Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5406

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-07-2019
Datum publicatie
02-07-2019
Zaaknummer
21-000196-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

veroordeling wegens het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hen gesteld gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000196-18

Uitspraak d.d.: 2 juli 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2018 met parketnummer 05-740462-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01-215631-16, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende te [adres verdachte] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 september 2018, 18 juni 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 250 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Aan deze proeftijd verbindt de advocaat-generaal de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn opgelegd door de rechtbank, met uitzondering van het elektronisch toezicht. Voorts heeft hij gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel van een contactverbod wordt opgelegd voor de duur van vijf jaren op straffe van 14 dagen hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden, en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 1 maand wordt toegewezen en omgezet naar een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.H. van Steijn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De verdachte is bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2018 veroordeeld voor het opzettelijk onttrekken van zijn minderjarige zoons aan het wettig over hen gestelde gezag.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het komt tot een andere strafoplegging en daarom opnieuw rechtdoen.


De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 13 september 2017 te Arnhem en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Milaan en/of in Nederland en/of in Italië, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] , heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over hem gesteld gezag ( [aangeefster] ) en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige meegenomen naar Italië en/of

- voornoemde minderjarige in Italië vastgehouden/ondergebracht

en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van [aangeefster] gebracht en/of gehouden;

2.
hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 13 september 2017 te Arnhem en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Milaan en/of in Nederland en/of in Italië, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , heeft onttrokken en/of onttrokken gehouden aan het wettig over hem gesteld gezag ( [aangeefster] ) en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige meegenomen naar Italië en/of

- voornoemde minderjarige in Italië vastgehouden/ondergebracht

en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van [aangeefster] gebracht en/of gehouden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof op 18 juni 2019 verklaard dat hij op 26 juli 2017 voor de Nederlandse wet officieel gescheiden is van zijn ex-vrouw [aangeefster] (aangeefster). Volgens de omgangsregeling woonde de oudste zoon [slachtoffer 1] bij verdachte en de jongste zoon [slachtoffer 2] bij aangeefster. Verdachte en aangeefster hadden gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun zoons.

Op 9 september 2017 heeft verdachte beide zoons meegenomen vanuit Nederland naar Italië. Uit de aangifte en uit de verklaringen van verdachte blijkt dat aangeefster aan verdachte geen toestemming heeft gegeven om met hun zoons naar Italië te vertrekken. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat aangeefster niet wist dat hij hun zoons meenam naar Italië. Hij heeft haar hierover niet geïnformeerd en haar niet om toestemming gevraagd. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster niet om het paspoort van [slachtoffer 2] heeft gevraagd, omdat hij er van uit ging dat aangeefster dit toch niet zou geven.

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1 nu hun zoon [slachtoffer 1] permanent bij hem woonde en hij van aangeefster toestemming had om [slachtoffer 1] mee te nemen naar het buitenland. Deze stelling wordt uitdrukkelijk door aangeefster weersproken en wordt door de raadsman niet onderbouwd en de gestelde toestemming is ook verder op grond van de inhoud van het strafdossier niet aannemelijk geworden. De afspraak dat verdachte zijn paspoort en dat van [slachtoffer 1] zou inleveren bij aangeefster tijdens de omgang van verdachte met [slachtoffer 2] , zoals verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, duidt ook niet op een dergelijke toestemming.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 13 september 2017 te Arnhem en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Milaan en/of in Nederland en /of in Italië, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 1] , heeft onttrokken en /of onttrokken gehouden aan het wettig over hem gesteld gezag ( [aangeefster] ) en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende , immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige meegenomen naar Italië en /of

- voornoemde minderjarige in Italië vastgehouden/ ondergebracht

en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en /of de invloedssfeer van [aangeefster] gebracht en /of gehouden;

2.
hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 13 september 2017 te Arnhem en/of te 's-Hertogenbosch en/of te Milaan en/of in Nederland en /of in Italië, opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum slachtoffer 2] , heeft onttrokken en /of onttrokken gehouden aan het wettig over hem gesteld gezag ( [aangeefster] ) en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende , terwijl die minderjarige beneden de twaalf jaren oud was, immers heeft verdachte zonder toestemming:

- voornoemde minderjarige meegenomen naar Italië en /of

- voornoemde minderjarige in Italië vastgehouden/ ondergebracht

en aldus voornoemde minderjarige buiten het bereik en /of de invloedssfeer van [aangeefster] gebracht en /of gehouden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de straf heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“Verdachte heeft op 9 september 2017 zijn twee minderjarige kinderen zonder toestemming van de moeder meegenomen naar Italië. Verdachte is ruim vijf dagen met de kinderen weggeweest (…). Onbekend is hoe lang deze situatie zou hebben voortgeduurd als de politie in Milaan verdachte niet had aangehouden (…). Verdachte heeft aldus beide kinderen onttrokken aan het gezag van de moeder. Bovendien wist verdachte dat de oudste zoon vanaf maandag 11 september 2017 gewoon naar school zou moeten gaan, hetgeen hij welbewust heeft genegeerd.

Ouderlijk gezag is het recht en de plicht van de ouder om zijn of haar kind op te voeden en te verzorgen. Het belang van het kind staat hierin centraal en dat behoort door een ieder te worden gerespecteerd. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen in juridische zin, maar ook in feitelijke zin het ouderlijk gezag van aangeefster doorkruist. Daarmee heeft hij zijn eigen belang boven het belang van de kinderen (en dat van aangeefster) geplaatst.

Gedurende de dagen dat verdachte met de kinderen in Italië was, was het lot van de kinderen voor aangeefster onbekend. Hoe betrekkelijk kort deze periode ook moge zijn geweest, het moet voor haar een buitengewoon onzekere, angstige en emotionele tijd zijn geweest. Dat geldt temeer nu bij haar reële angst kon bestaan dat verdachte de kinderen daadwerkelijk naar Afghanistan zou meenemen. (…) Bovendien heeft hij telefonisch bij de moeder van aangeefster de indruk gewekt dat hij met de kinderen op weg was naar Afghanistan. (…)

De rechtbank acht zeer invoelbaar dat hierdoor bij aangeefster, als moeder van beide kinderen, een grote angst is ontstaan. Dat aangeefster na een aantal dagen te horen kreeg dat de kinderen in Milaan waren, is niet de verdienste van verdachte geweest, maar van justitie en politie in Nederland en Italië.

Verdachte was nog op 25 februari 2017 - eveneens wegens onttrekking aan het ouderlijk gezag (…) - strafrechtelijk veroordeeld en wist dan ook zonder twijfel dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is. Bovendien moet hem in het kader van die strafprocedure duidelijk zijn geworden dat de Nederlandse wetgever op dergelijk feiten een maximum gevangenisstraf van 9 jaar, in geval van beide kinderen oplopend tot 12 jaar, heeft gesteld. Desondanks heeft verdachte, binnen 7 maanden na de vorige veroordeling, hun beide kinderen zonder toestemming van aangeefster meegenomen naar het buitenland.

De rechtbank neemt verdachte zijn handelen dan ook zeer kwalijk en accepteert de verklaring van verdachte dat het zou gaan om een spontane vakantie en dat de verwijzing naar Afghanistan was bedoeld als ‘een grapje’ dan ook volstrekt niet.”

Het hof sluit zich bij deze overwegingen aan, maakt deze tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe.

Bij de straftoemeting heeft het hof rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 mei 2019. Daaruit blijkt dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd gedurende de proeftijd van een eerdere veroordeling wegens het onttrekken van één van zijn zoons aan het ouderlijk gezag van aangeefster. In beginsel rechtvaardigen bovengenoemde omstandigheden daarom een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Echter, het hof houdt ook rekening met hetgeen door de deskundigen van de reclassering en van de forensisch psychiatrische polikliniek Kairos over verdachte ter terechtzitting van het hof op 18 juni 2019 en in de brief van Kairos van 8 april 2019 (als bijlage bij het verzoek tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden) naar voren is gebracht. Verdachte houdt zich goed aan de gemaakte afspraken, hij toont zich gemotiveerd voor de behandeling, is leergierig en past het geleerde toe. Daarnaast is verdachte druk doende met zijn eigen bedrijf en woont zijn oudste zoon weer bij hem thuis.

Alles overwegende is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, langer dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, thans geen redelijk doel meer dient. Het hof zal aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf. Gelet op het feit dat ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de onderlinge verhoudingen van verdachte, aangeefster en hun kinderen, nog niet stabiel zijn en verdachte daar emotioneel op kan reageren, zal het hof een langere proeftijd dan gevorderd door de advocaat-generaal verbinden aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf. Aan deze proeftijd verbindt het hof de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, meldplicht en een contactverbod met aangeefster.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, gelet op de huidige situatie, voorts een contactverbod als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht met aangeefster in dit geval noodzakelijk is. Het hof zal de directe uitvoerbaarheid van deze maatregel bevelen om te voorkomen dat verdachte wederom een strafbaar feit zal plegen of zich belastend gedraagt jegens aangeefster. Het hof legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van vijf jaren gelet op de tot op heden nog instabiele situatie rondom het gezag van en de omgang met de kinderen van verdachte en aangeefster.

Gelet op het voorgaande zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 februari 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, parketnummer 01-215631-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

Op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, zal het hof in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf een taakstraf van na te melden duur gelasten.

Verzoek wijziging schorsingsvoorwaarden

Door de raadsman is een voorwaardelijk verzoek tot wijziging van de schorsingsvoorwaarden gedaan. Dit verzoek behoeft geen verdere bespreking nu het belang hieraan is komen te ontvallen, gelet op de beslissing over het bevel voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 38v, 38w, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 250 (tweehonderdvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich uiterlijk binnen 5 dagen na de uitspraak te melden bij Reclassering Nederland op het adres Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem en gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van het reclasseringstoezicht door of namens de reclassering zullen worden gegeven, ook als dat betekent dat de veroordeelde zich moet laten behandelen voor zijn spanningsproblematiek en/of beperkte copingvaardigheden, bij Kairos of een soortgelijke instelling.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum aangeefster] te [geboorteplaats aangeefster] ) tenzij dit in overleg met en na toestemming van de reclassering gebeurt in het kader van de omgangsregeling met de minderjarige kinderen van [aangeefster] en veroordeelde, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich zal houden aan de afspraken en aanwijzingen (met betrekking tot de kinderen) van de Jeugdbescherming of een soortgelijke verantwoordelijke instantie.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum aangeefster] te [geboorteplaats aangeefster] ), tenzij dit in overleg met en na toestemming van de reclassering gebeurt in het kader van de omgangsregeling met de minderjarige kinderen van [aangeefster] en veroordeelde. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 23 februari 2017 met parketnummer 01-215631-16, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand , een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M. Keppels, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. A.J. Smit, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier,

en op 2 juli 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 2 juli 2019.

Tegenwoordig:

mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr. W.C.J. Stienen, advocaat-generaal,

mr. W.C.S. Huijbers, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.