Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5106

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
200.227.465
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Non-conformiteit woning

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.227.465/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 3519486 \ CV EXPL 14-18636)

arrest van 18 juni 2019

in de zaak van

1 [Appellant 1] ,

2. [Appellant 2],

beiden wonende te [Woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [Appellanten],

advocaat: thans mr. D.D.M.C. Nolet, kantoorhoudend te Alkmaar, voorheen

mr. E.R. Bakker, kantoorhoudend te Alkmaar,

tegen

1 [Geïntimeerde 1] ,

2. [Geïntimeerde 2],

beiden wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [Geïntimeerden],

advocaat: mr. R.H.G.M. Kerckhoffs, kantoorhoudend te Maastricht.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de bestreden vonnissen van 10 december 2014, 1 april 2015, 24 juni 2015, de bestreden beschikking van 24 februari 2016, en de bestreden vonnissen van 13 april 2016, 21 december 2016 en 22 maart 2017, gewezen door de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 21 juni 2017,

- de memorie van grieven tevens akte vermindering van eis, met producties,

- de memorie van antwoord, met productie.

2.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof

overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

[Geïntimeerden] waren eigenaar van de vrijstaande woning met berging/garage en tuin met zwembad, gelegen aan de [Adres] te [Plaatsnaam] (hierna: de woning). Zij hebben de woning op enig moment te koop aangeboden.

3.2.

[Appellanten] hebben de woning op 9 november 2013 bezichtigd.

3.3.

Bij brief van 12 november 2013 hebben [Geïntimeerden] aan [Appellanten] antwoord gegeven op door hen gestelde vragen. Ook hebben [Geïntimeerden] in deze brief medegedeeld: “(...) Nog niet (of uitgebreider) besproken, noch opgevallen, maar wel te weten: (…)

- lekkage gehad in muurtje boven toegangsdeur kamer, waarschijnlijk tgv buiten riool verstopping, waardoor afvoerbuizen beneden verstopt raken, die vervolgens allemaal vervangen zijn.

Moet uitdrogen en voor schilderwerk wellicht eerst bijstucen (geen idee over de kosten) (...).”

3.4.

Op 22 november 2013 heeft Pro Gebouwadvies in opdracht van [Appellanten] een onderzoek naar de bouwkundige staat van de woning uitgevoerd, waarvan op 25 november 2013 rapport is uitgebracht. [Appellanten] hebben de woning diezelfde dag nogmaals bezichtigd.

3.5.

Op of omstreeks 23 december 2013 is tussen partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij de woning voor een koopsom van € 705.000,00 door [Geïntimeerden] aan [Appellanten] is verkocht.

In de koopovereenkomst staat, voor zover van belang, verder vermeld:

“(…) artikel 5 Staat van de onroerende zaak, gebruik

5.1.

De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich hij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken (…). (…)

5.3.

De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woonhuis . (…) Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Verkoper staat ook niet in voor de afwezigheid van gebreken die dat normale gebruik belemmeren en die aan koper kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst. (…)

artikel 21 Ouderdomsclausule

Koper verklaart ermee bekend te zijn dat de woning meer dan dertig jaar oud is, wat betekent dat de eisen die aan de bouwkwaliteit gesteld mogen worden aanzienlijk lager liggen dan bij nieuwe woningen. Tenzij de verkoper de kwaliteit ervan gegarandeerd heeft, staat hij niet in voor de kwaliteit van de vloeren (…), de leidingen voor elektriciteit, gas en water, de riolering (…) en de afwezigheid van doorslaand en/of optrekkend vocht. (…)”.

3.6.

Bij de koopovereenkomst is een door [Geïntimeerden] op 27 juni 2013 ondertekende vragenlijst gevoegd. Op de vragenlijst hebben [Geïntimeerden] de vraag of er sprake is (geweest) van “vochtdoorslag of optrekkend vocht op vloeren, plafonds en/of wanden? Zo ja, waar?” beantwoord met: “ja (…) incidenteel washok-berging”. De vraag of “de afvoeren van wastafels, douche, bad, toiletten, gootstenen en kranen” goed doorlopen, is door [Geïntimeerden] bevestigend beantwoord. Op de vraag of er gebreken zijn (geweest) aan “de riolering, zoals breuken, stankoverlast, lekkages etc? Zo ja, welke?” is door [Geïntimeerden] geantwoord: “ja (…) begane grond stagnatie; alle buizen vervangen 2013”.

3.7.

Op 17 april 2014 is de eigendom van de woning bij notariële akte aan [Appellanten] geleverd, waarna zij met hun gezin daarin hun intrek hebben genomen.

3.8.

Bij e-mail van 28 april 2014 hebben [Appellanten] aan [Geïntimeerden] laten weten: “(...)

Afgelopen weekend hebben we voor het eerst sinds de aankoop de douche boven gebruikt, en nu lekt de muur boven de deur naar de woonkamer.

Mijn vader heeft even gekeken naar de muur en overal geklopt, maar het lijkt echt dat deze flink al poreus is van een lange tijd lekken. Er drupt nu ook gewoon water uit het stuk boven de deur, welke net was opgeknapt door ons.

In je emailwisseling en telefonisch gaf je aan dat er +/- 2 jaar geleden een lekkage was geweest, en dat toen alle buizen vervangen zijn in de kruipruimte waarmee het verholpen was. Je gaf aan dat het dus uiteindelijk maar een paar dagen gelekt heeft en daarna nooit meer. Gezien de staat van de muur en ook een stuk hout van de vloer lijkt het er toch op dat het gewoon is blijven lekken.

Ook in de kruipruimte is het nat en lekt er een stuk (vermoedelijk de buizen vanaf/rondom de hoofdkraan welke allen oud lijken te zijn. Je gaf aan dat waarschijnlijk installatie bedrijf Beusichem alle betreffende buizen had vervangen (ivm met de lekkage in de muur waarvan dit de oorzaak zou zijn). Wij zien bij de hoofdkraan namelijk enkel oude buizen en hebben installatie bedrijf Beusichem dus even gebeld om te vragen of enkel dat zichtbare stuk wellicht niet vervangen is omdat het mogelijk nog goed was vorig jaar.

Zij wisten nog exact van de lekkage en gaven aan dat zij inderdaad zijn geweest om te inspecteren en ook een offerte hebben gedaan. (...) maar hij gaf ook aan dat de opdracht uiteindelijk hen nooit is gegeven. (…)

Ons is geadviseerd (…) met de verkopende partij te spreken om te kijken of we gezamenlijk tot een oplossing kunnen komen. Gezien de recente verkoop en de aantoonbare reeds bestaande lekkage, lijkt mij dit ook het verstandigst. (…)”.

3.9.

Op 6 mei 2014 heeft Dekra Experts B.V. (hierna: Dekra) in opdracht van de verzekeraar van [Appellanten] de woning bezocht. In het daarvan door Dekra opgemaakte rapport d.d. 7 mei 2014 staat onder meer vermeld: “(…) Evenement: Waterschade.

Oorzaak: Als gevolg van loszittend tegelwerk en onthechte kitnaden in de sanitaire ruimte op de eerste etage kan water uitstromen met schade in de woning tot gevolg. (…)

Bijzonderheden: Verzekerde is sinds 17 april 2014 eigenaar van de woning. Het gebrek in deze is al voor de overdracht van de woning ontstaan. Mogelijk door intensiever gebruik is dit zichtbaar geworden door de ontstane lekkage. (…)”.

3.10.

Ondanks (e-mail)correspondentie tussen (de gemachtigden van) partijen zijn partijen niet tot een oplossing gekomen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[Appellanten] hebben in eerste aanleg, samengevat, gevorderd [Geïntimeerden] hoofdelijk te

veroordelen tot vergoeding van hun schade ten bedrage van € 12.467,40, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ad € 899,67, met hoofdelijke veroordeling van [Geïntimeerden] in de proceskosten.

4.2.

[Appellanten] hebben aan hun vorderingen primair ten grondslag gelegd dat de woning niet aan de overeenkomst beantwoordt, doordat de badkamer op de eerste verdieping lekt, waardoor deze niet gebruikt kan worden. Daarmee bezit de woning niet de eigenschappen die voor een normaal gebruik noodzakelijk zijn. Ook hebben [Geïntimeerden] ten onrechte aan [Appellanten] medegedeeld dat alle buizen zijn vervangen in 2013 alsmede dat daarmee de lekkage was verholpen. Bovendien zijn de kleppen van de verwarmingsketel van het zwembad in opdracht van [Geïntimeerden] doorgeknipt en functioneren zij daardoor niet naar behoren. [Appellanten] hebben de herstelkosten begroot op € 12.467,40, bestaande uit

€ 8.567,62 voor herstel van de badkamer, € 3.300,00 voor vervanging van alle buizen en

€ 599,78 voor herstel van de kleppen van de ketel.

Subsidiair hebben [Appellanten] zich op het standpunt gesteld te hebben gedwaald ten gevolge van een onjuiste mededeling van [Geïntimeerden] Zij hebben daartoe aangevoerd dat zij de overeenkomst met [Geïntimeerden] niet onder dezelfde voorwaarden zouden hebben gesloten als zij hadden geweten dat de leidingen niet waren vervangen.

4.3.

[Geïntimeerden] hebben verweer gevoerd en onder meer betwist dat de badkamer bij levering lekte.

4.4.

Bij tussenvonnis van 1 april 2015 heeft de kantonrechter bij wijze van eindbeslissing overwogen dat de vordering van [Appellanten] wat betreft de herstelkosten van de kleppen van de verwarmingsketel van het zwembad zal worden afgewezen. Ter zake de lekkage van de badkamer heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat “Nu [Appellanten] gemotiveerd heeft weersproken dat de lekkage (…) is verholpen door het ontstoppen van het hoofdriool en vooralsnog niet vastgesteld kan worden waardoor de lekkage wordt veroorzaakt, zal een deskundige benoemd worden om onderzoek te doen naar de oorzaak van de lekkage, het moment waarop de lekkage is ontstaan en de herstelkosten. (…) Eerst nadat de deskundige heeft vastgesteld wat de omvang en oorzaak van de lekkage is kan worden beoordeeld of er sprake is van non-conformiteit door lekkage van de badkamer”. Ook heeft de kantonrechter bij wijze van eindbeslissing geconcludeerd dat [Geïntimeerden] hebben gegarandeerd dat de afvoer-/rioolbuizen in de kruipruimte - en dus niet de gas-, water- en elektriciteitsleidingen - allemaal zijn vervangen, terwijl op 31 januari 2013 slechts een pvc-pijp over een lengte van 20 meter met een doorsnee van 40 millimeter is vervangen, zodat de woning daarmee niet beantwoordt aan hetgeen [Appellanten] mochten verwachten op basis van de mededelingen van [Geïntimeerden] Voorts heeft de kantonrechter overwogen dat de te benoemen deskundige verzocht zal worden om tevens de kosten te begroten van het vervangen van de rioolleidingen. De kantonrechter heeft, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen.

4.5.

Bij tussenvonnis van 24 juni 2015 heeft de kantonrechter een deskundigenonderzoek gelast, onder bepaling dat [Appellanten] het voorschot op de kosten van de deskundige dienen te betalen. De deskundige heeft vervolgens op 10 november 2015 zijn rapport uitgebracht.

4.6.

Bij beschikking van 24 februari 2016 heeft de kantonrechter de kosten van de

deskundige begroot.

4.7.

Bij tussenvonnis van 13 april 2016 heeft de kantonrechter overwogen dat het op basis van het deskundigenrapport ervoor gehouden moet worden “dat, anders dan (…) door [Appellanten] werd gesteld, de oorzaak van de lekkage niet gelegen is in de leidingen, maar in het voeg- en kitwerk van de douchevloer. (…) Nu de oorzaak van zijn schade niet in de leidingen van de badkamer gelegen is, komt zijn vordering in zoverre niet in aanmerking voor toewijzing. (…) Hij voert echter terecht aan dat de deskundige ten onrechte voorbijgegaan is aan de vraag naar de kosten van vervanging van de riolering (…). (…). De kantonrechter heeft daarop de deskundige verzocht die vraag alsnog te beantwoorden.

4.8.

Bij tussenvonnis van 21 december 2016 heeft de kantonrechter partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wenselijkheid van aanvullend onderzoek door de deskundige naar aanleiding van diens antwoord op vorenbedoelde vraag. Partijen hebben daarvan afgezien.

4.9.

Bij eindvonnis van 22 maart 2017 heeft de kantonrechter voor de vervanging van de leidingen € 500,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder heeft de kantonrechter de gevorderde schadevergoeding voor de lekkage van de badkamer afgewezen omdat [Appellanten] die vordering hebben gebaseerd op de kosten van herstel van leidingen, terwijl die schade volgens de deskundige wordt veroorzaakt door het slechte voeg- en kitwerk van de douche. [Appellanten] hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot wijziging van eis om alsnog vergoeding van de kosten van herstel van het voeg- en kitwerk te vorderen. Dit brengt volgens de kantonrechter met zich dat niet hoeft te worden onderzocht of [Geïntimeerden] op deze grond aansprakelijk zouden zijn voor die schade. Ook heeft de kantonrechter de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten afgewezen en [Appellanten] als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Een veroordeling in de kosten, waaronder de kosten van de deskundige, is niet opgenomen in het dictum van het eindvonnis.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

[Appellanten] hebben in hoger beroep hun eis verminderd. Onder aanvoering van vijf grieven hebben zij gevorderd de bestreden vonnissen en beschikking te vernietigen en opnieuw recht doende [Geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

i) herstelkosten ad € 4.306,51; bestaande uit herstelkosten van het voeg- en kitwerk van de douche (€ 740,03 inclusief btw), de kosten voor het herstellen van de schade aan het plafond en de wanden (€ 2.961,48 inclusief btw) en de kosten voor het herstellen van de buizen in de kruipruimte (€ 605,00 inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente,

ii) buitengerechtelijke kosten ad € 555,65 en

iii) de nota van de deskundige ad € 7.097,68,

een en ander met hoofdelijke veroordeling van [Geïntimeerden] in de proceskosten in beide instanties, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.2.

[Geïntimeerden] hebben bij memorie van antwoord verweer gevoerd.

5.3.

[Geïntimeerden] hebben daarbij aangevoerd dat hen door de wijziging van eis - volgens hen een wijziging van grondslag inhoudende - in het debat over de oorzaak van de lekkage van de badkamer een rechterlijke instantie wordt ontnomen, waardoor zij in hun verdediging zijn geschaad.

Het verlies van een instantie is echter inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden gewijzigd. Slechts onder bijkomende omstandigheden kan dit feit het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Dergelijke omstandigheden zijn echter niet gesteld of gebleken. Het enkele feit dat Dekra, in opdracht van de verzekeraar van [Appellanten] , reeds in haar rapport van 7 mei 2014 loszittend tegelwerk en onthechte kitnaden als oorzaak van de waterschade heeft vermeld, is daartoe onvoldoende.

Ook het bezwaar van [Geïntimeerden] , dat de zaak door de verkeerde inschatting van [Appellanten] omtrent de oorzaak van de lekkage onnodig gecompliceerd en kostbaar is geworden, wordt verworpen. De wet staat toe dat een eis in hoger beroep kan worden gewijzigd. Het enkele feit dat [Appellanten] dit volgens [Geïntimeerden] eerder hadden kunnen doen, is als bezwaar daarom onvoldoende.

Niet gebleken is dat de eiswijziging in strijd is met een goede procesorde. Het hof zal in hoger beroep dan ook recht doen op de gewijzigde eis.

5.4.

Het hoger beroep is beperkt tot de kwesties van de lekkage van de badkamer en de vervanging van de buizen in de kruipruimte. Tegen de tussenvonnissen van 10 december 2014, 1 april 2015 en 24 juni 2015, alsmede tegen de beschikking van 24 februari 2016 en de tussenvonnissen van 13 april 2016 en 21 december 2016 zijn geen grieven aangevoerd. [Appellanten] zullen in hun hoger beroep tegen die vonnissen en die beschikking dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.5.

Met grief 1 vorderen [Appellanten] alsnog vergoeding van de door hen geleden schade ten gevolge van de lekkage van de badkamer, bestaande uit de herstelkosten van het voeg- en kitwerk van de badkamer en de gevolgschade aan de wanden en het plafond.

Zij voeren daartoe aan dat de oorzaak van de lekkage volgens de door de kantonrechter benoemde deskundige is gelegen in het slechte voeg- en kitwerk in en rondom de douchevloer en dat de lekkage volgens de deskundige reeds aanwezig was ten tijde van de verkoop van de woning aan [Appellanten] Als gevolg van de lekkage beantwoordt de woning niet aan hetgeen [Appellanten] op grond van de overeenkomst mochten verwachten als bedoeld in artikel 7:17 BW. Volgens [Appellanten] waren [Geïntimeerden] ten tijde van de verkoop op de hoogte van dit gebrek en hebben zij hen daarover niet geïnformeerd en dit bewust verzwegen. [Geïntimeerden] zijn ingevolge het bepaalde in artikel 6:74 BW gehouden tot vergoeding van de door [Appellanten] ten gevolge van de lekkage geleden schade. Deze schade is door de deskundige begroot op € 3.701,51 inclusief btw, bestaande uit € 740,03 voor herstel van het voeg- en kitwerk en € 2.961,48 voor herstel van de schade aan het plafond en de wanden, alles inclusief btw.

5.6.

Het hof stelt voorop dat de woning ingevolge het bepaalde in artikel 7:17 lid 1 BW aan de overeenkomst moet beantwoorden (de conformiteitseis). Dit is nader uitgewerkt in artikel 5.1 van de koopovereenkomst, gebaseerd op het toenmalige NVM-model. Uitgangspunt in artikel 5.1 is dat de verkoper niet instaat voor (verborgen) gebreken. Op grond van dat artikel draagt de koper het risico van die gebreken. In artikel 5.3 van de koopovereenkomst wordt daarop echter een uitzondering gemaakt, te weten dat de woning bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als woonhuis. Met artikel 5.3 staan [Geïntimeerden] in voor de afwezigheid van gebreken die het normaal gebruik als woonhuis verhinderen. Voor de uitleg van het begrip ‘normaal gebruik’ wordt aangesloten bij hetgeen daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan (Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:AU2414). Dit betekent dat in een woning gewoond moet kunnen worden op een voldoende veilige manier, met een redelijke mate van duurzaamheid en zonder dat het woongenot wezenlijk wordt aangetast. Ingevolge artikel 5.3 staan [Geïntimeerden] echter niet in voor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan [Appellanten] kenbaar zijn bij het tot stand komen van de koopovereenkomst. Met de term ‘kenbare gebreken’ wordt gerefereerd aan de onderzoeksplicht van koper. Ook gebreken die de koper niet kende maar die hij (wel) zou hebben ontdekt indien hij het onderzoek had verricht dat redelijkerwijs van hem mocht worden gevergd, zijn kenbaar.

Bij het gerechtvaardigd verwachtingspatroon omtrent het normaal gebruik speelt ook de ouderdom van de woning een rol. Bij de koop van een oudere woning dient rekening te worden gehouden met slijtage, verouderde materialen en verouderde installaties. In het onderhavige geval is dit expliciet tot uitdrukking gebracht en uitgewerkt in artikel 21 van de overeenkomst (de ouderdomsclausule).

5.7.

Uit het deskundigenrapport blijkt dat de lekkage van de badkamer voor eind 2012,

dus vóór de levering van de woning, is ontstaan en dat er ten tijde van het onderzoek door de deskundige nog steeds een lekkage aanwezig was. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de deskundige. Het hof acht de conclusies van de deskundige ter zake van het bestaan en het tijdstip van het ontstaan van de lekkage goed gemotiveerd en overtuigend. Weliswaar zijn er door [Geïntimeerden] met name in eerste aanleg diverse bedenkingen geuit tegen de bevindingen van de deskundige, maar daaraan gaat het hof voorbij. Voor zover [Geïntimeerden] menen dat het oordeel van de deskundige niet deugt, had het op hun weg gelegen dit te onderbouwen met een contra-expertise.

5.8.

[Geïntimeerden] hebben zich op het standpunt gesteld dat de woning, ondanks de lekkage, wel degelijk de eigenschappen bezat die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn.

Het hof deelt dit standpunt niet. Vaststaat dat er sprake was van een lekkage van de badkamer ten tijde van de levering. Uit het deskundigenrapport valt op te maken dat de lekkage van een zodanige omvang was, dat deze direct verholpen diende te worden. Naar het oordeel van het hof is sprake van een wezenlijk gebrek aan de woning dat aan een normaal gebruik in de weg staat. Vaststaat immers dat na het gebruik van de douche op de verdieping, in de daaronder gelegen woonkamer water naar buiten kwam. Een lekkage in een badkamer die ertoe leidt dat water op een andere verdieping naar buiten treedt, kan op termijn tot structurele gebreken aan een woning leiden en moet daarom op korte termijn verholpen worden. Dat de badkamer blijkbaar ook zodanig te gebruiken was dat het water niet elders in de woning aan de dag zou treden, maakt dit niet anders. Alle voorzieningen in een badkamer moeten in beginsel onbeperkt gebruikt kunnen worden. Daarmee levert de lekkage van de badkamer - ongeacht de mate van intensiteit van gebruik van de badkamer - een zodanig gebrek op dat dit in de weg staat aan het normale gebruik van de woning. Dat de woning over een tweede badkamer beschikt, doet aan het vorenstaande evenmin af. [Appellanten] mochten verwachten dat beide badkamers als zodanig gebruikt zouden kunnen worden.

Een dergelijk gebrek levert non-conformiteit op in de zin van artikel 7:17 BW op. Daar waar [Geïntimeerden] hebben toegezegd dat de woning geschikt was voor normaal gebruik, kan de tekortkoming hen worden toegerekend, ook als zij het gebrek niet kenden of behoorden te kennen. Of [Geïntimeerden] al dan niet een verwijt valt te maken in die zin dat zij bekend waren met de lekkage en dit niet gemeld hebben, doet dan ook niet ter zake, evenmin als de tussen partijen in debat zijnde vraag naar de oorzaak van de lekkage.

5.9.

[Geïntimeerden] hebben ter afwering van de vordering van [Appellanten] bij memorie van antwoord voorts aangevoerd dat het slechte voegwerk en de gekrompen kitnaden in en rondom de douche zichtbaar moeten zijn geweest op het moment dat [Appellanten] het nodige onderzoek zouden hebben verricht. Bovendien was het schilderwerk in de hal op de begane grond door een eerdere lekkage van de badkamer beschadigd. Ten bewijze daarvan hebben zij een aantal foto’s in het geding gebracht. [Appellanten] hadden dit tijdens de bezichtiging van de woning moeten en kunnen constateren.

Het eerste verweer valt niet te rijmen met het door [Geïntimeerden] ingenomen standpunt dat zijzelf niet op de hoogte waren van het slechte voeg- en kitwerk ten tijde van de verkoop. Als [Geïntimeerden] naar eigen zeggen zelf al niet op de hoogte waren van het slechte voeg- en kitwerk, kunnen zij [Appellanten] niet tegenwerpen bij de bezichtiging(en) niet gezien te hebben dat het voeg- en kitwerk in slechte staat verkeerde. Of [Appellanten] tijdens de bezichtiging(en) beschadigd schilderwerk hadden moeten en kunnen constateren, kan in het midden blijven. Bij brief van 12 november 2013 hebben [Geïntimeerden] aan [Appellanten] immers laten weten dat er een lekkage is geweest “in muurtje boven toegangsdeur kamer, waarschijnlijk tgv buiten riool verstopping, waardoor afvoerbuizen beneden verstopt raken, die vervolgens allemaal vervangen zijn. Moet uitdrogen en voor schilderwerk wellicht eerst bijstucen (geen idee over de kosten)”. Uit deze mededeling hebben [Appellanten] niets anders kunnen afleiden dan dat de lekkage verholpen was. Onder die omstandigheid hoefde eventueel zichtbaar beschadigd schilderwerk voor [Appellanten] geen aanleiding tot nader onderzoek te vormen.

5.10.

[Geïntimeerden] hebben ter afwering van de vordering bovendien een beroep gedaan op de in het contract opgenomen ouderdomsclausule. Dit kan hen echter niet baten. De omstandigheid dat de woning volgens de koopovereenkomst meer dan dertig jaar oud is, brengt nog niet met zich dat [Appellanten] hoefden te verwachten dat de badkamer niet geschikt was voor het overeengekomen normale gebruik als badkamer.

5.11.

Daarmee komt de omvang van de schade aan de orde. [Appellanten] vorderen in hoger beroep een bedrag groot € 3.701,51 inclusief btw, bestaande uit de door de deskundige begrote bedragen ad € 600,00 exclusief btw voor het herstellen van het voeg- en kitwerk en

€ 2.500,00 exclusief btw voor herstel van schade aan wanden en plafond, vermeerderd met btw, door [Appellanten] onweersproken becijferd op € 601,51. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de door de deskundige begrote herstelkosten, nu hij deze voldoende heeft onderbouwd. Het hof volgt de deskundige dan ook in zijn begroting.

[Geïntimeerden] hebben betoogd dat van [Appellanten] verlangd had mogen worden dat zij na

het uitbrengen van het rapport door Dekra in mei 2014 actie hadden ondernomen en de badkamer niet hadden mogen blijven gebruiken, zodat, nu herstel toen achterwege is gebleven en [Appellanten] de badkamer zijn blijven gebruiken, de gevolgschade niet voor rekening van [Geïntimeerden] kan worden gebracht. Daarmee stellen zij in wezen dat [Appellanten] niet hebben voldaan aan hun verplichting om de schade zo veel mogelijk te beperken. Nog afgezien van het feit dat [Appellanten] hebben betoogd dat nadien de badkamer nog wel gedeeltelijk was te gebruiken kennelijk zonder dat er elders in het huis water naar buiten kwam, heeft te gelden dat uit het rapport van de deskundige volgt dat als gevolg van de direct na de levering opgetreden waterschade in de woonkamer de wanden en het plafond in de gang in hun geheel behandeld dienen te worden, ongeacht de omvang van de schade. Dat [Appellanten] niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsplicht, is daarmee niet vast komen te staan.

Voor zover [Geïntimeerden] hebben beoogd te betogen dat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst ook al sprake was van zichtbare lekkageschade, moet daaraan voorbij worden gegaan omdat dit een geheel andere schade betreft dan de schade die is veroorzaakt door de na de levering opgetreden lekkage. De deskundige heeft in zijn rapport aangegeven hoe die laatste schade moet worden verholpen. Dat er sprake was van eerdere schade, waar door [Geïntimeerden] kennelijk ook al wat aan was gedaan, maakt dit niet anders.

5.12.

Met grief 2 klagen [Appellanten] dat de kantonrechter voor hun vordering tot de vervanging van leidingen een bedrag van € 500,00 heeft toegewezen zonder dit met btw te vermeerderen. Zij menen aanspraak te kunnen maken op dit bedrag inclusief btw, zijnde

€ 605,00.

5.13.

Bij tussenvonnis van 13 april 2016 heeft de kantonrechter de deskundige gevraagd de kosten van de vervanging van de riolering in de kruipruimte te begroten, onder aftrek van het reeds vernieuwde gedeelte van 20 meter. Bij brief van 14 september 2016 heeft de deskundige die vraag beantwoord en daarbij laten weten dat hij niet kan bepalen hoe de 20 meter zich verhoudt tot het totaal aantal strekkende metsers in de kruipruimte, omdat een rioleringstekening ontbreekt. Het aanbrengen van een complete riolering (inclusief standleidingen) in een bestaande nieuwbouwwoning met droge kruipruimte wordt door de deskundige begroot op € 1.000,00. Het vervangen van alleen de leidingen in de kruipruimte en tevens op afschot leggen, moet volgens de deskundige in één dag gerealiseerd kunnen worden. De kosten daarvan worden door hem begroot op 8 uur werk à € 40,00 per uur en

€ 180,00 voor materiaal, zijnde € 500,00 exclusief btw. Dit is exclusief de aftrek van 20 meter die reeds vervangen is, aldus de deskundige. Op basis van die brief heeft de kantonrechter uiteindelijk - nadat hij partijen had gevraagd of zij nader onderzoek naar de kosten van vervanging van de rioolbuizen in de kruipruimte nog wenselijk achten, maar beide partijen daarvan hadden afgezien - geoordeeld dat de kosten van vervanging zijn te begroten op € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

5.14.

Het door de deskundige genoemde bedrag voor vervanging van de rioolleidingen is gebaseerd op een berekening waarin geen rekening is gehouden met omzetbelasting. Aangezien [Appellanten] als particulieren die belasting wel verschuldigd zullen zijn, kunnen zij daar aanspraak op maken. In zoverre is de grief terecht voorgesteld. Anderzijds heeft te gelden dat in het bedrag van € 500,00 geen rekening is gehouden met de 20 meter leiding die volgens de kantonrechter niet vervangen hoeven te worden. Daar is door [Geïntimeerden] in hoger beroep niet tegen opgekomen. Daar waar er ook niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat het gedeeltelijk vervangen van de leidingen goedkoper zal zijn dan het volledig vervangen van de leidingen - gedeeltelijk vervangen zal naar alle waarschijnlijkheid immers betekenen dat er in de kruipruimte extra aansluitingen gemaakt moeten worden hetgeen extra arbeidsuren kost - ziet het hof, anders dan de kantonrechter, geen aanleiding hiervoor een korting toe te passen. Aldus is voor de vervanging van de leiding het bedrag van € 500,00 plus omzetbelasting toewijsbaar. Daarmee slaagt ook deze grief.

5.15.

De gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen, in totaal groot

€ 4.306,51 (inclusief btw), is overeenkomstig de vordering van [Appellanten] toewijsbaar vanaf de datum van de inleidende dagvaarding tot en met de dag van algehele voldoening.

5.16.

Met grief 3 klagen [Appellanten] dat de kantonrechter ten onrechte de door hen gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft afgewezen.

5.17.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW kunnen [Geïntimeerden] eerst buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd worden nadat zij vruchteloos zijn aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien dagen, aanvangende de dag na de aanmaning. Indien in de aanmaning niet ten minste een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven, ingaande de dag na ontvangst daarvan, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven, voldoet de brief niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. In dat geval zijn geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd (Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704).

5.18.

De aanmaning van 5 juni 2014 voldoet niet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, nu daarin is opgenomen dat betaling door [Geïntimeerden] “binnen 14 dagen na dagtekening van dit schrijven” moet hebben plaatsgevonden. Eventuele andere aanmaningen zijn het hof niet bekend. De omstandigheid dat bedoelde aanmaning dateert van vóór het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2016 maakt niet dat deze niet aan de wettelijke eisen, zoals door de Hoge Raad verduidelijkt, diende te voldoen. Ook voordien was dit immers al geldend recht. Dit brengt met zich dat er geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn en de vordering van [Appellanten] afgewezen dient te worden.

5.19.

Met de grieven 4 en 5 komen [Appellanten] op tegen de - niet in het dictum van het eindvonnis opgenomen, maar wel uit de overwegingen voortvloeiende - veroordeling in de proceskosten en de kosten van het deskundigenonderzoek.

5.20.

In eerste aanleg hebben [Appellanten] schadevergoeding gevorderd ten bedrage van

€ 12.467,40, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede betaling van buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [Geïntimeerden] in de proceskosten. De kantonrechter heeft [Appellanten] grotendeels in het ongelijk gesteld. In hoger beroep hebben [Appellanten] hun beroep op non-conformiteit gehandhaafd, maar zij hebben hun eis op dat punt verminderd. Ook hebben zij betaling van buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [Geïntimeerden] in de proceskosten gevorderd. Nu zij terecht hebben betoogd dat de woning niet aan de koopovereenkomst beantwoordt en de gevorderde kosten voor herstel van het voeg- en kitwerk van de douche, de schade aan het plafond en de wanden en de buizen in de kruipruimte, in totaal groot € 4.306,51 (inclusief btw), worden toegewezen, wordt ook de grief gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg (grief 4) terecht voorgedragen. [Geïntimeerden] hebben zowel in eerste aanleg als in hoger beroep als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij te gelden en zullen om die reden worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.

5.21.

Bij deze uitkomst past dat [Geïntimeerden] worden veroordeeld in de kosten van het deskundigenonderzoek, volgens beschikking van 24 februari 2016 groot € 7.097,68. Ook grief 5 slaagt derhalve.

6 De slotsom

6.1.

Het door [Geïntimeerden] gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en/of niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

6.2.

[Appellanten] zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 10 december 2014, 1 april 2015 en 24 juni 2015, alsmede tegen de beschikking van 24 februari 2016 en de tussenvonnissen van 13 april 2016 en 21 december 2016. De grieven tegen het eindvonnis van 22 maart 2017, behoudens grief 3, slagen. Het eindvonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [Appellanten] zullen alsnog worden toegewezen als hierna in het dictum vermeld. Overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van [Appellanten] zullen [Geïntimeerden] als onweersproken hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van hetgeen zij moeten betalen.

6.3.

Als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [Geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [Appellanten] zullen worden vastgesteld op € 97,74 aan explootkosten,

€ 462,00 aan griffierecht en € 1.000,00 voor salaris advocaat volgens het oude liquidatietarief (5 punten à € 200,00 per punt) en € 7.097,68 aan kosten van het deskundigenonderzoek. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [Appellanten] zullen worden vastgesteld op € 101,11 aan explootkosten, € 716,00 aan griffierecht en € 759,00 voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief (1 punt, tarief I in hoger beroep à € 759,00).

Als niet weersproken, zal het hof ook de gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten toewijzen. Dit met dien verstande dat met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, het hof de gevorderde wettelijke rente eerst zal toewijzen op een termijn als hierna in het dictum bepaald.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [Appellanten] niet-ontvankelijk in hun hoger beroep voor zover dit is gericht tegen

de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 10 december 2014, 1 april 2015 en 24 juni 2015, de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2016 en de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 13 april 2016 en 21 december 2016;

vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 22 maart 2017;

en opnieuw recht doende;

veroordeelt [Geïntimeerden] hoofdelijk, met dien verstande dat voor zover de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van herstelkosten ten bedrage van € 4.306,51 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2014 tot en met de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [Geïntimeerden] hoofdelijk, met dien verstande dat voor zover de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van de nota van de deskundige van € 7.097,68;

veroordeelt [Geïntimeerden] hoofdelijk, met dien verstande dat voor zover de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van beide instanties, tot aan het bestreden vonnis van 22 maart 2017 aan de zijde van [Appellanten] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 97,74 aan explootkosten, € 462,00 aan griffierecht en op € 1.000,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op

€ 101,11 aan explootkosten, € 716,00 aan griffierecht en op € 759,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [Geïntimeerden] hoofdelijk, met dien verstande dat voor zover de een betaalt, de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten, begroot op € 157,00, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,00 in geval [Geïntimeerden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de hierin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.M. Vaessen, O.G.H. Milar en R.M. Wagemakers en is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.