Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4973

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2019
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
200.250.142
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Niet in het belang van kinderen (zeven en negen jaar) hen te horen. 809 lid 1 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.250.142

(zaaknummer rechtbank Gelderland 308209)

beschikking van 13 juni 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.P.J. van den Heuvel-Beerens te Vleuten, gemeente Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.G.M. ter Avest te Utrecht,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming West,

verweerster in hoger beroep,

gevestigd te Gouda,

verder te noemen: de GI.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 september 2017 en van 25 augustus 2018 (hersteld bij beschikking van 14 september 2018), beide beschikkingen uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 november 2018;

  • -

    het verweerschrift van de moeder met producties;

  • -

    het verweerschrift van de GI met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van den Heuvel-Beerens van 11 februari 2019, met als bijlage een brief met het opschrift ‘akte houdende wijziging lichaam beroepschrift’ en met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Ter Avest van 9 april 2019 met producties.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft op 23 april 2019 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de GI zijn verschenen [C] (voormalig oudervoogd), [D] (jeugdzorgwerker), [E] (oudervoogd) en [F] (teamleider). Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [G] verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het huwelijk van de partijen is [in] 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 mei 2014 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , hierna: [de minderjarige1] , geboren [in] 2009 te [B] , en

- [de minderjarige2] , hierna: [de minderjarige2] , geboren [in] 2011 te [B] ,

gezamenlijk ook te noemen: de kinderen. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.3.

In de echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bepaald dat het aangehechte en gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan, door partijen ondertekend op respectievelijk 4 februari 2014 en 10 februari 2014, zijn partijen overeengekomen dat [de minderjarige1] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben en [de minderjarige2] bij de moeder. Verder zijn partijen een co-ouderschapsregeling overeengekomen. Deze regeling houdt in dat de kinderen bij de vader verblijven van maandag na school tot woensdag 19.00 uur, eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag 19.00 uur tot maandag naar school en de helft van de vakanties en feestdagen en bij de moeder verblijven van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur, eenmaal per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot maandag naar school en de helft van de vakanties en feestdagen.

3.4.

Naar aanleiding van de bij de rechtbank ingediende verzoeken van de moeder en de daarop gevolgde zelfstandige verzoeken van de vader heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, bij beschikking van 12 september 2016 een raadsonderzoek gelast en iedere verdere beslissing aangehouden. De zaak is in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

3.5.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de kinderrechter), van 3 juli 2017, hersteld bij beschikking van 4 augustus 2017, zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd bij beschikking van de kinderrechter van 29 juni 2018 tot 3 juli 2019.

3.6.

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), heeft bij beschikking van 1 september 2017 een voorlopige zorgregeling vastgesteld inhoudende dat de kinderen op maandag en dinsdag bij de vader verblijven. Zij worden op woensdag door de vader naar school gebracht en door de moeder opgehaald van school. De kinderen verblijven vervolgens het resterende deel van de woensdag en donderdag bij de moeder. Indien zij het weekend naar de vader gaan, brengt de moeder de kinderen op vrijdag naar school en haalt de vader hen ’s middags uit school weer op. De rechtbank heeft in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling iedere verdere beslissing aangehouden. Ten aanzien van de vakanties en feestdagen heeft de rechtbank overwogen dat beide ouders wensen dat de vakanties onveranderd verdeeld blijven zoals zij dat eerder zijn overeengekomen, maar dat de regeling van de verdeling van de feestdagen voorlopig komt te vervallen. Dat brengt met zich dat op feestdagen en verjaardagen de voorlopige zorgregeling doorloopt.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Tussen partijen zijn in geschil de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende de kinderen.

Bij beschikking van 25 augustus 2018, hersteld bij beschikking van 14 september 2018 (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 21 mei 2014 en het aangehechte ouderschapsplan, voor zover deze zien op het hoofdverblijf en de zorgregeling, gewijzigd en, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat:

  • -

    de kinderen bij de vader verblijven eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot woensdag naar school;

  • -

    de kinderen tijdens de feestdagen conform de reguliere zorgregeling bij één van beide ouders verblijven.

Voorts heeft de rechtbank bepaald dat:

  • -

    de kinderen tijdens de schoolvakanties bij de ouders verblijven volgens onderstaand schema:

  • -

    zomervakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste helft van de zomervakantie bij de moeder en de tweede helft van de vakantie bij de vader. In de oneven jaren verblijven de kinderen de eerste helft van de zomervakantie bij de vader en de tweede helft bij de moeder;

  • -

    herfstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren in de herfstvakantie bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;

  • -

    kerstvakantie: de kinderen verblijven in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader en de tweede week bij de moeder. In de oneven jaren verblijven de kinderen in de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder en in de tweede week bij de vader;

  • -

    voorjaarsvakantie: de kinderen verblijven in de oneven jaren bij de moeder en in de even jaren bij de vader;

  • -

    meivakantie: de kinderen verblijven in de oneven jaren in de eerste week van de meivakantie bij de vader en in de tweede week bij de moeder. In de even jaren verblijven zij in de eerste week bij de moeder en in de tweede week bij de vader. Als de meivakantie wordt opgedeeld in twee losse weken vakantie in april/mei en in juni dan verblijven de kinderen in de oneven jaren in de week in april/mei bij de vader en in de week in juni bij de moeder. In de even jaren verblijven de kinderen in de week in april/mei bij de moeder en in de week in juni bij de vader.

De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.

4.2.

De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 25 augustus 2018 (hersteld bij beschikking van 14 september 2018). De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de verzoeken van de moeder zullen worden afgewezen en dat zijn zelfstandige verzoeken worden toegewezen, met dien verstande dat:

A. primair: de zorgregeling als volgt wordt vastgesteld: de kinderen verblijven in een week op/week af regeling bij de ouders met een wisselmoment op donderdag op school. De ouder waar de kinderen in die week hebben verbleven brengt de kinderen naar school. De ouder voor wie de zorgregeling de aankomende week zal starten haalt de kinderen op van school. De kinderen verblijven dan in het aansluitende weekend bij de ouder die hen op donderdag van school heeft opgehaald;

subsidiair: de zorgregeling als volgt wordt vastgesteld: de kinderen verblijven op maandag tot en met woensdag bij de vader. Zij worden op donderdag door de vader naar school gebracht en door de moeder opgehaald van school. De kinderen verblijven vervolgens het resterende deel van de donderdag en vrijdag bij de moeder (waarbij zij de kinderen naar school brengt). Indien zij het weekend naar de vader gaan dan haalt de vader de kinderen ’s middags uit school. Indien zij het weekend niet naar de vader gaan dan verblijven de kinderen tot en met maandagochtend bij de moeder. De moeder brengt de kinderen dan op maandag naar school waarna de regeling weer opnieuw zal lopen;

ten aanzien van de primaire en subsidiaire regeling wordt vastgesteld dat deze regeling zal doorlopen tijdens feestdagen en verjaardagen met uitzondering van de Kerstdagen, Oud- en Nieuwjaarsdag en Vader- en Moederdag en feestdagen als volgt te verdelen:

ten aanzien van de Kerstdagen en Oud- en Nieuwjaarsdag verzoekt de vader deze vast te stellen zoals hierna onder C. is weergegeven;

ten aanzien van Vader- en Moederdag verzoekt de vader vast te stellen dat de kinderen jaarlijks Vaderdag bij de vader doorbrengen en Moederdag bij de moeder;

de vakanties bij helfte worden verdeeld als volgt:

de zomervakantie:

de kinderen verblijven in de oneven jaren de eerste helft van de vakantie bij de vader en in de even jaren de tweede helft van de vakantie. De kinderen zullen in de oneven jaren de tweede helft van de vakantie bij de moeder doorbrengen en in de even jaren de eerste helft van de vakantie. Partijen dienen uiterlijk op 1 december in het voorgaande jaar aan elkaar te communiceren waar zij naartoe zullen gaan;

de herfstvakantie:

de kinderen verblijven in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;

de kerstvakantie:

in de even jaren en als tweede Kerstdag op woensdag, donderdag, vrijdag of zaterdag valt verblijven de kinderen gedurende de eerste vakantieweek tot tweede Kerstdag 12.00 uur bij de vader. De vader brengt de kinderen dan naar de moeder. De kinderen verblijven dan bij de moeder vanaf tweede Kerstdag 12.00 uur tot en met het einde van de vakantie. Indien tweede Kerstdag op een zondag, maandag of dinsdag valt, verblijven de kinderen gedurende de eerste vakantieweek tot tweede Kerstdag 12.00 uur en vanaf 2 januari 18.00 uur tot en met het einde van de vakantie bij de vader. De kinderen verblijven dan bij de moeder vanaf tweede Kerstdag 12.00 uur tot 2 januari 18.00 uur;

In de oneven jaren en als tweede Kerstdag op woensdag, donderdag, vrijdag of zaterdag valt verblijven de kinderen gedurende de eerste vakantieweek tot tweede Kerstdag 12.00 uur bij de moeder. De moeder brengt de kinderen dan naar de vader. De kinderen verblijven vervolgens bij de vader vanaf tweede Kerstdag 12.00 uur tot en met het einde van de vakantie.

Indien tweede Kerstdag op een zondag, maandag of dinsdag valt, verblijven de kinderen gedurende de eerste vakantieweek tot tweede Kerstdag 12.00 uur en vanaf 2 januari 18.00 uur tot en met het einde van de vakantie bij de moeder. De kinderen verblijven dan bij de vader vanaf tweede Kerstdag 12.00 uur tot 2 januari 18.00 uur;

de voorjaarsvakantie: de kinderen verblijven in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;

de meivakantie: de kinderen verblijven de eerste week van de vakantie bij de vader en de tweede week bij de moeder;

ten aanzien van alle vakanties verzoekt de vader om de weekenden onderdeel te laten zijn van de vakantieregeling. De reguliere zorgregeling start weer op de maandag na de vakantie;

de moeder wordt veroordeeld in de kosten van dit geding;

primair: de moeder te veroordelen in de kosten van de sport die de vader ten onrechte heeft betaald vanaf de datum van ondertekening van het ouderschapsplan, op dit moment voor [de minderjarige2] te begroten op een bedrag van € 1.487,-, als alle toekomstige uitgaven voor het sporten;

subsidiair: indien het hof van oordeel is dat de kosten van het [H] -traject voor rekening van beide ouders komen, dit te verrekenen met de kosten die de vader teveel heeft betaald voor het sporten van de kinderen - op dit moment voor [de minderjarige2] te begroten op € 1.487,- als alle toekomstige uitgaven voor het sporten - en het restant door de moeder aan de vader over te maken;

aan de moeder een dwangsom wordt opgelegd van € 500,- voor elke keer dat zij de afspraken tussen partijen zoals vastgelegd in het ouderschapsplan dan wel in de door het hof te geven beschikking niet zal naleven met een maximum van € 10.000,-.

4.3.

De moeder voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.4.

Ook de GI voert gemotiveerd verweer. Ook zij verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

Ter mondelinge behandeling heeft de vader zijn in rechtsoverweging 4.2 onder E. genoemde verzoeken ingetrokken, zodat deze geen bespreking meer behoeven.

horen kinderen

5.2.

Uitgangspunt is dat, zoals ook in artikel 809 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is verwoord, in zaken als de onderhavige, een minderjarige van twaalf jaar of ouder in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening kenbaar te maken. Weliswaar geeft de tweede volzin de rechter de bevoegdheid om ook jongere kinderen te horen, maar het hof ziet in deze zaak geen aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het hof neemt bij zijn oordeel in aanmerking dat de kinderen pas zeven en negen jaar oud zijn. De kinderen hebben al meerdere malen met de kindvoogd gesproken. Deze gesprekken leverden al de nodige onrust op bij de kinderen. Het valt aan te nemen dat het horen door het hof een grote impact op de kinderen zal hebben, belastend voor hen zal zijn en onrust met zich zal brengen. Het hof acht het daarom niet in het belang van de kinderen om hen te horen. Het daartoe gedane verzoek van de vader zal daarom worden afgewezen.

verdeling zorg- en opvoedingstaken

5.3.

Ingevolge artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil en op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is genoegzaam komen vast te staan dat sprake is van gewijzigde omstandigheden.

5.5.

Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling in het belang van de kinderen is. Het hof neemt, na eigen onderzoek, de overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.

5.6.

De co-ouderschapsregeling zoals die tot aan de bestreden beschikking gold, leverde een grote belasting op voor de kinderen. Bij de ouders is sprake van echtscheidingsproblematiek, als gevolg waarvan het hen niet lukt om op ouderniveau met elkaar te communiceren. Ondanks de inzet van hulpverlening lukt het de ouders, en met name de vader, niet om uit de onderlinge strijd te komen. Partijen blijven elkaar over en weer verwijten maken. Hierdoor bestaat een groot risico dat de kinderen in een loyaliteitsconflict terecht zullen komen. De kinderen hebben last van de constante strijd en spanningen tussen de ouders. Dit blijkt ook uit de gesprekken die de kinderen met de kindvoogd hebben gehad. In deze gesprekken zeggen de kinderen dat zij niet vrijuit over de situatie bij de andere ouder durven te spreken, omdat zij bang zijn voor de reactie van hun ouders. Gelet hierop acht het hof het hervatten van de co-ouderschapsregeling, zoals de vader primair onder A. heeft verzocht, niet in het belang van de kinderen en zal dit verzoek van de vader afwijzen.

5.7.

Vast staat dat de kinderen met beide ouders een goede band hebben en dat afgezien van de onderlinge strijd geen zorgen bestaan over de opvoedingssituatie bij beide ouders. Het is dan ook in het belang van de kinderen dat zij op regelmatige basis contact met beide ouders hebben. Het op regelmatige basis contact hebben, is belangrijker dan de concrete inhoud van de zorgregeling. Aangezien de kinderen binnen de huidige zorgregeling rust ervaren, acht het hof voortzetting van de huidige zorgregeling in hun belang. Het hof zal daarom ook het subsidiair onder A. gedane verzoek van de vader afwijzen.

5.8.

Ten aanzien van de vakanties en feestdagen verzoekt de vader een zeer gedetailleerde regeling vast te leggen. Het hof acht deze regeling niet in het belang van de kinderen. Gelet op de onderlinge voortdurende strijd tussen de ouders en de belasting hiervan voor de kinderen, acht het hof een regeling met zo min mogelijk wisselingen in het belang van de kinderen. Daarom zal het hof de rechtbank volgen in de door haar vastgestelde regeling voor de vakanties en feestdagen. De verzoeken onder B. en C. van de vader zullen eveneens worden afgewezen.

dwangsom

5.9.

De moeder komt de vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na. Het hof ziet daarom geen reden om een dwangsom op te leggen.

6 De slotsom

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2.

Het geschil betreft de zorgregeling voor [de minderjarige2] en [de minderjarige1] . De GI is vanwege de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige1] belanghebbende in deze procedure. Het hof ziet daarin aanleiding voor compensatie van de proceskosten.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
25 augustus 2018, hersteld bij beschikking van 14 september 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten, zodat de vader, de moeder en de GI ieder de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, J.H. Lieber en

G. van de Beek, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 13 juni 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.