van € 11.500,- ingeruild.

2.9

Bij testament van 2 augustus 1996 heeft erflater over zijn nalatenschap beschikt. Daarbij heeft erflater [appellanten] als enig erfgenamen benoemd. [appellanten] heeft de nalatenschap op 12 januari 2015 beneficiair aanvaard.

2.10

[appellanten] heeft met het oog op de in 3.1 hierna vermelde vordering, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir verhaalsbeslag gelegd onder de RegioBank N.V. en de Coöperatieve Rabobank Gelderse Vallei U.A. alsmede op de onverdeelde helft van de onroerende zaak aan de [adressen] .

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellanten] heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen te betalen de bedragen van: € 73.259,88 ter zake van de bankonttrekkingen en € 18.945,01 ter zake van de auto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met verdere nevenvorderingen.

3.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie – samengevat – gevorderd [appellanten] te veroordelen tot opheffing van de onder 2.10 genoemde (derden)beslagen, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten en de nakosten.

3.3

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de kosten van het geding in conventie.

De rechtbank heeft [appellanten] in reconventie veroordeeld de door hem gelegde (derden)beslagen op te heffen.

4 De motivering en de beslissing in hoger beroep

4.1

Bij memorie van grieven van 18 april 2017 heeft [appellanten] zes grieven aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof

I. het tussenvonnis van 5 oktober 2016 en het eindvonnis van 18 januari 2017, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal vernietigen en II. opnieuw rechtdoende zijn vorderingen in eerste aanleg zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en haar vorderingen in zoverre zal afwijzen.

4.2

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord van 27 juni 2017 verweer gevoerd, met conclusie dat het hof het hoger beroep van [appellanten] ongegrond zal verklaren en de vorderingen zal afwijzen, het tussenvonnis en het eindvonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

4.3

[appellanten] vordert in deze procedure terugbetaling van de gelden die [geïntimeerde] heeft onttrokken aan het vermogen van erflater en stelt dat deze onttrekkingen onrechtmatig zijn (artikel 6:162 BW) dan wel dat sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW). Voorts vordert [appellanten] vergoeding van de waarde van de Yaris. [geïntimeerde] betwist dat en voert als verweer dat erflater deze bedragen en de Yaris aan haar heeft geschonken. [appellanten] voert vervolgens aan dat geen sprake is van schenkingen dan wel dat deze schenkingen tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden. De advocaat van [appellanten] heeft zich op de vernietigingsgrond beroepen in zijn brief van 1 december 2015 aan [geïntimeerde] (productie 25 dagvaarding eerste aanleg). Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of sprake is van schenkingen en van misbruik van omstandigheden (grieven 1, 3 en 4) en op de bewijslastverdeling (grief 2). Grief 5 is een uitwerking van de grieven 1 tot en met 4 tegen oordelen in het tussenvonnis en grief 6 richt zich op de opheffing van de beslagen. Deze grieven missen zelfstandige betekenis en behoeven geen aparte bespreking.

4.4

Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Toepassing van deze laatste uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden. De beslissing tot omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden gemotiveerd, waarbij de rechter de omstandigheden moet vaststellen die hem tot dit oordeel hebben geleid en inzicht moet geven in de gedachtegang die hij daarbij heeft gevolgd (HR 2 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA8445).

4.5

Het hof is van oordeel dat de bewijslast voor onrechtmatige daad/onverschuldigde betaling/ongerechtvaardigde verrijking volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op [appellanten] rust, die stelt dat juist geen sprake is geweest van schenking(en) maar van onrechtmatige onttrekkingen. In dit geval ziet het hof op grond van redelijkheid en billijkheid, bezien in de hierna te benoemen omstandigheden, redenen om de bewijslast om te keren en [geïntimeerde] te belasten met het bewijs dat sprake is geweest van schenking(en). De onder 2.4 bedoelde verklaring van erflater in de brief van 3 november 2014 roept bij het hof vraagtekens op. In deze verklaring/brief is een viertal Roemenen als ontvanger van de betaalrekening bij de Regiobank genoemd, wat in tegenspraak is met de stelling van [geïntimeerde] dat erflater het geld op de bankrekening aan haar geschonken heeft. [geïntimeerde] heeft tot op heden, zo verklaarde zij ter zitting in hoger beroep, ook geen aangifte van de schenking(en) bij de belastingdienst gedaan. Erflater heeft achttien jaar (in)gewoond bij [geïntimeerde] . Tussen erflater en [geïntimeerde] en haar gezin (echtgenoot en kinderen) was sprake van een intensief en dagelijks contact, zo staat onbestreden vast. De erfgenamen hebben de laatste achttien jaar geen contact met erflater gehad en zij zijn niet betrokken geweest bij diens financiële aangelegenheden. Gelet hierop bevinden de te bewijzen feiten en omstandigheden zich volledig in het domein van [geïntimeerde] . Nu [appellanten] die volgens de hoofdregel de bewijslast heeft in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt voor het bewijzen van feiten en omstandigheden die geheel in het domein van [geïntimeerde] liggen is omkering van de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid geboden (vgl. HR 20 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4529). [geïntimeerde] zal aldus de schenkingen (van de Yaris en de geldbedragen) dienen te bewijzen.

4.6

Indien na bewijslevering komt vast te staan dat sprake is van schenking(en) moet het hof toepassing geven aan artikel 7:176 BW. In geval van misbruik van omstandigheden bij schenking geldt op grond van artikel 7:176 BW een bijzonder, van artikel 150 Rv afwijkend, bewijsregime. Artikel 7:176 BW bepaalt dat indien de schenker (dit zijn hier de erfgenamen [appellanten] ) feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn. Deze regel is in de wet opgenomen ter versterking van de positie van de schenker. Zie HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1272.

4.7

Om proceseconomische redenen en gezien de samenhang van de bewijsthema’s ziet het hof aanleiding partijen op te dragen ter gelegenheid van het (tegen)getuigenverhoor ook hun stellingen/weren omtrent het misbruik van omstandigheden mee te nemen. Het hof geeft hiermee nog geen oordeel omtrent de verdeling van de bewijslast.

4.8

Iedere verdere beslissing wordt door het hof aangehouden.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde] toe tot het onder 4.5 vermelde bewijs;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 5 februari 2019 in het geding dient te brengen,

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mevrouw mr. R.A. Dozy, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 5 februari 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, J.H. Liever en J.U.M. van der Werff, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. J.H. Lieber en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.