Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:540

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
200.207.714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen Politie bij onderzoek naar identiteit van in beslag genomen auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0574
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.714

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 3575775)

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] (Republiek der Filipijnen),

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. R.E.F. Bergwerf Bok (onttrokken),

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Politie,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Politie,

advocaat: mr. A.T. Bolt.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het in deze zaak gewezen tussenarrest van 14 augustus 2018. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast.

1.2

Deze comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2018. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, op verzoek van het hof kleurenfoto’s overgelegd en vragen van het hof beantwoord. Daarna heeft het hof op verzoek van partijen arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden tussenvonnis van 4 november 2015.

3 Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de grieven

3.1

Deze zaak gaat kort gezegd over de vraag of de Politie aansprakelijk is voor door [Appellant] (beweerdelijk) geleden schade ten gevolge van het politieoptreden jegens hem met ingang van 5 april 2012.

3.2

Na het tussenvonnis van 4 november 2015 met bewijsopdracht aan [Appellant] heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 24 augustus 2016 de vorderingen van [Appellant] afgewezen en [Appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.3

[Appellant] richt grief 1 tegen het oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 november 2015 (r.o. 4.7) dat van een onrechtmatige aanhouding van [Appellant] op 5 april 2012 geen sprake is geweest en grief 2 tegen het in datzelfde tussenvonnis (r.o. 4.1) vervatte oordeel dat de bewijslast ten aanzien van (het in r.o 4.1 geduide) onrechtmatig handelen van de Politie bij [Appellant] berust. Met grief 3 bestrijdt [Appellant] de beslissing van de kantonrechter in het tussenvonnis van 4 november 2015 (onderdeel 5.1 van het dictum en daarmee samenhangend r.o. 4.10) de bewijslast van schade als gevolg van ondeskundige wijze van controleren van het chassisnummer en afslepen van de auto bij [Appellant] te leggen. Grief 4 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis van 24 augustus 2016 (r.o. 2.2) dat het chassisnummer van de auto door de handelwijze van de Politie niet beschadigd is en grief 5 is gericht tegen de afwijzing in datzelfde eindvonnis van de door [Appellant] gestelde schade als gevolg van het afslepen van de auto.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[Appellant] stelt dat de Politie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door op ondeskundige wijze zijn Mercedes 300 TD, met Luxemburgs kenteken [Kentekennummer] (verder te noemen: de auto) te doen wegslepen en eveneens op ondeskundige wijze onderzoek naar de identiteit van de auto te doen. Volgens [Appellant] heeft het onrechtmatig handelen van de Politie schade veroorzaakt aan (een van) de achterbanden en aan het chassisnummer van de auto. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Politie, dient [Appellant] de door hem gestelde feiten te bewijzen, conform de hoofdregel van artikel 150 Rv. Het voorgaande betekent dat grief 3 over de bewijslastverdeling faalt.

4.2

Het hof is van oordeel dat de Politie door haar wijze van onderzoek aan de auto en de daardoor veroorzaakte schade aan het chassisnummer onrechtmatig jegens [Appellant] heeft gehandeld. Het hof neemt tot uitgangspunt dat de Politie proportioneel en subsidiair behoort te handelen bij een onderzoek aan een verdachte in eigendom toebehorende zaak. De Politie heeft erkend dat met schuurpapier en een staalborstel de laklaag op en rondom het chassisnummer is weggeschuurd. De door partijen op de zitting van 24 oktober 2018 overgelegde kleurenfoto’s van voor en na het onderzoek door de Politie laten duidelijk zien dat (de omgeving rondom) het chassisnummer er na het onderzoek bewerkt uitziet. De Politie had naar het oordeel van het hof bij haar (niet ter plaatse maar later verrichte) onderzoek naar de identiteit van de auto een minder vergaande methode kunnen gebruiken, zoals het opvragen van informatie bij dealer of fabrikant over unieke kenmerken van de auto met het betreffende chassisnummer. De Politie heeft niet gesteld en ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat het onderzoek aan de auto zodanig spoedeisend was dat een minder ingrijpende onderzoeksmethode niet kon worden afgewacht. Het hof is van oordeel dat de Politie hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [Appellant] , dat dit aan haar valt toe te rekenen en dat als gevolg van dat handelen de auto is beschadigd, wat bij nadere controles door politie, keuringsinstanties of kopers vragen kan oproepen, hetgeen betekent dat aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan. [Appellant] is bij het bepalen van de omvang van zijn zaakschade uitgegaan van de als productie 5 bij dagvaarding in het geding gebrachte offerte van Autobedrijf B. te [Vestigingsplaats] . Volgens de offerte bedragen de kosten van vervanging van de plaat met chassisnummer (inclusief het spuiten van de nieuwe plaat) € 1.262,45. Deze berekening van de herstelkosten is door de Politie niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist. Het voorgaande betekent dat grief 4 slaagt en dat het hof de vordering van [Appellant] tot vergoeding van € 1.262,45 zal toewijzen met de door [Appellant] in de memorie van grieven, tevens aanvulling van eis, gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 juli 2013.

4.3

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [Appellant] als gevolg van de door hem gestelde (en door de Politie betwiste) wijze van wegslepen van de auto schade heeft geleden. Het hof ziet in de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen en de in het geding gebrachte schriftelijke stukken en bescheiden geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de schade aan de achterband(en) van de auto is ontstaan tijdens het in opdracht van de Politie uitgevoerde transport van de auto op of na 5 april 2012 van de KMar-kazerne in Zevenaar naar Arnhem. Daarbij is betrokken dat de auto, na vrijgave, op 6 september 2012 in opdracht van [Appellant] door het bergingsbedrijf [Bergingsbedrijf] is vervoerd, dat de auto daarbij rijdend op de achterbanden is voortgetrokken en dat eerst na dat transport het gestelde gebrek aan de linker achterband is geconstateerd, zodat de reële mogelijkheid open blijft dat de schade pas is ingetreden onder de opdracht van [Appellant] . Dit betekent dat [Appellant] niet het aan hem opgedragen bewijs heeft geleverd en dat grief 5 faalt.

4.4

Nu [Appellant] geen vordering heeft gebaseerd op de door hem gestelde onrechtmatigheid van zijn aanhouding en inverzekeringstelling, kunnen de grieven 1 en 2 onbesproken blijven.

4.5.1

[Appellant] heeft niet met zoveel woorden een grief gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van zijn vordering tot betaling van door hem gemaakte kosten voor rechtsbijstand. In het petitum van zijn memorie van grieven, tevens aanvulling van eis, heeft [Appellant] deze vordering ten bedrage van in totaal € 2.827,05 echter herhaald en het hof leidt daaruit af dat, zoals de Politie redelijkerwijs behoorde te begrijpen, [Appellant] in hoger beroep deze vordering opnieuw aan de orde wil stellen. De vordering bestaat uit twee onderdelen. Ten eerste een bedrag van € 1.212,05 aan advocaatkosten voor “de onderhavige kwestie”, hetgeen het hof interpreteert als de buitengerechtelijke incassokosten in verband met de gestelde schade aan de auto en ten tweede een bedrag van in totaal € 1.615,- aan advocaatkosten voor het indienen van verzoeken tot teruggave van Timmers inbeslaggenomen auto en rijbewijs. Het hof zal deze twee onderdelen van de vordering tot betaling van kosten rechtsbijstand hierna afzonderlijk bespreken.

4.5.2

Wat betreft de door [Appellant] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten betreffende de zaakschade overweegt het hof als volgt. Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat zij op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. De Politie heeft betwist dat [Appellant] buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt die geen verband houden met de instructie van de zaak als bedoeld in artikel 241 Rv. Het hof is van oordeel dat uit hetgeen [Appellant] ter onderbouwing van de door hem gestelde buitengerechtelijke incassokosten heeft aangevoerd (de correspondentie en de specificaties in de producties 7 en 8 bij de inleidende dagvaarding), niet blijkt van verrichtingen die meer omvatten dan de werkzaamheden waarvoor de in artikel 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te houden. Het hof zal daarom deze vordering afwijzen.

4.5.3

De volgens [Appellant] door hem gemaakte advocaatkosten voor teruggave van zijn auto en rijbewijs zien op de procedure van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie is de tot teruggave bevoegde functionaris en betrokken bij voornoemde procedure. Bij die procedure is de Politie geen partij. Het hof ziet alleen al op grond van het voorgaande aanleiding de vordering tot veroordeling van de Politie tot betaling van de in het kader van artikel 552a Sv gemaakte advocaatkosten af te wijzen. Daarnaast geldt als zelfstandige afwijzingsgrond dat [Appellant] tegenover de betwisting door de Politie van het bestaan en de omvang van de gestelde schade, ten onrechte heeft nagelaten de in het kader van artikel 552a Sv (beweerdelijk) gemaakte advocaatkosten te onderbouwen.

5 De slotsom

5.1

Grief 4 slaagt, de overige grieven falen. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd, behoudens wat betreft de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de schade aan het chassisnummer van de auto, die zal worden toegewezen met de gevorderde wettelijke rente daarover, en behoudens wat betreft de beslissing over de proceskosten.

5.2

Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 4 november 2015 en 24 augustus 2016, behoudens wat betreft de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de schade aan het chassisnummer van de auto en de veroordeling in de proceskosten, vernietigt het vonnis van 24 augustus 2016 in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de Politie om aan [Appellant] te betalen het bedrag van € 1.262,45, vermeerderd met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW te rekenen vanaf 19 juli 2013 tot aan de dag van volledige betaling;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, B.J. Engberts en J. Beuving en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019.