Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5221

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-06-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
200.247.350/03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partner- en kinderalimentatie. Voorlopige voorzieningen. Rechtsgeldigheid afspraken in echtscheidingsconvenant. Geen grove miskenning wettelijke maatstaven bij afspraken over partneralimentatie. Afspraken over kinderalimentatie niet helder in echtscheidingsconvenant, vaststelling kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.247.350/01 en 200.247.350/03

(zaaknummers rechtbank Gelderland 324258 (hoofdzaak) en 328121 (voorlopige voorzieningen))

beschikking van 25 juni 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker,
verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J.A.P.M. van Dal te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster,
verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. N.J.G. de Jager te Arnhem,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder,
verder te noemen: [verweerder] ,

advocaat: mr. N.J.G. de Jager te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg in beide zaken

Het hof verwijst in de bodemprocedure (200.247.350/01) voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna ook: de rechtbank), van 5 juli 2018, uitgesproken onder het hierboven als eerste genoemde zaaknummer, verder ook te noemen ‘de bestreden beschikking’. In de procedure wijziging voorlopige voorzieningen (200.247.350/03) verwijst het hof naar de beschikking van de rechtbank van 28 november 2017, hersteld bij beschikking van 18 januari 2018, uitgesproken onder het hierboven als tweede genoemde zaaknummer, verder ook te noemen ‘de beschikking voorlopige voorzieningen’.

2 De procedure in beide zaken

2.1

Partijen hebben ingestemd met het voorstel van het hof om vanwege proceseconomische redenen de stukken in de procedures met nummers 200.247.350/01 en 03 samen te voegen.

Het verloop van de procedure in zowel 200.247.350/01 als 200.247.350/03 blijkt uit:

- het verzoekschrift, tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 3 oktober 2018;

- het verweerschrift in het incident/schorsingsverzoek met producties, ingekomen op 30 oktober 2018;

- een journaalbericht van mr. Van Dal van 1 november met bijlagen;

- het verweerschrift, ingekomen op 17 december 2018;

- een verzoekschrift van de man met producties(s) in de procedure (wijziging) voorlopige voorzieningen, ingekomen op 18 december 2018;

- een verweerschrift van de vrouw met producties(s) in de procedure (wijziging) voorlopige voorzieningen, ingekomen op 25 januari 2019;

- een journaalbericht van mr. Van Dal van 25 januari 2019 in de procedure (wijziging) voorlopige voorzieningen met producties 22 tot en met 31;

- een journaalbericht van mr. Van Dal van 5 februari 2019 met een aanvullend verzoek tot schorsing en producties 32 tot en met 35;

- de tussenbeschikking van dit hof van 21 februari 2019;

- een journaalbericht van mr. Van Dal van 21 maart 2019 met producties 32 tot en met 40.

2.2

De mondelinge behandeling van beide zaken heeft op 4 april 2019 plaatsgevonden. De man en de vrouw zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Het hof heeft ook nog een journaalbericht van mr. De Jager van 2 april 2019 met producties ontvangen. Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

Mr. Van Dal heeft namens de man bezwaar gemaakt tegen de late indiening van het journaalbericht met producties. Omdat deze stukken ver nadat de tiende kalenderdag was verstreken, zijn ingediend en niet snel en eenvoudig te doorgronden zijn laat het hof deze stukken wegens strijd met de goede procesorde, buiten beschouwing.

3 De feiten

In beide zaken

3.1

Partijen zijn [in] 1994 te [C] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Bij de bestreden beschikking van 5 juli 2018 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 9 november 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

Partijen zijn de ouders van de navolgende meerderjarige kinderen:

- [D] , geboren [in] 1998 te [E] , en

- [verweerder] (verder te noemen: [verweerder] ), geboren [in] 1999 te [F] .

voorlopige voorzieningen

3.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 28 november 2017, hersteld bij beschikking van 18 januari 2018, heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen voor zover hier van belang:

- beslist dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [a-straat 1] en [a-straat 2] te [B] ;

- bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2017 € 515,- per maand aan de vrouw ter zake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [verweerder] (verder ook: kinderalimentatie) zal betalen;

- bepaald dat de man met ingang van 1 juli 2017 € 1.933,- per maand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (verder ook: partneralimentatie) zal betalen.

3.4

Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 6 maart 2018 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om de kinderalimentatie en de partneralimentatie te wijzigen.

3.5

Bij beschikking van dit hof van 27 november 2018 is het verzoek van de man de schorsing te bevelen van de werking van de echtscheidingsbeschikking, voor zover het de beslissing omtrent de kinderalimentatie en de partneralimentatie betreft, afgewezen.

3.6

Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 12 december 2018 heeft de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de beschikking voorlopige voorzieningen van 28 november 2017, hersteld bij beschikking van 18 januari 2018, te wijziging met betrekking tot de kinderalimentatie (met ingang van 1 juli 2017), de partneralimentatie (met ingang van 1 juli 2017) en het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning (subsidiair: een gebruiksvergoeding vast te stellen).

3.7

Bij beschikking van 17 januari 2019 heeft het hof de verzoeken van de man op grond van artikel 31 en 32 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met betrekking tot de beschikking van dit hof van 27 november 2018 afgewezen.

3.8

Bij beschikking van 21 februari 2019 heeft het hof het aanvullende verzoek van de vader tot schorsing van de beschikking voorlopige voorzieningen van 28 november 2017, hersteld bij beschikking van18 januari 2018, en de echtscheidingsbeschikking van 5 juli 2018, betrekking hebbend op de kinder- en studiebijdrage van [verweerder] (zaaknummer 200.247.350-04) afgewezen en de behandeling van het verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen (zaaknummer 200.247.350-03) aangehouden.

bodemprocedure

3.9

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad , voor zover hier van belang, bepaald dat:

- de man met ingang van 1 juli 2017 als kinderalimentatie voor [verweerder] aan de vrouw zal betalen € 404,- per maand;

- de man met ingang van 8 december 2017 voormeld bedrag als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie (verder ook: studiebijdrage) rechtstreeks aan [verweerder] zal betalen;

- de man, vanaf de dag waarop de beschikking voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken is ingeschreven in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw als partneralimentatie zal betalen € 1.391,- per maand.

4 De omvang van de geschillen

voorlopige voorzieningen 200.247.350/03

4.1

De man verzoekt het hof thans de beschikking voorlopige voorzieningen te wijzigen dan wel een nieuwe voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat, zakelijk weergegeven:

  • -

    de kinderalimentatie voor [verweerder] vanaf 1 juli 2017 of een andere datum die het hof juist acht op nihil, of op een ander lager bedrag dat het hof juist acht, zal worden gesteld, de ingangsdatum in plaats van 1 juli 2017 1 augustus 2017 wordt, alsmede de studiebijdrage voor [verweerder] vanaf 8 december 2017 op nihil, of op een ander lager bedrag dat het hof juist acht, zal worden gesteld;

  • -

    de partneralimentatie voor de vrouw vanaf 1 juli 2017 of een andere datum die het hof juist acht op nihil, of op een ander lager bedrag dat het hof juist acht, zal worden gesteld;

  • -

    een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man ten laste van de vrouw zal worden bepaald vanaf 1 juli 2017 of een andere datum die het hof juist acht van € 899,40 per maand, of op een ander bedrag dat het hof juist acht;

  • -

    primair: zal worden bepaald dat de man met ingang van drie dagen na deze beschikking zijn intrek kan nemen aan de [a-straat 1] of [a-straat 2] ’;

  • -

    subsidiair, bij afwijzing, zal worden bepaald dat de vrouw aan de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een gebruiksvergoeding voor de woning(en) aan de [a-straat 1] en [a-straat 2] ’ dient te voldoen tot een bedrag van € 899,40 per maand, dan wel een ander bedrag dat het hof juist acht,

kosten rechtens.

4.2

De vrouw en [verweerder] voeren verweer en verzoeken het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze verzoeken af te wijzen en de man daarbij te veroordelen in de kosten van de advocaat ten bedrage van € 2.962,13

bodemprocedure 200.247.350/01

4.3

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de kinderalimentatie en studiebijdrage ten behoeve van [verweerder] en de partneralimentatie. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking op vermelde gronden te vernietigen en opnieuw beschikkende:

- de kinderalimentatie voor [verweerder] op nihil te stellen of op een lager bedrag dat het hof juist acht;

- de ingangsdatum van de kinderbijdrage te wijzigingen in 1 augustus 2017;

- de studiebijdrage ten behoeve van [verweerder] vanaf 8 december 2017 op nihil te stellen of op een lager bedrag dat het hof juist acht;

- de partneralimentatie vanaf de dag dat de beschikking is ingeschreven in de desbetreffende registers, op nihil te stellen of op een lager bedrag dat het hof juist acht;

- vast te stellen dat de vrouw vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de man voor zijn levensonderhoud zal betalen de som van € 899,40 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- kosten rechtens.

4.4

De vrouw en [verweerder] voeren verweer en verzoeken het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking, dan wel de verzoeken van de man tegen de bestreden beschikking af te wijzen.

5 De beoordeling van de verzoeken

5.1

Allereerst stelt het hof vast dat [verweerder] de vrouw op 18 april 2018 schriftelijk gemachtigd heeft om in hoger beroep namens hem op te treden in de onderhavige procedures.

echtscheidingsconvenant

5.2

Primair heeft de man gesteld dat hij met de vrouw afspraken heeft gemaakt in het door hen beiden voor akkoord getekende echtscheidingsconvenant van 1 juni 2017. Aanvankelijk heeft in eerste aanleg de voormalige advocaat van de man slechts opgemerkt dat het toetsen van het convenant waarschijnlijk niet tot een positief oordeel zal leiden. Mr. Van Dal heeft zich vervolgens voor de man gesteld en een beroep op de rechtsgeldigheid van de afspraken in het voor akkoord getekende echtscheidingsconvenant gedaan. De man heeft daarbij onder meer het volgende aangevoerd. Partijen hadden reeds in april 2017 een convenant opgesteld en het convenant van 1 juni 2017 is een verdere uitwerking en verbetering van de eerste versie. Hieruit volgt dat de vrouw de tijd en de ruimte heeft gehad om over de afspraken in het convenant na te denken.

In zijn verzoekschrift in de procedure (wijziging) voorlopige voorzieningen, ingekomen op 18 december 2018, heeft de man nogmaals benadrukt dat hij met de vrouw in dit convenant is overeengekomen dat partijen hebben afgesproken dat zij eerst proberen gezamenlijk de situatie te regelen en pas in het geval dat niet lukt, treedt het convenant van 1 juni 2016 na zes maanden in werking. In artikel 2 (in combinatie met punt 5 van de overwegingen) van dit convenant is opgenomen dat de partneralimentatie wordt vastgesteld op nihil. Volgens de man is van een juist gezinsinkomen van € 2.000,- uitgegaan, nu uit de jaarrekeningen van [G] BV (verder ook: Beheer BV) over de jaren 2013 tot en met 2016 blijkt dat de inkomsten uit de panden in het buitenland per saldo nihil waren. Ook uit de inhoud van het door de vrouw handgeschreven blaadje dat achter het convenant zit volgt dat sprake was van een overeenstemming waarover alleen nog dooronderhandeld moest worden. De waarde van de panden die daarop wordt vermeld blijkt niet aanmerkelijk af te wijken van de taxaties die inmiddels zijn verricht. De waardes waar de vrouw later in de echtscheidingsprocedure van wil uitgaan zijn veel te hoog en zitten er 1,3 miljoen euro naast, aldus de man.

5.3

De vrouw betwist de door de man gestelde afspraken. Het ‘convenant’ is uitgegaan van onjuiste gegevens en grotendeels niet ingevuld. De hoogte van het gezinsinkomen en de hoogte van de behoefte van de man en de vrouw die op de eerste pagina van het stuk worden genoemd zijn onjuist. Partijen genoten niet alleen het inkomen van de vrouw van circa € 2.000,- netto maar hadden ook huurinkomsten uit het oude pand aan de [a-straat 2] te [B] en de panden die zij bezaten in het buitenland. Het gezinsinkomen bedroeg tenminste € 7.000,- netto per maand. De man blijft in gebreke met het overleggen van de juiste stukken om inzage te krijgen in zijn financiële situatie. De afspraken zijn gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, nu de behoefte en de draagkracht van partijen niet juist zijn berekend. Zij heeft dit stuk slechts ‘voor gezien’ getekend.

De vrouw kon met de afspraken niet instemmen omdat veel informatie nog ontbrak. Tot het najaar 2018 heeft de man geen beroep gedaan op de in het convenant vermelde afspraken, zoals blijkt uit de stukken in eerste aanleg. De punten zijn zonder een professionele derde door partijen op papier gezet en de rechter in eerste aanleg heeft zich hierover nog niet uitgelaten. Indien het hof dit stuk als een convenant kwalificeert ten aanzien van de partner- en kinderalimentatie dan wordt zij in haar rechten geschaad.

5.4

Het hof stelt vast dat op het voorblad van het echtscheidingsconvenant van 1 juni 2017, dat de man en de vrouw beiden hebben ondertekend (naar waarheid ingevuld en ondertekend; voor accoord en te hebben gelezen;) wordt vermeld dat de vrouw en de man op die dag het echtscheidingsconvenant voor akkoord hebben getekend en gaan onderzoeken of het mogelijk is om de vrouw en de kinderen toch te laten blijven wonen in het nieuwe huis aan de [a-straat 1] te [B] . Indien dat financieel niet lukt in de praktijk, dan treedt het getekende echtscheidingsconvenant van 1 juni 2017 in ieder geval binnen zes maanden na heden in werking. De man en de vrouw hebben het echtscheidingsconvenant op iedere pagina geparafeerd.

De man heeft een kopie van dit echtscheidingsconvenant reeds als productie 1 bij zijn verweerschrift in eerste aanleg in het geding gebracht en hij heeft hierop ook al een beroep gedaan, zodat de stelling van de vrouw dat de man pas in het najaar 2018 een beroep op het convenant heeft gedaan, in ieder geval onjuist is.

Het feit dat, zoals de vrouw stelt, partijen het gezinsinkomen en de behoefte van partijen bijvoorbeeld niet juist zouden hebben benoemd (in het kader van de alimentatie) acht het hof van onvoldoende gewicht om de rechtsgeldigheid van de gemaakte afspraken aan te tasten. In dat verband is van belang dat partijen immers hadden afgesproken geen alimentatie van elkaar te willen, de vrouw niet van de man en de man - die toen ook al geen inkomen uit arbeid had - niet van de vrouw, welke afspraak samenhing met de gelijktijdig gemaakte afspraak over de verdeling van met name de onroerende zaken tussen partijen. In hoeverre de (eventuele foutief benoemde) hoogte van het gezinsinkomen en van de behoefte op die afspraken van invloed zou kunnen zijn geweest, is door de vrouw niet nader toegelicht en zonder een dergelijke toelichting niet duidelijk. Het feit dat het convenant, zoals de vrouw stelt, deels niet is ingevuld, acht het hof evenmin van belang voor het antwoord op de vraag of tussen partijen daarin uiteindelijk op 1 juni 2017 rechtsgeldige afspraken hebben gemaakt over de financiële gevolgen van hun echtscheiding. Partijen hebben kennelijk gebruik gemaakt van een model-convenant. Het is in een dergelijk geval niet onlogisch dat niet alle onderdelen van het model worden benut terwijl de vrouw niet heeft aangegeven welke niet-ingevulde delen van het convenant naar haar mening van zodanig belang waren dat (ook) daarom het convenant, voor wat betreft de tussen hen gemaakte afspraken, onvolledig en daarom niet rechtsgeldig zou zijn.

Het feit dat er nadien tussen partijen weer conflicten zijn ontstaan die kennelijk de aanleiding hebben gevormd voor het starten van meerdere juridische procedures laat naar het oordeel van het hof onverlet dat op 1 juni 2017 een rechtsgeldig echtscheidingsconvenant tot stand is gekomen. De stelling van de vrouw dat ze het convenant slechts voor ‘gezien’ heeft ondertekend, blijkt geenszins uit het convenant en is door de man gemotiveerd betwist. Ook de stelling van de vrouw (althans, het hof neemt aan dat de vrouw dat bedoelt), dat het convenant nog niet volledig dan wel definitief was, is, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man, onvoldoende door haar onderbouwd.

Voor de rechtsgeldigheid van de tussen partijen gemaakte financiële afspraken (de partneralimentatie en de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk) acht het hof van doorslaggevend belang het antwoord op de vraag of partijen op 1 juni 2017 middels dit convenant inhoudelijk volledige overeenstemming hebben bereikt over de financiële gevolgen van hun echtscheiding. Voor het hof staat op grond van de toelichting en de stukken van de man en de vrouw voldoende vast dat zij, na een ruime periode van enkele maanden onderhandelen, definitieve overeenstemming hebben bereikt over zowel de partneralimentatie als de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk. Keuzes zijn welbewust door de man en de vrouw overwogen en gemaakt, zoals ook blijkt uit de handgeschreven notities die als laatste pagina zijn aangehecht. Deze uiteindelijke keuzes zijn vervolgens voldoende duidelijk en eenduidig op schrift gesteld in het betreffende convenant , dat vervolgens door beide partijen is geparafeerd en ondertekend. Nu het hof niet is gebleken van redenen waarom het convenant van 1 juni 2017 niet rechtsgeldig zou zijn, gaat het hof van die rechtsgeldigheid uit.

Aan die conclusie doet niet af het feit dat de rechter in eerste aanleg over die rechtsgeldigheid nog geen oordeel had gegeven zodat de vrouw nu, althans zo begrijpt het hof haar stelling, een inhoudelijk oordeel van een instantie ten aanzien van dit punt mist.

Het hoger beroep dient er immers mede toe om (dit soort) fouten te herstellen en de vrouw wordt hiermee niet ontoelaatbaar in haar (processuele) rechten geschaad, nog afgezien van het feit dat, zelfs indien dat wel het geval zou zijn, dit niet de rechtsgeldigheid van het convenant zou raken.

Tenslotte wijst het hof er op dat aan de rechtsgeldigheid van de door partijen gemaakte afspraken over de partneralimentatie en de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk evenmin af doet het feit dat de afspraken uit het convenant betreffende de verdeling van de kosten van [verweerder] niet volledig duidelijk zijn. Die afspraken acht het hof van onvoldoende belang om de rechtsgeldigheid van de overige afspraken over de partneralimentatie en de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen aan te tasten.

Concluderend is het hof dan ook van oordeel, voor zover hier van belang, dat op grond van de in het convenant genoemde afspraak, de definitieve partneralimentatie voor de vrouw en de partneralimentatie voor de man op nihil dient te worden gesteld.

grove miskenning wettelijke maatstaven

5.5

Vervolgens komt het hof dan toe aan het beoordelen van de stelling van de vrouw dat, mocht er tussen partijen afspraken over de partneralimentatie zijn gemaakt, die afspraken zijn gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Het hof overweegt daartoe als volgt. De stelling van de vrouw dat het gezinsinkomen veel hoger was dan de in het convenant genoemde € 2.000,- netto per maand, heeft de vrouw niet voldoende onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man middels diverse door hem overgelegde stukken zoals de jaarrekeningen van de Beheer BV, aangiften inkomstenbelastingen, verklaringen van de belastingdienst betreffende zijn geregistreerde inkomen, alsmede met de door [H] accountants en [I] opgestelde overzichten en de stukken met betrekking tot het verloop van een aantal buitenlandse bankrekeningen. Hoewel de afgelopen jaren huurinkomsten zijn gegenereerd uit de panden die partijen bezaten in het buitenland, kan uit die stukken in onderlinge samenhang bezien niet worden afgeleid dat dit per saldo heeft geleid tot inkomsten voor partijen. Ook heeft de vrouw niet onderbouwd dat partijen destijds (ruimer) leefden dan van de in het convenant genoemde € 2000,- netto per maand, te weten van rekeningen in het buitenland die de man beheerde of dat de man inkomsten uit verhuur heeft verzwegen in de procedure. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat niet is gebleken dat het echtscheidingsconvenant is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven waardoor de tussen partijen gemaakte afspraken niet in stand kunnen blijven.

kinderalimentatie

5.6

Voor wat betreft de bijdrage in de kosten van [verweerder] is het hof, zoals hierboven reeds is genoemd, van oordeel dat de afspraken niet geheel helder in het echtscheidingsconvenant zijn beschreven. Onder het kopje ‘In aanmerking nemende’ wordt vermeld dat de kosten van de kinderen € 150,- per maand bedragen en in artikel 1: Ouderschapsplan is de vergoeding voor het kind onder punt 11 vastgesteld op € 200,- tot aan zijn achttiende verjaardag. Onder punt 15 is vermeld dat de man en de vrouw op basis van hun eigen draagkracht een bijdrage aan het kind betalen inzake de studie en het levensonderhoud, zolang het kind met redelijke studieresultaten de beroepsopleiding of de studie volgt. De kinderen kunnen zelfstandig nakoming van dit beding vorderen. De meerderjarige kinderen ondertekenen zelfstandig een extract van het convenant om aan te geven dat zij akkoord zijn gegaan. Laatstgemelde zelfstandige ondertekening door de kinderen is nadien niet uitgevoerd. Het is naar het oordeel van het hof op grond van de genoemde bepalingen onduidelijk hoe hoog de kosten van [verweerder] zijn en met welk bedrag de ouders daarin moeten bijdragen. De bijdrage voor [verweerder] moet daarom naar het oordeel van het hof worden vastgesteld in het kader van de onderhavige procedures. Het hof zal daarom de stellingen van de man ten aanzien van de bijdrage voor [verweerder] in het kader van de procedure voorlopige voorzieningen en in het kader van de grieven van de man in de bodemprocedure hierna beoordelen

ingangsdatum kinderalimentatie [verweerder]

5.7

Allereerst beoordeelt het hof de stelling van de man met betrekking tot de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum voor de kinderalimentatie, zijnde 1 juli 2017, in de beschikking voorlopige voorzieningen en de bestreden beschikking. De man is van mening dat als ingangsdatum voor een eventuele bijdrage 1 augustus 2017 heeft te gelden, omdat het verzoekschrift van de vrouw in de bodemprocedure op 1 augustus 2017 is ingekomen ter griffie van de rechtbank.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat [verweerder] in juli 2017 al behoefte had aan een bijdrage van de man.

5.8

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de definitieve alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.

De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.

In het vorenstaande ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 4 april 2019 heeft de man verklaard dat hij tot nu toe nog niets heeft betaald in het kader van de kinderalimentatie en de partneralimentatie, omdat hij daartoe niet in staat is geweest. De vrouw heeft dat bevestigd. Een wijziging van de ingangsdatum als door de man verzocht zal daarom geen terugbetalingsverplichting voor de vrouw tot gevolg hebben. Nu het verzoekschrift van de vrouw in de bodemprocedure op 1 augustus 2017 is ingekomen ter griffier van de rechtbank, is het hof van oordeel dat deze datum in redelijkheid als ingangsdatum voor een eventuele kinderalimentatie moet worden gehanteerd, zowel voor wat betreft de definitieve bijdrage als de voorlopige voorziening. Eerst met ingang van die datum heeft man rekening kunnen en moeten houden met een gerechtelijke vaststelling van een alimentatiebijdrage voor [verweerder] .

hoogte kinderalimentatie [verweerder]

5.9

Het hof is van oordeel dat bij het bepalen van de hoogte van de onderhoudsbijdrage voor [verweerder] ten laste van de man om proceseconomische geen onderscheid hoeft te worden gemaakt in de periode tot en vanaf zijn achttiende verjaardag op 8 december 2017. [verweerder] heeft het gehele schooljaar 2017-2018 dezelfde HBO-opleiding gevolgd. Hij woonde destijds en ook thans nog bij zijn moeder. Hij heeft over het hele schooljaar collegegeld moeten betalen. Zijn moeder ontving totdat hij achttien jaar werd kinderbijslag voor hem en vanaf zijn achttiende heeft [verweerder] aanspraak op een studiebeurs. Beide situaties verschillen niet wezenlijk van elkaar in het kader van de behoefte van [verweerder] aan een bijdrage van de man.

5.10

[verweerder] valt vanaf 8 december 2017 onder de reikwijdte van de Wet Studiefinanciering (WSF). Voor de bepaling van de behoefte van [verweerder] zoekt het hof aansluiting bij de zogenoemde WFS-norm. Omdat [verweerder] pas vanaf 8 december 2017 aanspraak kan maken op de WSF acht het hof het redelijk uit te gaan van WSF-norm vanaf 1 januari 2018. Deze bedroeg voor een student die een HBO-opleiding volgt in totaal € 1.037,63 per maand. Dit maandbedrag is opgebouwd uit de aanvullende beurs van maximaal € 389,16, een lening van € 481,30 en het collegegeldkrediet van € 167,17.

De WSF-norm maakt geen verschil tussen thuis- en uitwonende studenten. Ervan uitgaande dat een thuiswonende student bespaart op zijn woonlast, kan de behoefte worden verlaagd. Het hof acht het - gelet op de hoogte van de gemiddelde kamerhuur in 2018 - redelijk daarvoor een bedrag van € 420,- per maand in aanmerking te nemen.

Daarnaast wordt een jongmeerderjarige ook geacht zijn premie ziektekostenverzekering zelf te voldoen. In verband daarmee is de te ontvangen zorgtoeslag eveneens aan te merken als behoefteverlagend. Het hof houdt het er op basis van de tarieven 2018 voor dat [verweerder] aanspraak had op een zorgtoeslag van € 99,- per maand. Aldus gerekend had [verweerder] in 2017 behoefte aan een bedrag van afgerond € 519,- per maand naar het oordeel van hof.

5.11

De man heeft aangevoerd dat [verweerder] voldoende financiële middelen heeft om zelf in zijn behoefte te voorzien. De Expertgroep Alimentatienormen geeft als richtlijn dat alleen structurele eigen inkomsten van een jongmeerderjarige als behoefteverlagend kunnen worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat [verweerder] dermate hoge structurele inkomsten heeft dat deze als behoefteverlagend moeten worden aangemerkt. Dat [verweerder] mogelijk een afgebakende periode aanspraak heeft kunnen maken op een stagevergoeding en dat hij blijkens de jaaropgave 2018 € 2.643,- bruto per jaar heeft verworven is in dat kader niet voldoende relevant.

De man heeft verder gesteld dat [verweerder] de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 17.000,-, dat de man en de vrouw voor zijn studie hadden gespaard. Dit bedrag neemt het hof echter niet in aanmerking als behoefteverlagend omdat een deel van voormelde totale behoefte van [verweerder] bestaat uit een lening en collegegeldkrediet die later terugbetaald moeten worden. Het is aan [verweerder] om te bepalen of hij gebruik maakt van deze lening en krediet en deze later terug te betalen van het bedrag dat zijn ouders voor hem hebben gespaard of dat hij geen aanspraak maakt op deze gelden maar hiervoor direct het gespaarde bedrag aanwendt.

5.12

Aldus berekend bedraagt de behoefte van [verweerder] € 519,- per maand. Indien [verweerder] binnen tien jaar een HBO-diploma behaalt dan hoeft hij de aanvullende beurs niet terug te betalen. Het hof acht het de verantwoordelijkheid van [verweerder] dat hij bewerkstelligt dat hij daadwerkelijk zijn studie met goed gevolg binnen de daarvoor geldende termijn afrondt. Daarom zal de aanvullende beurs eveneens in mindering worden gebracht op zijn behoefte en aldus resteert een behoefte van afgerond € 130,- per maand.

5.13

Tijdens de mondelinge behandeling op 4 april 2019 heeft de moeder toegelicht dat zij de ziektekostenverzekering na vermindering met de zorgtoeslag, alsmede de kosten voor de inwoning van [verweerder] bij haar in huis voor haar rekening neemt. In dat licht bezien acht het hof het redelijk dat de man het resterende bedrag in de behoefte van [verweerder] van € 130,- per maand voor zijn rekening zal nemen. Temeer nu de man tijdens diezelfde mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij wenst dat de kinderen niet betrokken worden in de procedures tussen hem en de vrouw en hij het er mee eens is dat het redelijk is dat hij een bijdrage in de kosten van [verweerder] dan wel beide kinderen dient te voldoen.

5.14

Met inachtneming van het hiervoor overwogene, zal het hof op de verzoeken van de man in de bodemprocedure en in de procedure voorlopige voorzieningen beslissen als volgt.

beslissingen bodemprocedure 200.247.350/01

5.15

Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de kinderalimentatie (en de daarop volgende studiebijdrage) voor [verweerder] vernietigen op grond van het hiervoor overwogene en bepalen dat de man met ingang van 1 augustus 2017 een bedrag ter zake kinderalimentatie van € 130,- per maand aan de vrouw dient te voldoen en met ingang van 8 december 2017 deze bijdrage ter zake van studiebijdrage aan [verweerder] dient te voldoen.

5.16

Het hof zal de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie eveneens vernietigen en het verzoek van de man om de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw vanaf de dag dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand (9 november 2018) op nihil te stellen, toewijzen, omdat dit verzoek in overeenstemming is met de afspraken in het door partijen op 1 juni 2017 ondertekende convenant.

Het verzoek van de man om partneralimentatie voor hem vast te stellen ten laste van de vrouw zal het hof - eveneens gelet op de inhoud van het door partijen op 1 juni 2017 ondertekende echtscheidingsconvenant - afwijzen.

5.17

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage aan een uit die relatie geboren kind en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

beslissingen voorlopige voorzieningen 200.247.350/03

5.18

Het hof heeft in de tussenbeschikking van 21 februari 2019 onder rechtsoverweging 4.1 reeds overwogen dat de man in principe ontvankelijk is in zijn verzoek tot (wijziging van de) voorlopige voorzieningen.

5.19

Nu het hof in de bodemprocedure een beslissing over de kinderalimentatie voor [verweerder] zal geven met ingang van 1 augustus 2017 en de beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank is geëxpireerd, heeft de man naar het oordeel van het hof geen belang meer bij de door hem verzochte wijziging van de kinderalimentatie (en daarop volgende studiebijdrage). Hij zal hierin daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.20

Voor wat betreft de definitieve partneralimentatie heeft het hof beslist dat op grond van het tussen partijen gesloten convenant van 1 juni 2017 de partneralimentatie voor de vrouw op nihil zal worden bepaald en het verzoek van de man daartoe zal worden afgewezen.

Op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen van 28 november 2017, hersteld bij beschikking van 18 januari 2018, is door de rechtbank een voorlopige alimentatie ten behoeve van de vrouw, ten laste van de man, bepaald van € 1933,- per maand, ingaande 1 juli 2017. Vast staat dat bij die beschikking is gerekend op basis van een veronderstelde draagkracht aan de zijde van de man op grond van met name inkomsten uit verhuur van buitenlands onroerend goed en dat de tussen partijen gemaakte afspraken in het convenant van 1 juni 2017 over de definitieve alimentatie in die procedure geen rol hebben gespeeld.

Nu in de onderhavige beschikking het hof positief heeft geoordeeld over de rechtsgeldigheid van dit convenant ten aanzien van de partneralimentatie, is het hof van oordeel dat ook de door de man verzochte wijziging van de voorlopige partneralimentatie, zijnde een nihilstelling per 1 juli 2017, in redelijkheid mede in het licht van dat convenant dient te worden beoordeeld. In dat convenant is opgenomen dat partijen er, anders dan de rechtbank, van uit gingen dat de man geen inkomen had, noch regulier noch uit onroerend goed.

Het vorenstaande brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat in het kader van de beoordeling van de voorlopige voorzieningen, het ook in de rede lag - en ligt - om uit te gaan van hetgeen partijen waren overeengekomen en daaraan ten grondslag hadden gelegd, tenzij er op het moment van de indiening van het verzoek voorlopige voorzieningen sprake was van bijzondere omstandigheden om daarvan af te wijken. Naar het oordeel van het hof zijn dergelijke omstandigheden niet aangevoerd en is daarvan ook niet anderszins gebleken.

Het inkomen van de vrouw was - en is - niet negatief gewijzigd, ten opzichte van de situatie ten tijde van het sluiten van het convenant en met betrekking het inkomen van de man heeft de vrouw zich weliswaar nadien op het standpunt gesteld dat de man aanzienlijk inkomen uit onroerend goed had - en heeft - maar die stelling heeft zij onvoldoende onderbouwd in het licht van de inmiddels door de man overgelegde financiële stukken, zijnde inkomensverklaringen tot en met 2017over zijn reguliere inkomen en de door [H] accountants en [I] opgestelde financiële overzichten over met name de inkomsten uit verhuur van het buitenlands onroerend goed, die die stelling van de vrouw voldoende weerspreken.

Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof ook de door de rechtbank bepaalde voorlopige alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 juli 2017 op nihil bepalen. Het hof betrekt hierbij ook nog het feit dat de man de door de rechtbank bepaalde voorlopige bijdrage ten behoeve van de vrouw tot nu toe niet heeft voldaan.

5.21

Tot slot heeft de man in het kader van de voorlopige voorzieningen ook nog verzocht primair te bepalen dat hij met ingang van drie dagen na deze beschikking zijn intrek kan nemen aan de [a-straat 1] of [a-straat 2] ’ te [B] , subsidiair te bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een gebruiksvergoeding voor de woning(en) aan de [a-straat 1] en [a-straat 2] ’ dient te voldoen tot een bedrag van € 899,40 per maand.

Het hof constateert dat de hiervoor genoemde woningen geen onderdeel uitmaken van het onderhavige hoger beroep. Nu van de verplichte samenhang tussen de in hoger beroep verzochte wijziging van de door de rechtbank bepaalde voorlopige voorziening en de hoofdzaak in hoger beroep, noodzakelijk om in het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorziening te kunnen worden ontvangen, geen sprake is, zal de man alleen daarom al niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek in hoger beroep tot wijziging van het gebruik van een van beide woning.

Daarnaast is tijdens de mondelinge behandeling op 4 april 2019 gebleken dat de vrouw alleen eigenaar is van de beide woningen (en dat de oude woning bovendien inmiddels is gesloopt). Omdat er geen sprake is van woongenot dat de man mist, is er ook geen reden om de man te compenseren met een gebruiksvergoeding.

Het hof ziet hierin aanleiding de man ook in zijn wijzigingsverzoeken ten aanzien van de woning(en) aan de [a-straat 1] te [B] niet-ontvankelijk te verklaren.

5.22

Het hof zal de proceskosten in de procedure voorlopige voorzieningen gelet op de aard van de procedure eveneens compenseren.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

In de bodemprocedure 200.247.350/01

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 juli 2018, ten aanzien van de kinderalimentatie en studiebijdrage voor [verweerder] en de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van 1 augustus 2017 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [verweerder] € 130,- per maand zal betalen;

bepaalt dat de man met ingang van 8 december 2017 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [verweerder] € 130,- per maand aan [verweerder] zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de bijdrage aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

In de procedure tot wijziging van de voorlopige voorzieningen 200.247.350/03

verklaart de man niet niet-ontvankelijk in de door hem verzochte wijziging voorlopige voorzieningen ten aanzien de kinderbijdrage (en de studiebijdrage) en de woning(en) aan de [a-straat 1] te [B] ;

bepaalt de voorlopige bijdrage van de man, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, aan de vrouw met ingang van de datum van 1 juli 2017 op nihil;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep met betrekking tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, R. Feunekes en A.E. Ernes, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes en is op 25 juni 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.