Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:5043

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-06-2019
Datum publicatie
28-06-2019
Zaaknummer
18/00464 t/m 18/00470
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1838, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Bouw woning. Belaste verhuur zolderverdieping. Ingangsdatum huur is gelegen na de datum van ingebruikneming van de woning. Het onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen is niet van belang voor het aftrekrecht, maar uitsluitend voor de omvang van dat recht. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de zolderverdieping na de oplevering van de woning bestemd is en gebruikt is voor (de voorbereiding van) belaste verhuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-06-2019
FutD 2019-1708 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2019/1498
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 18/00464 tot en met 18/00470

uitspraakdatum: 18 juni 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Maatschap [X] en [Y] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 april 2018, nummers AWB 16/5849, 16/6666, 17/9, 17/10, 17/2490, 17/2492 en 17/2494, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 oktober 2015 tot en met 31 december 2015 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 8.696.

1.2.

De Inspecteur heeft de onder 1.1. bedoelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 1.643.

1.4.

De Inspecteur heeft de onder 1.3. bedoelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.5.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 2.429.

1.6.

De Inspecteur heeft de onder 1.5. bedoelde beschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.7.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016 bij beschikking een teruggaaf omzetbelasting verleend van € 720.

1.8.

Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.9.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 14.615.

1.10.

De Inspecteur heeft de onder 1.9. bedoelde naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.11.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2016 een tweede naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 12.186. Bij beschikking is € 18 belastingrente in rekening gebracht.

1.12.

De Inspecteur heeft de onder 1.11. bedoelde naheffingsaanslag en beschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.13.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 2016 tot en met 30 juni 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 720. Bij beschikking is € 3 belastingrente in rekening gebracht.

1.14.

De Inspecteur heeft de onder 1.13. bedoelde naheffingsaanslag en beschikking bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.

1.15.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep deels gegrond verklaard, de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de teruggaafbeschikkingen vernietigd en de door de Inspecteur nader vastgestelde teruggaven bevestigd, de onder 1.9. bedoelde naheffingsaanslag verminderd tot € 4.053 en de daarover berekende belastingrente dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de Rechtbank een dwangsom en een immateriëleschadevergoeding toegekend en de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.

1.16.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.17.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

De maten van belanghebbende zijn de echtelieden [X] en [Y] (hierna: het echtpaar). De maten hebben op 23 december 2014 een maatschapsovereenkomst gesloten. Het doel van de maatschap is hierin omschreven als het voor gezamenlijke rekening, tegen vergoeding, gedurende een periode van ten minste 5 jaar, ter beschikking stellen van één of meerdere (onzelfstandige) werkkamers van de in 2015 nieuw te bouwen eigen woning (“Box 1”) aan de [a-straat] te [Z] , aan één of meerdere vennootschappen. In de overeenkomst staat dat de maatschap is aangegaan met ingang van 1 oktober 2014.

2.2.

Op 27 oktober 2014 heeft het echtpaar een koop-/aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een woning aan de [a-straat] 72 te [Z] (hierna: de woning). Op 9 februari 2015 is het perceel aan het echtpaar geleverd.

2.3.

De heer en mevrouw [X/Y] hebben zich op 23 december 2014 bij de Belastingdienst gemeld als startende onderneming. Bij een meerkeuzevraag naar de vorm van de onderneming hebben zij “Stille maatschap zonder onderneming” aangekruist.

2.4.

Belanghebbende heeft op 29 juni 2015 een intentieovereenkomst gesloten met [A] B.V. voor de verhuur van de zolderverdieping van de woning. [Y] bezit 100% van de aandelen in [A] B.V. en is bestuurder van deze vennootschap.

2.5.

Bij belanghebbende is een boekenonderzoek ingesteld naar de aansluiting tussen de aangifte omzetbelasting en de onderliggende administratie voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 maart 2015. Hangende het onderzoek is het uitgebreid op het onderdeel toerekening voorbelasting op bouwkosten van de woning. In het rapport van 16 december 2015 is onder meer het volgende opgenomen:

3.2 Onroerend goed

Op 9 februari 2015 werd gekocht een perceel bouwgrond (bouwnummer 1A) gelegen aan de Hekkersdreef 72 te [Z] , kadastraal bekend gemeente [Z] , sectie [B] , nummer [000] , groot 6a 17ca. De koopprijs bedroeg € 176.162 exclusief € 36.994 OB.

Op het perceel bouwgrond zal een uit drie verdiepingen bestaande woning gebouwd worden tegen een aanneemsom van € 280.470 inclusief OB.

Na gereedkomen van de woning, vermoedelijk in 2016, zal de woning betrokken worden door het echtpaar de heer en mevrouw [X/Y] , tevens de maten van belastingplichtige. Het voornemen is om de zolderverdieping vanuit de maatschap belast te gaan verhuren aan [A] BV met fiscaalnummer [0000.00.000] , zijnde de BV waarvan mevrouw [Y] de enige aandeelhouder is. De zolderverdieping zal dus worden toegerekend aan het bedrijfsvermogen voor de OB.

De zolderverdieping kan enkel bereikt worden via de delen van de woning welke privé gebruikt gaan worden. De zolderverdieping heeft daarom onvoldoende zelfstandigheid voor verhuur aan een willekeurig derde. Uit recente jurisprudentie echter, blijkt dat ingeval er in dergelijke gevallen daadwerkelijk huurbedragen worden overgemaakt naar de bankrekening van de verhuurder, het toch beschouwd kan worden als verhuur van onroerend goed.

3.3

Voorbelasting

Aan voorbelasting is in aftrek gebracht een bedrag van € 15.616. Dit bedrag is vastgesteld aan de hand van 3 facturen welke volledig betrekking hebben op de aankoop van het perceel bouwgrond. Het totaalbedrag van de OB op deze facturen bedraagt € 41.062. Van dit bedrag is 38% geclaimd.

Het percentage 38 heeft belastingplichtige bepaald door de verhouding in oppervlakte tussen de zolder en de rest van de woning te bepalen. Voor de zolder wordt een oppervlakte van bijna 56 m2 genomen. Voor de rest van de woning wordt uitgegaan van de slaapkamers en de huiskamer. Het totaaloppervlak van de woning bedraagt volgens belastingplichtige op deze manier 147 m2.

Ik heb vervolgens aan belastingplichtige de vraag gesteld waarom deze de entree, de keuken, de trappen, de overloop, de badkamer en de garage buiten diens berekening heeft gelaten. Immers deze ruimten hebben ook een bepaalde oppervlakte en de aanneemsom kan gedeeltelijk aan deze ruimten worden toegerekend.

Het hierop door belastingplichtige gegeven antwoord kan het beste weergegeven worden door diens latere beargumentering via e-mail. Ik citeer daarom als volgt:

"Zoals besproken tijdens uw boekenonderzoek verschillen wij van mening ten aanzien van de kwalificatie van dienstbare ruimten zoals de (niet-geïsoleerde) garage, de keuken, de badkamer, de gangen, de hal en de trappen. Naar mijn mening volgen deze dienstbare ruimten het gebruik van de overige door de dienstbare ruimten bediende ruimten. Dienstbare ruimten lenen zich naar hun aard immers niet voor zelfstandig gebruik. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het besluit van de staatssecretaris van 19 september 2013, BLKB2013/1686M onderdeel 3.3:"

Belastingplichtige citeert vervolgen de staatssecretaris en trekt de conclusie dat ook de staatssecretaris geen zelfstandige betekenis toekent aan de hal, keuken enzovoort en dat daarom de oppervlakten van de dienstbare ruimten buiten beschouwing gelaten kunnen worden.

Ik ben van mening dat belastingplichtige door het citeren van de staatssecretaris de woorden van deze oneigenlijk gebruikt. De staatssecretaris heeft in het door belastingplichtige aangehaalde onderdeel van het besluit duidelijkheid willen geven over de eerste ingebruikname van een zelfstandig deel van een pand. Vertaald naar deze casus zegt de staatssecretaris dat bij de eerste ingebruikname van de woning ook de dienstbare ruimten, zoals hal en trap en toilet in gebruik worden genomen, zonder dat per afzonderlijke ruimte de eerste ingebruikname hoeft te worden vastgesteld. De woorden van de staatssecretaris kunnen niet gebruikt worden bij de verdeling van een woning in bedrijfsgedeelte en privégedeelte zoals door belastingplichtige is gedaan.

De door mij becijferde oppervlakte van de zolder bedraagt 56,7 m2. Het totaaloppervlak van de woning inclusief garage bedraagt 233,5 m2. Op de normale bouwkosten kan belastingplichtige daarom (afgerond naar boven) 25% aftrekken.

Tot de normale bouwkosten behoren in ieder geval niet de inrichting van de badkamer en de keuken.

Ook over de aankoop van de grond is belastingplichtige van mening dat 38% van de OB welke betrekking heeft op de levering van.de grond aftrekbaar is. Hetzelfde genoemde besluit wordt door belastingplichtige gebruikt ter onderbouwing, ditmaal onderdeel 3.2.3.

Hoofdstuk 3.2 van het genoemde besluit bepaalt wanneer er al dan niet belaste prestaties plaatsvinden met onroerend goed (levering en verhuur). In hoofdstuk 3.2.3 zegt de staatssecretaris dat een tuin bij een huis een bijbehorend terrein is wat hetzelfde btw-regime volgt als het huis. De staatssecretaris zegt hier dus dat ingeval de levering van een woning belast is met OB, de in de levering inbegrepen tuin ook belast is met OB. De woorden van de staatssecretaris kunnen ook hier niet gebruikt worden bij de verdeling van een woning c.q. bijbehorend terrein in bedrijfsgedeelte en. privégedeelte zoals door belastingplichtige is gedaan.

De oppervlakte van de zolder is 56,7 m2. De zolder is 1/3 deel van de woning. Derhalve kan 1/3 deel van 56,7 m2 worden toegerekend aan de grond welke wordt gebruikt voor de zolder. Het totaaloppervlak van het bouwterrein bedraagt 617 m2.

De aan de grond, die uiteindelijk bestemd is voor belast gebruik door de maatschap direct toerekenbare voorbelasting bedraagt 3,07%, afgerond 4%. Vanwege deze afronding hoeft nu ook geen rekening meer gehouden te worden met bijvoorbeeld een parkeerplaats voor zakelijk bezoek.

De correctie is als volgt berekend: aftrekbaar is 4% van € 41.062 is € 1.643. In aftrek is gebracht € 15.616. De correctie bedraagt € 13.973.

Over het 1e kw. 2015 wordt daarom een teruggaaf verleend van € 1.643”

2.6.

De woning is op 18 maart 2016 opgeleverd. Op dat moment zijn de keuken en de sanitaire voorzieningen nog niet geplaatst.

2.7.

[C] Parket heeft een factuur gestuurd aan [A] B.V. met dagtekening 22 april 2016 voor het leggen van vinyl op de zolderverdieping.

2.8.

Het echtpaar staat sinds 1 mei 2016 in de basisregistratie personen ingeschreven op het adres van de woning.

2.9.

Belanghebbende heeft op 15 juni 2016 als verhuurder een huurovereenkomst gesloten met [A] B.V. als huurder. In de huurovereenkomst hebben huurder en verhuurder geopteerd voor met omzetbelasting belaste verhuur. In de huurovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“Het gehuurde, bestemming

1.1

Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurder de ruimte (hierna 'gehuurde'), gelegen aan de [a-straat] 72 te [Z] , betreffende de tweede verdieping (zolder), ter grootte van in totaal circa 56 m2 b.v.o., niet volgens een standaard gemeten.

Het gehuurde en de gemeenschappelijk te gebruiken ruimten zijn nader aangeduid op de als bijlage 1 bij deze huurovereenkomst gevoegde en door partijen geparafeerde plattegrond/tekening.

1.2

Het gehuurde zal door of vanwege Huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als kantoorruimte, archiefruimte en/of vergaderruimte.

(…)

Duur, verlenging en opzegging

3.1

Deze huurovereenkomst gaat in op 18 maart 2016 (hierna 'ingangsdatum') en is aangegaan voor een periode van 5 (zegge: "vijf') jaar en loopt tot en met 18 maart 2021.

3.2

Na het verstrijken van de in artikel 3.1 genoemde periode wordt deze huurovereenkomst behoudens beëindiging van deze huurovereenkomst door opzegging door Huurder of Verhuurder in overeenstemming met artikelen 3.3 en 3.4 voortgezet voor een aansluitende periode van 5 (zegge, "vijf") jaar, derhalve tot en met 18 maart 2026.

Deze huurovereenkomst wordt vervolgens voortgezet voor aansluitende perioden van één jaar.

3.3

Beëindiging van deze huurovereenkomst vindt plaats door opzegging door Huurder aan Verhuurder of door Verhuurder aan Huurder tegen het einde van de lopende huurperiode of, ingeval van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen ieder tijdstip, met inachtneming van een termijn van zes maanden.

3.4

Opzegging dient schriftelijk te geschieden.

(…)

Bijzondere bepalingen

10 Het parkeerterrein (2 parkeerplaatsen), de tuin, de garage, de keuken/kantine en de toiletten betreffen algemene/gemeenschappelijke ruimten/terreinen. Het is Huurder toegestaan de technische ruimte op de 2e verdieping te gebruiken als server-ruimte, mits te allen tijde vrije toegang tot de gesitueerde technische installaties gegarandeerd blijft.”

2.10.

Op 15 juni 2016 heeft de aannemer de laatste gebreken aan de woning verholpen.

2.11.

Bij brief van 26 juli 2016 heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag aangekondigd over het tweede kwartaal van 2016. In de brief heeft de Inspecteur toegelicht dat tijdens het hoorgesprek van 8 juni 2016 is gebleken dat het echtpaar al in de woning was getrokken, terwijl de huurovereenkomst met [A] B.V. per 1 juli 2016 zou ingaan. Volgens de Inspecteur betekende dit dat de aftrek van voorbelasting op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) moest worden herrekend.

2.12.

De Inspecteur heeft de in de brief van 26 juli 2016 aangekondigde naheffingsaanslag (€ 26.945) opgelegd zonder belanghebbende de gelegenheid te bieden hierop te reageren.

2.13.

Op 4 september 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden over het percentage zakelijk gebruik.

2.14.

Er heeft geen hoorgesprek plaatsgevonden naar aanleiding van het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag over het tweede kwartaal 2016. De Inspecteur heeft deze naheffingsaanslag vernietigd. In de aankondigingsbrief die aan de vernietiging vooraf is gegaan, heeft de Inspecteur aangekondigd na te heffen over het eerste kwartaal van 2016, omdat de eerste ingebruikneming van de woning op 18 maart 2016 heeft plaatsgevonden.

2.15.

Naar aanleiding van de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen over het eerste kwartaal van 2016 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden over de eerste ingebruikneming.

2.16.

De Inspecteur heeft in de beroepsfase ingestemd met het door belanghebbende bepleite percentage van 30 en dienovereenkomstig teruggaaf verleend. Hierop heeft belanghebbende het oorspronkelijk ingenomen standpunt gewijzigd in die zin, dat zij nu een aftrek van 38% bepleit.

2.17.

Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 22 november 2016 in gebreke gesteld met betrekking tot het doen van uitspraak op bezwaar voor het tweede kwartaal van 2016. De Inspecteur heeft de brief op 23 november 2016 ontvangen. Belanghebbende heeft op 31 december 2016 beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.18.

De Inspecteur heeft bij brief van 21 december 2016 aanvullende teruggaven verleend op basis van een percentage van 30. De totaalbedragen van de per tijdvak terug te geven omzetbelasting zijn:

Eerste kwartaal 2015 € 12.328

Tweede kwartaal 2015 € 0

Derde kwartaal 2015 € 1.458

Vierde kwartaal 2015 € 11.196

Eerste kwartaal 2016 € 2.429

2.19.

De Inspecteur heeft met de twee naheffingsaanslagen voor het eerste kwartaal van 2016 de in totaal verleende teruggaven op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB gecorrigeerd. Hierbij heeft de Inspecteur ervan afgezien aan belanghebbende een extra teruggaaf te verlenen van € 485 voor het eerste kwartaal van 2016. Deze aanvullende teruggaaf is gesaldeerd met de tweede naheffingsaanslag.

2.20.

De Inspecteur heeft op 12 januari 2017 uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot het tweede kwartaal van 2016. Belanghebbende heeft de uitspraak op 17 januari 2017 ontvangen.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de Inspecteur de voorbelasting mag naheffen op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB. Voorts is in geschil of diverse beginselen zijn geschonden.

3.2.

Ter zitting van het Hof hebben partijen overeenstemming bereikt over de volgende punten:

  • -

    Het percentage van de woning dat voor belaste doeleinden wordt gebruikt, is 34;

  • -

    Belanghebbende heeft voor de aan haar toekomende teruggaven omzetbelasting recht op vergoeding van belastingrente op de voet van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen;

  • -

    De dwangsom dient te worden vermeerderd met € 120 tot € 1.140;

  • -

    Het verzoek om proceskostenvergoeding ziet uitsluitend op de beroepsmatige rechtsbijstand tijdens het hoger beroep;

  • -

    De Rechtbank heeft de immateriëleschadevergoeding juist vastgesteld.

4 Beoordeling van het geschil

Teruggaafverzoeken

4.1.

Tussen partijen is ter zitting van het Hof overeenstemming bereikt over het percentage belast gebruik van de woning, 34. Dit betekent dat de al aan belanghebbende voor het eerste, derde en vierde kwartaal van 2015 en het eerste kwartaal van 2016 verleende teruggaven (zie 2.18.) dienen te worden verhoogd van 30% naar 34% van de aan belanghebbende in rekening gebrachte voorbelasting. Het Hof zal de herrekende bedragen opnemen in het dictum, waarbij zij aangetekend dat formeel geen (hoger) beroep is ingesteld inzake het derde kwartaal van 2015, aangezien de correctie was verwerkt in het vierde kwartaal van 2015. Voor het tweede kwartaal van 2016 dient ook rekening te worden gehouden met de aan [A] B.V. in rekening gebrachte omzetbelasting van € 42. Dit leidt tot het volgende resultaat:

De door belanghebbende ingediende aangifte:

Voorbelasting 25% € 762

Omzetbelasting over verhuur € 42

Teruggaaf tweede kwartaal 2016 € 720

Berekening in hoger beroep:

Voorbelasting 34% € 1.037

Omzetbelasting over verhuur € 42

Teruggaaf tweede kwartaal 2016 € 995

Naheffingsaanslagen

4.2.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aan belanghebbende verleende teruggaven in het eerste kwartaal van 2016 dienen te worden gecorrigeerd op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB. Het echtpaar heeft de woning na de oplevering geheel voor privédoeleinden in gebruik genomen. De (belaste) verhuur aan [A] B.V. is pas per 1 juli 2016 ingegaan, zodat sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest Lennartz (Hof van Justitie van de Europese Unie 11 juli 1991, C-97/90, ECLI:EU:C:1991:315). De woning is pas later aangewend voor een economische activiteit en op dat latere moment kan niet alsnog aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting. Het gebruik van de woning is ten tijde van de oplevering gewijzigd ten opzichte van de intentie tijdens de bouw, hetgeen betekent dat de voorbelasting moet worden gecorrigeerd, aldus de Inspecteur.

4.3.

Belanghebbende bestrijdt dit standpunt. De intentie is altijd geweest de zolderverdieping te verhuren en tussen de oplevering van de woning en de ingangsdatum van de verhuur is deze verdieping gereed gemaakt voor gebruik als kantoor ten behoeve van [A] B.V., aldus belanghebbende.

4.4.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest Gmina Ryjewo (25 juli 2018, C-140/17, ECLI:EU:C:2018:595) onder andere het volgende overwogen:

“38. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de vraag of de belastingplichtige op het tijdstip waarop een goed aan hem werd geleverd, heeft gehandeld als belastingplichtige ten behoeve van een economische activiteit, een feitelijke kwestie die de verwijzende rechter dient te onderzoeken in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen en het tijdsverloop tussen de verwerving van de goederen en hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige (zie in die zin met name arresten van 11 juli 1991, Lennartz, C‑97/90, EU:C:1991:315, punt 21, en 22 oktober 2015, Sveda, C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 21).

39. Dit onderzoek is erop gericht na te gaan of de belastingplichtige de betrokken investeringsgoederen heeft verworven of vervaardigd met het door objectieve factoren bevestigde voornemen een economische activiteit uit te oefenen, en bijgevolg heeft gehandeld als belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112 (zie in die zin arrest van 22 oktober 2015, Sveda, C‑126/14, EU:C:2015:712, punt 20).

(…)

51. Daarentegen is het op zich niet van belang dat het goed in kwestie niet onmiddellijk is gebruikt voor belaste handelingen, daar het daadwerkelijke gebruik van het goed enkel bepalend is voor de omvang van de aftrek of de eventuele daaropvolgende herziening, maar niet van invloed is op het ontstaan van het recht op aftrek (zie in die zin arrest van 30 maart 2006, Uudenkaupungin kaupunki, C‑184/04, EU:C:2006:214, punt 39).”

4.5.

Het Hof komt op basis van de maatschapsovereenkomst (zie 2.1.), de intentieovereenkomst (zie 2.4.), de aan [A] B.V. gerichte factuur voor het leggen van de vloerbedekking op de zolderverdieping (zie 2.7.) en de huurovereenkomst (zie 2.9.), waarin staat dat de verhuur op 18 maart 2016 is ingegaan, tot de conclusie dat belanghebbende van meet af aan de intentie heeft gehad de zolderverdieping belast te gaan verhuren en dat belanghebbende aan deze intentie direct en volledig uitvoering heeft gegeven. Na oplevering van de woning heeft blijkens de hiervoor genoemde factuur [A] B.V. opdracht gegeven de vloerbedekking te leggen. [X] heeft ter zitting van het Hof geloofwaardig en consequent verklaard dat de zolderverdieping tussen de oplevering van de woning en 1 juli 2016 gereed is gemaakt voor de verhuur. Uit het onder 4.4. geciteerde arrest volgt dat onmiddellijk gebruik voor belaste handelingen niet van belang is voor het ontstaan van het aftrekrecht (maar uitsluitend voor de omvang van dit recht). Dus zelfs als de Inspecteur moet worden gevolgd in diens standpunt dat de woning in eerste instantie geheel voor privédoeleinden in gebruik is genomen, hoeft dit nog niet in de weg te staan aan het ontstaan van het aftrekrecht. Zoals eerder overwogen, heeft belanghebbende echter aannemelijk gemaakt dat de zolderverdieping ook na de oplevering van de woning bestemd is en gebruikt is voor (de voorbereiding van) de belaste verhuur aan [A] B.V. Dat [A] B.V. met ingang van een later tijdstip huur is verschuldigd, doet hieraan niet af. Dat in zoverre sprake zou zijn van een prestatie zonder vergoeding en dus een niet-economische activiteit, heeft de Inspecteur wel gesteld maar niet onderbouwd. In de commerciële verhuur van kantoorruimte zijn maatwerkafspraken over de ingangsdatum en de periode waarover huur is verschuldigd, heel gebruikelijk. Het Hof herhaalt dat zelfs indien dit standpunt van de Inspecteur al moet worden gevolgd, dit uitsluitend gevolgen heeft voor de omvang van het aftrekrecht.

4.6.

De Inspecteur heeft de voorbelasting ten onrechte nageheven. Er is geen sprake van een wijziging van gebruik of bestemming ten tijde van de oplevering van de woning. Het Hof kan in het midden laten of, zo het standpunt van de Inspecteur juist zou zijn, de voorbelasting op de voet van artikel 15, vierde lid, Wet OB had kunnen worden nageheven.

4.7.

Het Hof zal de naheffingsaanslagen vernietigen. Gelet hierop behoeven de overige geschilpunten geen bespreking.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.536 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 512 x 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken). Het Hof ziet geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de immateriëleschadevergoeding en het griffierecht,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– stelt de teruggaven omzetbelasting vast op € 13.972 (eerste kwartaal 2015), € 1.653 (derde kwartaal 2015), € 12.689 (vierde kwartaal 2015), € 3.303 (eerste kwartaal 2016) en € 995 (tweede kwartaal 2016),

– gelast dat aan belanghebbende over de teruggaven belastingrente wordt vergoed op de voet van artikel 30ha Algemene wet inzake rijksbelastingen,

– vernietigt de naheffingsaanslagen,

– vernietigt de beschikking belastingrente,

– stelt de dwangsom vast op € 1.140, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was, dus vanaf 27 januari 2017,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.536,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 18 juni 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.