Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5102

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
21-06-2019
Zaaknummer
200.220.028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending zorgplicht Holland Casino jegens gokverslaafde bezoeker?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0894
JA 2019/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhen

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.220.028

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 410529)

arrest van 18 juni 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te Leerdam,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser in conventie/verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.J. de Witte,

tegen:

de naamloze vennootschap Holland Casino N.V.

(rechtsopvolger van de stichting Nationale Stichting tot Exploitatie van Casinospelen in Nederland),

gevestigd te Hoofddorp,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde/eiser in voorwaardelijke reconventie,

hierna: Holland Casino,

advocaat: mr. M.B. Kerkhof.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 11 mei 2016 (cna-vonnis) en 15 maart 2017 (eindvonnis) die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 14 juni 2017,

- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis (met producties 22-26),

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.20 van het (bestreden) eindvonnis van 15 maart 2017 (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2017:3092).

3.2

Het gaat in dit geding, verkort weergegeven, om het volgende. [appellant] bezocht sinds de opening in 2000 de vestiging van Holland Casino in Utrecht. Holland Casino beschikt(e) over een vergunning volgens de Beschikking Casinospelen 1996 waarin onder meer (samengevat) is opgenomen dat de toegang wordt geweigerd aan personen uit wier gedragingen of uitlatingen redelijkerwijs valt op te maken dat zij hun wil niet in vrijheid kunnen bepalen, dat een evenwichtig beleid wordt gevoerd op het terrein van de kansspelverslaving en dat de nodige maatregelen worden getroffen om “onmatige deelneming” aan de kansspelen zoveel mogelijk te voorkomen. In het Huisreglement van Holland Casino is onder meer (samengevat) opgenomen dat de toegang wordt ontzegd aan personen die om een entreeverbod dan wel om een bezoekbeperking hebben verzocht; deze ontzegging/bezoekbeperking geldt voor tenminste zes maanden en duurt ten hoogste één jaar en is tussentijds niet opzegbaar. Holland Casino heeft tevens een preventiebeleid kansspelen ontwikkeld, waarvan onderdeel is een incidentenregistratiesysteem (genaamd OASE) waarin incidenten en bijzonderheden ten aanzien van de bezoekers worden bijgehouden en daarnaast een bezoekregistratiesysteem dat gekoppeld is aan OASE. Een entreeverbod of bezoekbeperking wordt vastgelegd in een door betrokken partijen ondertekend formulier. Na afloop van het verbod of de beperking wordt de gast/speler uitgenodigd voor een nazorggesprek. Op 7 juni 2002 heeft [appellant] een entreeverbod gevraagd en gekregen. In de periode vanaf 12 januari 2004 (toen het entreeverbod werd opgeheven) tot 1 oktober 2008 (toen het tweede entreeverbod werd opgeheven) zijn er nog bezoekbeperkingen afgesproken in de zogenoemde nazorggesprekken. Op 30 december 2009 is een bezoek van [appellant] geregistreerd met betrekking tot mogelijk vals spelen. In januari 2010 heeft Holland Casino een entreeverbod opgelegd waarna [appellant] niet meer is toegelaten. [appellant] heeft op 23 november 2012 Holland Casino aansprakelijk gesteld. Na toewijzing van een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor zijn op 22 augustus 2014, 16 februari 2015 en 27 februari 2015 getuigen gehoord. Daarna is namens [appellant] per brief van 3 april 2015 nogmaals Holland Casino verzocht aansprakelijkheid te erkennen, hetgeen Holland Casino niet heeft gedaan.

3.3

[appellant] heeft de onderhavige procedure gestart met de inleidende dagvaarding van 19 februari 2016 en als grondslag voor zijn vorderingen aangevoerd dat Holland Casino jegens hem onzorgvuldig heeft gehandeld door hem steeds weer toe te laten tot het casino en onvoldoende maatregelen te treffen om zijn gokverslaving tegen te gaan en hem niet tegen zichzelf in bescherming te nemen; het gaat aldus om de schending van de zorgplicht van Holland Casino. Holland Casino heeft de stellingen van [appellant] betwist en daarenboven aangevoerd dat sprake is van verjaring van de vorderingen van [appellant]. De rechtbank heeft het verjaringsverweer deels gehonoreerd voor zover het gaat om vorderingen die zien op de gebeurtenissen vóór 23 november 2007. Vervolgens heeft de rechtbank de vorderingen die gebaseerd waren op schending van de zorgplicht ná 23 november 2007 (vijf gebeurtenissen onder a) tot en met d)) afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] is met vijf grieven in principaal hoger beroep gekomen; hij heeft tevens zijn eis gewijzigd. Holland Casino is op haar beurt met drie grieven in incidenteel hoger beroep gekomen.

4.2

Met grief 1 in het principaal hoger beroep komt [appellant] op tegen het door de rechtbank gehonoreerde verjaringsberoep. [appellant] stelt dat zijn gokverslaving in het Holland Casino is ontstaan en dat de redelijkheid en billijkheid niet toelaten dat Holland Casino een beroep kan doen op verjaring, mede gezien de vergaande zorgplicht van Holland Casino. [appellant] voert hiervoor ook aan dat Holland Casino vanaf 7 juni 2002 (toen het eerste entreeverbod werd gevraagd en gekregen) ermee rekening moest houden dat [appellant] Holland Casino zou gaan aanspreken. Hij voert voorts aan dat hij als gokverslaafde niet in staat was om voor 23 november 2007 een vordering in te stellen tegen Holland Casino. Ten slotte voert [appellant] aan dat de verjaring steeds is gestuit door de mededelingen dat hij Holland Casino verantwoordelijk hield voor zijn schade. De grieven 2, 3, 4 en 5 van [appellant] zien alle op de gestelde zorgplichtschendingen van Holland Casino.

Holland Casino komt met drie grieven in incidenteel hoger beroep op tegen de beslissing van de rechtbank dat de vordering deels is verjaard, namelijk tot 23 november 2007. Holland Casino stelt dat [appellant] zijn vorderingen heeft gebaseerd op één grond namelijk dat het entreeverbod in januari 2004 niet had mogen worden opgeheven (hij had “levenslang” gevraagd). Er is aldus sprake van één zorgplichtschending waarop [appellant] zijn vorderingen heeft gebaseerd; deze vorderingen zijn dan ook verjaard.

4.3

Uit het bezoekersregistratiesysteem blijkt dat [appellant] in 2002 in maart drie maal, in april drie maal, in mei vier maal en in juni twee maal in het casino was geweest (dit in tegenstelling tot wat [appellant] in een gesprek met medewerkers van Holland Casino vertelde, te weten dat hij tien keer per maand naar het casino ging). Op 6 juni 2002 heeft [appellant] op het aanvraagformulier voor een bezoekbeperking/entreeverbod als reden voor zijn verzoek vermeld: “zelfbescherming, financieel en geestelijk kapot en + 300 jaar entree verbod”. In het incidenten-registratiesysteem (OASE) van Holland Casino van 7 juni 2002 staat onder meer beschreven dat [appellant] door de floormanager uit de zaal is gehaald en dat [appellant] vertelde “dat hij gokverslaafd was geworden en dat hij nooit was aangesproken was ook onze schuld”, dat hij sinds de opening in Utrecht naar het casino kwam en dat het de schuld van het casino was “want wij hadden moeten inzien dat hij naar de klote ging”. Nadat op hem is ingepraat is hem “geadviseerd om naar de bank te gaan waar hij zijn schulden heeft lopen en daar te proberen om een schuldsanering te gaan regelen. Na zeker 1 uur praten heeft [[appellant]] een EV voor onbepaalde tijd genomen zodat hij wat betrouwbaarder over zou komen bij de bank. [[appellant]] heeft toegezegd dat hij dit zou gaan doen.” Voorts staat opgenomen: “Mocht [[appellant]] weer komen dan ook na 1 jaar niet toelaten omdat [[appellant]] erg labiel overkwam en zeer zeker in het oude verhaal zou vervallen.” Op 12 juli 2003 is [appellant] herkend in het casino waar hij onder valse naam was binnengekomen en hij is toen van de speeltafel (en uit het casino) verwijderd. Op 15 juli 2003 is [appellant] de toegang tot het casino in Breda geweigerd. Naar aanleiding van het verzoek van [appellant] op 12 januari 2004 om het entreeverbod op te heffen is over het nazorggesprek het volgende vastgelegd (in OASE): “De problemen waren opgelost. Hij beschouwt zijn fouten als leermoment en zorgt dat dit niet meer gaat gebeuren. Hij wil voorzichtig beginnen en neemt daarom een bp [bezoekbeperking, toev. hof] van 1x p mnd gedurende een half jaar.” Na ommekomst van dit half jaar heeft op 19 juli 2004 opnieuw een (nazorg)gesprek plaatsgevonden dat als volgt is vastgelegd: “Gast [[appellant], toev. hof] denkt een keer of drie a vier max per maand te komen. Heeft zich nu vermoedelijk beter in de hand. (…) Vindt het prima dat hij aangesproken wordt op het moment dat hij de 4x herhaaldelijk overschrijdt. Bezocht geen andere casino’s.” Tot aan de volgende registratie van 31 juli 2006 (over mogelijk vals spelen) zijn er geen incidenten genoteerd. Bij de aanvraag van [appellant] om een entreeverbod op 23 november 2006 is het volgende geregistreerd: “(…) In gesprek gegaan met [appellant]. met zweet op zijn voorhoofd, hij vertelt dat hij helemaal kapot is. “mijn leven heb ik hier ingeleverd” veel te veel geld verloren, geeft ook aan nooit meer het casino te willen bezoeken. Wil de staat ook aansprakelijk stellen en het is allemaal niet eerlijk. Kortom [appellant]. zit er doorheen.” [appellant] heeft toen weer een entreeverbod gekregen. Op 14 maart 2008 is dit entreeverbod opgeheven en daarvoor is een bezoekbeperking afgesproken; in het nazorggesprek is dat als volgt vastgelegd: “[appellant]. heeft zelf een EV genomen. Wilde een tijdje niet meer het casino bezoeken. Is nu financieel op orde en wilde voor de gezelligheid het casino bezoeken. (…) Komt niet in een speelautomatenhal of in een illegaal casino. Hem geadviseerd om een bp te nemen. Nam een Bp van 3 bezoeken per maand gedurende zes maanden.” Op 1 oktober 2008 is de bezoekbeperking opgeheven en is dit als volgt geregistreerd: “[appellant] geeft aan geen BP meer te willen. [appellant] zegt het nu zelf wel onder controle te hebben. Tijdens zijn BP heeft [appellant] geen andere speelgelegenheden bezocht. [appellant] weet niet precies hoe vaak hij zal komen (…) HC norm afgesproken.” Na een (onder 3.2 beschreven) incident in december 2009 over mogelijk vals spelen van [appellant] is hem in januari 2010 de toegang tot het casino ontzegd.

4.4

[appellant] heeft kennelijk alleen bij het eerste verzoek om een entreebeperking op 6 juni 2002 verteld dat hij een gokverslaving had. Daarna is dit probleem/onderwerp niet meer aan de orde gekomen, zo blijkt uit het registratiesysteem. Op dit eerste verzoek heeft Holland Casino adequaat gereageerd getuige de aantekening in OASE dat [appellant] ook na één jaar entreebeperking niet zou moeten worden toegelaten vanwege zijn labiele toestand. Het hof ziet geen aanleiding om te oordelen dat Holland Casino in 2002 [appellant] al had moeten wijzen op hulp voor gokverslaving; de samenwerking met de telefonische hulpdienst Human Assistance Network for Daily Support (HANDS) is pas vanaf 2005 van de grond gekomen en voorts heeft Holland Casino onbestreden aangevoerd (conclusie van antwoord sub 21) dat de voorlichtingsbrochure “De risico’s van het spel” (thans genaamd “Laat spelen een spel blijven”) in diverse talen in alle vestigingen van Holland Casino beschikbaar was; in deze brochure wordt ook gewezen op de mogelijkheid van hulpverlening.

Voor een “levenslang entreeverbod”, hetgeen [appellant] lijkt te suggereren, is geen dan wel onvoldoende grondslag te vinden in het eerste verzoek. Het levenslang entreeverbod is ter sprake gekomen in antwoord op Kamervragen aan de staatssecretaris (22 maart 2012, overgelegd als prod. 8 bij conclusie van antwoord): “Op grond van de Beschikking [casinospelen 1996, toev. hof] dient Holland Casino een evenwichtig beleid ten aanzien van kansspelverslaving te voeren. Hier heeft Holland Casino, in nauw overleg met verslavingszorginstellingen, invulling aan gegeven. Verslavingszorginstellingen laten ook mij weten dat een levenslang entreeverbod niet een realistische termijn is om effectief bij te dragen aan het beperken van de verslavingsrisico’s. Juist de mogelijke terugkeer naar gereguleerd legaal aanbod beoogt te voorkomen dat tijdens een getroffen maatregel gebruik wordt gemaakt van ongecontroleerde illegale (online) gelegenheden. Holland Casino geeft dan ook voldoende invulling aan haar taak die uit de Beschikking voortvloeit. (…) Mijn opmerking in antwoorden op eerdere Kamervragen dat het maken van een inbreuk op de eigen keuzevrijheid van de casinobezoekers niet te snel mag plaatsvinden, heb ik in de context geplaatst dat Holland Casino in beginsel verplicht is personen die willen deelnemen aan een kansspel toe te laten. Het opleggen van een levenslang entreeverbod gaat voorbij aan het gegeven dat de (persoonlijke) situatie van betrokkene zich kan ontwikkelen, waarbij (gecontroleerde) deelname aan kansspelen wederom mogelijk is. Ook deze persoon dient in de gelegenheid te worden gesteld deel te nemen aan kansspelen. (…)”

Genoegzaam staat vast dat [appellant] (op eigen naam) in de maanden vóór 6 juni 2002 gemiddeld drie maal per maand naar het casino is geweest; deze bezoekfrequentie noopte Holland Casino ook niet tot nadere maatregelen of adviezen, anders dan het advies om bij de bank aan te kloppen voor schuldsanering. De (schriftelijke) getuigenverklaringen dat hij “heel veel” naar het casino ging, soms ook wel tien keer per maand is onvoldoende specifiek wat betreft de periode. Voorts heeft Holland Casino adequaat gehandeld door [appellant] op 12 en 15 juli 2003 te signaleren (en te verwijderen / de toegang te weigeren) vanwege het entreeverbod. Pas op 12 januari 2004, dat is anderhalf jaar na het overeengekomen entreeverbod, is het entreeverbod omgezet in een bezoekbeperking van eenmaal per maand voor zes maanden, nadat [appellant] in het nazorggesprek zelf had verklaard dat alle problemen waren opgelost en dat hij van zijn fouten had geleerd. Het hof heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden in het dossier dat Holland Casino toen anders had moeten handelen door bijvoorbeeld de opheffing van het entreeverbod te weigeren. Het enkele feit dat een vriend van [appellant] ([vriend appellant]) als getuige heeft verklaard dat [appellant] gokverslaafd was (maar niet specifiek in die periode) en agressief werd als hij verloor (hetgeen niet is gedocumenteerd in het incidentenregister) is hiervoor onvoldoende; hetzelfde geldt voor de getuigenverklaring van de vrouw van [appellant] dat hij zijn baan is verloren door zijn gokverslaving (wanneer is niet duidelijk). De eigen getuigenverklaring van [appellant] dat hij in 2002 vanwege zijn gokverslaving naar een psychiater is gegaan en medicatie kreeg is bij de rechtbank noch in hoger beroep met stukken onderbouwd, terwijl ook de kenbaarheid voor Holland Casino van de gestelde gokverslaving onvoldoende concreet is toegelicht.

De getuigenverklaring van zijn echtgenote is op dit punt ook onvoldoende concreet, sterker nog: zij verklaart dat hij voor zijn gokverslaving nooit is behandeld. Zijn stelling dat hij door zijn gokverslaving niet in staat was om een juridische actie tegen Holland Casino te starten is daarmee niet genoegzaam onderbouwd; aan enig bewijs hieromtrent komt het hof dan ook niet toe. Ten overvloede merkt het hof op dat uit de brief van 30 december 2003 van het UWV (prod. 21 conclusie van antwoord in reconventie) enkel blijkt dat [appellant] door zijn beperkte psychische belastbaarheid (werken onder tijdsdruk en met productielimieten/deadlines, conflicthantering enz.) voor 80-100% is afgekeurd voor het werk als distributiemedewerker (en bij gebreke van voldoende passend werk), maar niet vanwege een gokverslaving.

4.5

Tot aan het tweede entreeverbod van 23 november 2006 zijn er geen incidenten geregistreerd. Bij deze aanvraag heeft [appellant] aangegeven dat hij er, kort gezegd, doorheen zat en heel veel geld had verloren. Zijn opmerking toen dat hij de staat (en niet Holland Casino) aansprakelijk wilde stellen is overigens een onvoldoende aanwijzing dat hij hiermee een verjaring van een vordering jegens Holland Casino heeft gestuit of willen stuiten, zoals [appellant] aanvoert in de memorie van grieven sub 14 en 20. Niet in geschil is dat hier sprake is van de (korte) verjaringstermijn van vijf jaren van artikel 3:310 lid 1 BW: een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Uit de conclusie van A-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:791, sub 2.11) is de navolgende en door het hof onderschreven samenvatting van de stand van de rechtspraak beschreven. De korte verjaringstermijn staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid. De voormelde eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon, moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat, indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring is begonnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. De korte verjaringstermijn gaat pas in wanneer die omstandigheden niet langer verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld en begint dus te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen. De (niet deugdelijk onderbouwde) stelling van [appellant] dat hij door zijn gokverslaving niet eerder (dan 23 november 2012) in staat was een vordering in te stellen heeft het hof al besproken en verworpen onder 4.4. Dan blijft over de stelling van [appellant] dat redelijkheid en billijkheid niet toelaten dat het beroep op verjaring door Holland Casino wordt gehonoreerd, gelet op de vergaande zorgplicht van Holland Casino. Een beroep op verjaring, waaronder begrepen een beroep op het niet stuiten van de verjaring, kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. artikel 6:2 BW). Bij toepassing van deze maatstaf dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. Het is aan [appellant] om hiervoor concrete feiten en omstandigheden aan te voeren die tot die conclusie kunnen leiden; dat heeft [appellant] niet (voldoende) gedaan behoudens door middel van zijn – al door het hof verworpen – stelling dat hij door zijn gokverslaving niet in staat was om Holland Casino aansprakelijk te stellen. Voor het overige sluit het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank onder 4.5 van het vonnis van 15 maart 2017 en maakt dat tot het zijne.

Dat betekent dat grief 1 van [appellant] faalt.

4.6

De stelling van Holland Casino dat [appellant] slechts één zorgplichtschending aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, namelijk het moment waarop het eerste entreeverbod in januari 2004 werd opgeheven en [appellant] het casino weer kon bezoeken (waarmee de verjaringstermijn een aanvang nam), volgt het hof niet. Uit de stukken en stellingen van [appellant] leidt het hof af dat hij subsidiair ook aanvoert (memorie van grieven sub 24) dat Holland Casino zich ervan had moeten vergewissen dat het verantwoord was om [appellant] weer toe te laten tot het casino en dat Holland Casino hem in 2006 ook blijvend de toegang had kunnen ontzeggen (memorie van grieven sub 36). Onder grief 3 voert [appellant] ook aan dat Holland Casino haar zorgplicht heeft geschonden door, zo verstaat het hof, op 14 maart 2008 (de opheffing/beëindiging van het tweede entreeverbod) na te laten de uitlatingen van [appellant] (dat hij de zaken financieel weer op orde had) te verifiëren. Al met al heeft [appellant] dus ook voor ándere tijdstippen een zorgplichtschending van Holland Casino aangevoerd die ook tot schadeplichtigheid kunnen leiden. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank onder 4.6 van het vonnis van 15 maart 2017 en maakt dat tot de zijne. Dat betekent ook dat de grieven I, II en III in het incidenteel hoger beroep falen.

4.7

In aansluiting op hetgeen hiervoor is overwogen en beslist zal het hof beoordelen of de door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden die gelegen zijn na 23 november 2007 ertoe (moeten) leiden dat Holland Casino haar zorgplicht heeft geschonden. Op 14 maart 2008 is het tweede entreeverbod van [appellant] opgeheven. Volgens [appellant] had Holland Casino niet mogen afgaan op zijn eigen verklaring dat hij zijn financiële zaken weer op orde had, maar had Holland Casino dat moeten verifiëren, althans hierop moeten doorvragen en ook moeten nagaan of de omstandigheden van 2002 zich nog voordeden. Los van het antwoord op de vraag of en hoe Holland Casino de financiële toestand van [appellant] had kunnen en/of moeten verifiëren op 14 maart 2008 en wat “doorvragen” dan zou moeten betekenen, zijn er kennelijk voor Holland Casino op 14 maart 2008 geen signalen geweest dat [appellant] niet op zijn woord geloofd zou kunnen of moeten worden. Dat hij er toen slecht en onverzorgd uitzag is niet gesteld of gebleken. Zijn echtgenote verklaart als getuige dat zijn situatie in 2006 “het ergst” was, dat hij zich niet meer goed verzorgde, dat hij agressief gedrag vertoonde, niet sliep en er moe uitzag, en die beleving strookt ook wel met de eigen verklaring van [appellant] toen hij in november 2006 een (tweede) entreeverbod vroeg – en verkreeg. Toen [appellant] om opheffing van het tweede entreeverbod vroeg waren 14 maanden verstreken ná 23 november 2006, in die tussenliggende periode [appellant] ook niet gezien is in het casino, althans dat is niet gesteld of gebleken. De drie schriftelijke verklaringen van mei 2017 van vrienden van [appellant] die hem vaak vergezelden in het casino (overgelegd als prod. 26 memorie van grieven) schetsen een algemeen beeld van [appellant], maar geven geen concrete aanknopingspunten voor de uitingen en gedragingen van [appellant] in de periode ná 23 november 2007 en/of de toestand van [appellant] rond medio maart 2008. Aldus heeft [appellant] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om het oordeel te rechtvaardigen dat sprake was van gedragingen of uitlatingen waaruit redelijkerwijs viel op te maken dat [appellant] zijn wil niet in vrijheid kon bepalen, zoals in de Beschikking Casinospelen 1996 bedoeld. Ook rechtvaardigen zijn stellingen niet het oordeel dat Holland Casino door hem de toegang niet te ontzeggen, haar zorgplicht heeft geschonden. Overigens heeft Holland Casino op 14 maart 2008 wel een bezoekbeperking van 3 bezoeken per maand met [appellant] afgesproken; dat [appellant] deze bezoekbeperking toen heeft overschreden is niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld of gebleken. Er zijn daarna ook geen incidenten met betrekking tot [appellant] geregistreerd tot aan 30 december 2009. Al met al ziet het hof, evenals de rechtbank in het vonnis van 15 maart 2007 onder 4.9 tot en met 4.17, onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] dat Holland Casino haar zorgplicht heeft geschonden; het hof sluit zich aan bij die overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne.

4.8

[appellant] heeft niet voldoende concreet en specifiek bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een andere conclusie leiden. Een bewijsaanbod is ter zake dienend indien het feiten en omstandigheden betreft die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In hoger beroep mag verder van een partij die bewijs aanbiedt worden verwacht dat zij voldoende concreet duidelijk maakt op welke van haar stellingen dit bewijs betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou(den) kunnen afleggen. De eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn, kan meebrengen dat, indien er al schriftelijke verklaringen van de getuigen zijn overgelegd, nader wordt aangegeven in hoeverre die getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Er zijn in het voorlopig getuigenverhoor reeds diverse getuigen gehoord. De verklaringen van deze getuigen, onder wie die van [appellant], zijn ook onderdeel van de gedingstukken in deze zaak. Voor zover [appellant] heeft aangeboden getuigen te horen, onder wie zichzelf, heeft hij daarbij niet voldoende specifiek aangegeven in hoeverre de getuigen waarvan reeds verklaringen voorhanden zijn, meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. Dat had wel van hem verlangd mogen worden (vergelijk o.a. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2014:AO7817). Het bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

5 De slotsom

5.1

De grieven van [appellant] in het principaal hoger beroep falen evenals de grieven van Holland Casino in het incidenteel hoger beroep. Het bestreden vonnis van 15 maart 2017 zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen en Holland Casino in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van Holland Casino zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 716,-

- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x tarief II)

De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 1.074,- (1 punt x tarief II)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 maart 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Holland Casino vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt Holland Casino in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 1.074,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, M. Beekhoven van den Boezem en Jac. Hijma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2019.