Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5408

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
22-07-2019
Zaaknummer
17/01416
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2017:6271, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:823
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Invoer gebruikte auto. Tariefsverhoging. Toepassing historisch tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 23-07-2019
FutD 2019-2057
V-N Vandaag 2019/1786
V-N 2019/46.1.7
Viditax (FutD), 01-05-2020
NTFR 2019/1978
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 17/01416

uitspraakdatum: 2 juli 2019

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 4 december 2017, nummer AWB 17/3125, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Belanghebbende heeft een bedrag van € 14.310 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan.

1.2

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.4

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de verschuldigde BPM vastgesteld op € 13.289, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.482 alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 333.

1.5

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.6

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 26 juni 2019 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede – namens de Inspecteur – mr. [B] en mr. [C] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft een gebruikte auto, een Jeep, type Wrangler Unlimited 3.6 Sahara (hierna: de auto), met een datum van eerste toelating van 28 januari 2014, vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht en deze op 19 januari 2017 doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden kentekenregister.

2.2

Belanghebbende heeft ter zake van de auto op 11 januari 2017 aangifte voor de BPM gedaan. In overeenstemming met deze aangifte heeft zij een bedrag van € 14.310 aan BPM voldaan.

2.3

Bij de aangifte is een taxatierapport van [D] BV, opgemaakt door ing. [E] overgelegd. Het taxatierapport is gedagtekend 11 januari 2017.

2.4

In het taxatierapport is een handelsinkoopwaarde van € 26.468 vermeld. In de aangifte is uitgegaan van een bruto BPM van € 49.245 (tarief 2014).

2.5

Het bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2017 ongegrond verklaard.

2.6

De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 4 december 2017 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de verschuldigde BPM vastgesteld op € 13.289, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.482 alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 333.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

In hoger beroep is de hoogte van de verschuldigde BPM in geschil. Meer specifiek is in geschil of belanghebbende een beroep kan doen op de bruto BPM van het jaar 2013. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Bij de registratie van een gebruikte personenauto wordt de BPM bepaald aan de hand van het alsdan geldende tarief (HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78).

4.2

Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, BNB 2017/148, is het vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 110 van het VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerd gebruikt motorvoertuig in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd gebruikt motorvoertuig (hierna: referentievoertuig). Producten als auto’s zijn gelijksoortig in vorenbedoelde zin wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid (HR 10 november 2017, nr. 16/05289, ECLI:NL:HR:2017:2822, r.o 2.4.1).

4.3

Artikel 16a, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM), luidt als volgt:

“In geval van een verhoging van de in artikel 9 opgenomen tarieven wordt voor een personenauto die, een motorrijwiel dat of een bestelauto die voorafgaande aan het tijdstip waarop de verhoging in werking treedt, in het kentekenregister is ingeschreven zonder tenaamstelling, de belasting berekend op de voet van artikel 9, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding, mits de tenaamstelling plaatsvindt binnen twee maanden na de inwerkingtreding. Indien de tenaamstelling plaatsvindt nadat deze twee maanden zijn verstreken, wordt de belasting berekend op de voet van artikel 9, zoals dat luidt nadat de verhoging in werking is getreden.”

4.4

In de bij dat artikel behorende memorie van toelichting is opgemerkt:

“Dit onderdeel bevat een in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 op te nemen overgangsbepaling die voorzieningen treft voor de situatie dat de daarin opgenomen tarieven worden gewijzigd, dan wel indien kortingen of normen worden vastgesteld of gewijzigd. Deze overgangsbepaling is op dit moment alleen van belang voorzover deze betrekking heeft op situaties waarbij verklaringen voor een korting worden afgegeven of vervallen verklaard, maar is tevens van toepassing op gevallen waarin tarieven en kortingen eventueel later bij de wet worden gewijzigd, zodat in die gevallen geen overgangsrecht meer behoeft te worden geregeld.

Een overgangsbepaling is voor al deze situaties noodzakelijk in verband met het feit dat ter zake van een vervoermiddel reeds in een vroeg stadium een kenteken wordt afgegeven, terwijl eerst op een later tijdstip de tenaamstelling van het kenteken overeenkomstig artikel 48, tweede lid, onderdeel b van het Kentekenreglement plaatsvindt. De datum van tenaamstelling is feitelijk bepalend voor de vaststelling van de hoogte van de bpm; ook dan wordt pas de bpm verschuldigd. Aangezien het bpm-bedrag moet worden vermeld op het kentekenbewijs, wordt dat reeds daarop vermeld op het moment dat het wordt afgegeven, zulks naar het tarief dat op dat moment van toepassing is. Indien de tenaamstelling echter plaatsvindt nadat een tariefwijziging heeft plaatsgevonden, zou dat inhouden dat alle (voortijdig) afgegeven kentekens moeten worden ingenomen. Om dat te voorkomen voorziet dit artikel in een overgangsfase. Het eerste lid heeft betrekking op tariefwijzigingen die tot gevolg hebben dat de bpm stijgt, hetzij omdat het tarief zelf is verhoogd, hetzij omdat de korting wordt verminderd. Ter zake van die situatie wordt bepaald dat het bij afgifte van het kenteken toegepaste tarief gehandhaafd blijft voor zover de tenaamstelling plaatsvindt binnen twee maanden na de tariefwijziging. Deze termijn is gesteld om te voorkomen dat bij een tariefwijziging een «hamstering» plaatsvindt van nieuwe auto’s tegen het oude tarief.” (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 689, nr. 3, blz. 31)

4.5

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat als hoofdregel geldt dat bij een registratie in 2017 het in 2017 geldende BPM-tarief wordt toegepast en dat door de verschillende registratiedata er geen sprake is van strijd met artikel 110 van het VWEU. Verder zijn volgens de Inspecteur, naar het Hof begrijpt, de voertuigen waarop artikel 16a van de Wet BPM is toegepast geen referentievoertuigen omdat deze – door een oudere datum op het kentekenbewijs – een lagere waarde hebben.

4.6

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 110 van het VWEU en artikel 16a van de Wet BPM een beroep kan doen op de bruto BPM uit het jaar 2013 omdat de auto een datum eerste toelating van de eerste twee maanden van 2014 heeft. Er rijdt in Nederland een referentievoertuig rond dat voor het eerst werd toegelaten, geregistreerd en in gebruik genomen in de eerste twee maanden van 2014, waarop de bruto BPM van 2013 is toegepast, aldus belanghebbende.

4.7

De referentievoertuigen die in het geval van belanghebbende in aanmerking komen, zijn naar het oordeel van het Hof die voertuigen die een datum eerste toelating van 28 januari 2014 hebben. De ter zake van de registratie van de auto van belanghebbende met een eerste toelating in Duitsland van 28 januari 2014 te heffen BPM, mag niet hoger zijn dan de BPM die nog rust op een gelijksoortig voertuig op de binnenlandse markt met een eerste toelating in Nederland van 28 januari 2014. Artikel 16a van de Wet BPM maakt het mogelijk dat zich op de Nederlandse markt voertuigen bevinden met de datum eerste toelating 28 januari 2014, waarop het tarief van 2013 is toegepast. Het Hof volgt de Inspecteur niet in zijn standpunt dat de voertuigen waarbij artikel 16a van de Wet BPM is toegepast geen referentievoertuigen kunnen zijn. Dit omdat naar het oordeel van het Hof de registratie in het kentekenregister (afgifte van een kentekenbewijs) geen relevant fysiek kenmerk van een voertuig is en als dat wel zo zou zijn, dat kenmerk onvoldoende onderscheidend is om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een referentievoertuig. Aangezien door de werking van genoemd artikel 16a niet kan worden uitgesloten dat zich op de Nederlandse markt een referentievoertuig bevindt met een datum eerste toelating van 28 januari 2014, waarop het tarief 2013 is toegepast, kan dit tot geen andere conclusie leiden dan dat ook belanghebbende het tarief 2013 mag toepassen. De andersluidende visie van de Inspecteur acht het Hof niet juist.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.024 (2 punten (verweerschrift, verschijnen zitting)  wegingsfactor 1  € 512).

6 Beslissing

Het Hof:

– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.024, en

– bepaalt dat van de Inspecteur op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan een griffierecht zal worden geheven van € 508.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2019

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 juli 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.