Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4942

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-06-2019
Datum publicatie
09-07-2019
Zaaknummer
200246401
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke rangregeling. Renvooiprocedure. Verdeling executie-opbrengst woning. Geschil over de vraag voor welke vorderingen de executant tot de rangregeling kan worden toegelaten. Beroep op overmacht ten aanzien van vordering tot betaling van dwangsommen wegens niet voldoen aan een rechterlijk bevel. Verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak die strekt tot betalingen bij het jaar of een kortere termijn. Gezag van gewijsde van een eerdere rechterlijke uitspraak tussen partijen in deze zaak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.246.401

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 304699)

arrest van 11 juni 2019

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Turner Trading Enterprises B.V.,
gevestigd te Elburg,

2. [appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna afzonderlijk: TTE en [appellant 2] , gezamenlijk: TTE c.s.,

advocaat: mr. K. Horstman,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. G. de Gelder.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 december 2016, 5 april 2017 en 16 mei 2018 die de rechtbank Gelderland heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 16 augustus 2018,
- het anticipatie-exploot van 11 september 2018,
- de memorie van grieven (met producties),
- de memorie van antwoord (met producties),
- de pleidooien gehouden op 13 mei 2019.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het vonnis van 14 december 2016 en de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.4 van het vonnis van 16 mei 2018.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Deze zaak betreft een renvooiprocedure in het kader van de door [geïntimeerde] verzochte gerechtelijke rangregeling op de voet van artikel 551a/552 juncto 486 Rv, met het oog op de verdeling van de executie-opbrengst van de woning aan de [adres] (rangregeling met kenmerk [kenmerk] , hierna te noemen: de rangregeling).

4.2

[geïntimeerde] heeft samengevat gevorderd voor recht te verklaren dat haar vorderingen jegens [appellant 2] in totaal € 284.923,41 bedragen en haar voor deze vorderingen toe te laten tot de rangregeling. TTE c.s. hebben verweer gevoerd en van hun kant gevorderd voor recht te verklaren dat TTE als hypotheekhouder van [appellant 2] en [geïntimeerde] een bedrag van € 243.000,- heeft te vorderen en TTE toe te laten tot de rangregeling voor dit bedrag.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 16 mei 2018 (a) voor recht verklaard dat de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellant 2] in totaal € 132.250,36 bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 19 februari 2016, (b) [geïntimeerde] voor dit bedrag met rente toegelaten tot de rangregeling, (c) [appellant 2] veroordeeld in de kosten van de renvooiprocedure en de nakosten met wettelijke rente en (d) het meer of anders gevorderde afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

TTE c.s. komen met twee grieven op tegen het vonnis van 16 mei 2018. Zij vorderen dat het hof dit vonnis op de door hen genoemde punten zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] zal vaststellen en zal bepalen dat [geïntimeerde] voor het aldus vastgestelde bedrag kan worden toegelaten tot de rangregeling, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

5.2

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden. Zij concludeert dat het hof TTE c.s. niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met hoofdelijke veroordeling van TTE c.s. in (naar het hof begrijpt:) de kosten van het hoger beroep met wettelijke rente en nakosten.

5.3

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraken in de derdenverzet-procedure (het vonnis van de rechtbank van 9 september 2015 en het eindarrest van dit hof van 5 december 2017), de vordering van TTE c.s. om voor recht te verklaren dat TTE als hypotheekhouder een bedrag van € 243.000,- van [geïntimeerde] en [appellant 2] heeft te vorderen en TTE toe te laten tot de rangregeling afgewezen (zie rov. 2.3-2.5 van het vonnis van 16 mei 2018). TTE c.s. hebben daartegen geen grieven gericht. De positie van TTE staat in hoger beroep dus niet meer ter discussie. Gelet daarop heeft TTE geen belang bij dit hoger beroep, zodat haar beroep moet worden verworpen.

5.4

Met grief I voert [appellant 2] alsnog verweer tegen de vordering van [geïntimeerde] ad € 75.620,65 uit hoofde van de procedure toestemming verkoop aandelen. De achtergrond daarvan is het volgende. De rechtbank heeft bij beschikking van 29 mei 2015 aan [geïntimeerde] toestemming gegeven tot verkoop van de door [appellant 2] gehouden aandelen in TTE, waarop [geïntimeerde] op 12 januari 2015 executoriaal beslag had gelegd uit kracht van het vonnis van de rechtbank Zutphen van 13 oktober 2004 en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007 (waarbij [appellant 2] is veroordeeld een vergoeding wegens overbedeling en een gebruiksvergoeding aan [geïntimeerde] te voldoen) en de beschikking van de rechtbank Zutphen van 14 maart 2006 (waarin is bepaald dat [appellant 2] kinderalimentatie aan [geïntimeerde] diende te voldoen). De rechtbank heeft [appellant 2] in de beschikking opgedragen om op het eerste verzoek van de met de executie belaste deurwaarder binnen 14 dagen alle naar het oordeel van de deurwaarder voor de waardering en verkoop van de aandelen relevante (financiële) gegevens betreffende TTE ter beschikking te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 750,- voor iedere dag dat [appellant 2] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 75.000,-. De deurwaarder heeft op 18 september 2015 de grosse van de beschikking aan [appellant 2] betekend en hem bevel gedaan om binnen 14 dagen de in het exploot vermelde gegevens te verstrekken. Bij exploot van 8 december 2015 is [appellant 2] aangezegd dat hij zich niet heeft gehouden aan de veroordeling in de beschikking en bevel gedaan de verbeurde dwangsommen tot het bedrag van € 50.250,- te betalen. Op 18 december 2015 heeft [geïntimeerde] onder meer hiervoor executoriaal beslag gelegd op het onverdeelde aandeel van [appellant 2] in de woning. Op 16 februari 2016 is [appellant 2] nogmaals aangezegd dat hij zich niet heeft gehouden aan de genoemde veroordeling en bevel gedaan de verbeurde dwangsommen, inmiddels opgelopen tot het maximum van € 75.000,-, met kosten te voldoen. Op 19 februari 2016 heeft [geïntimeerde] hiervoor nog eens executoriaal derdenbeslag gelegd onder de notaris op de opbrengst van de inmiddels verkochte woning.

5.5

[appellant 2] voert in de toelichting op de grief aan dat hij niet heeft voldaan aan het bevel van de deurwaarder omdat hij in de onmogelijkheid verkeerde daaraan te voldoen. Naar hij stelt, had hij niet de beschikking over de door de deurwaarder verlangde gegevens; de informatie en gegevens moesten namelijk door de accountant en de bank worden aangeleverd. [appellant 2] heeft de gegevens bij de accountant en de bank opgevraagd, maar zowel de accountant als de bank kon de gegevens niet tijdig aanleveren. Hij stelt zich op het standpunt dat, nu hij door overmacht niet kon voldoen aan het bevel van de deurwaarder, hij de dwangsommen niet heeft verbeurd en de dwangsommen dus niet verschuldigd is geworden, althans dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat hij aan betaling van de dwangsommen wordt gehouden.

5.6

Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat een eenmaal verbeurde dwangsom voor het gehele bedrag verbeurd blijft. Na het opleggen kan evenwel op grond van specifieke omstandigheden de behoefte bestaan de hoogte van de dwangsom te herzien of de werking van de dwangsom op te schorten of op te heffen. Artikel 611d Rv biedt daarvoor de mogelijkheid. Op grond van deze bepaling kan de rechter die de dwangsom heeft opgelegd op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Daarnaast kan de executierechter, indien zich na verbeurte van de dwangsom een nieuwe, geen overmacht opleverende omstandigheid heeft voorgedaan, toetsen of de titel waarbij de dwangsom is opgelegd nog doeltreffend en uitvoerbaar is.

5.7

Vaststaat dat [appellant 2] niet heeft voldaan aan de veroordeling in de beschikking van 29 mei 2015 en het daarop gebaseerde bevel van de deurwaarder om de nader genoemde gegevens te verstrekken. [appellant 2] heeft ook geen vordering ingesteld tot opheffing, opschorting of vermindering van de opgelegde dwangsom vanwege de gestelde onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. In het kader van deze rangregelingsprocedure kan [appellant 2] zich niet alsnog met vrucht op deze omstandigheid beroepen. Van een andere, geen overmacht opleverende omstandigheid die de executierechter nog zou kunnen toetsen, is verder geen sprake. Het verweer gaat reeds daarom niet op.

5.8

Het hof overweegt daarnaast nog dat, ook als wel zou worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van hetgeen [appellant 2] op dit punt heeft aangevoerd, dit niet zou leiden tot een ander resultaat. De gegevens waarom de deurwaarder vroeg, betroffen onder meer de vraag of er nog activiteiten in TTE worden ontplooid, wat de waarde is van de bezittingen, of er onroerende zaken in bezit zijn, in hoeverre de hypotheek is afgelost, wat de hoogte is van de beslagen door de belastingdienst, wat de waarde is van de schulden, wat het karakter is van de activiteiten, wat de verwachte omzet en kosten zijn en welke investeringen zijn gepland. Niet valt in te zien dat [appellant 2] , die directeur en enig aandeelhouder is van TTE, deze vragen in het geheel niet zou kunnen beantwoorden. Zonder verdere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien dat de gestelde termijn van veertien dagen ontoereikend zou zijn om de gevraagde gegevens zo nodig met hulp van de accountant en/of de bank te kunnen verstrekken. Het standpunt dat [appellant 2] door overmacht niet aan het bevel heeft kunnen voldoen, acht het hof daarom onvoldoende onderbouwd. Om dezelfde reden is er geen grond voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om [appellant 2] aan betaling van de dwangsommen te houden.

5.9

[appellant 2] voert daarnaast nog aan dat het onderliggende vonnis ter zake van de overbedeling is komen te vervallen nu [geïntimeerde] haar aandeel in de woning onrechtmatig heeft verkocht. Hij stelt zich op het standpunt dat, nu het effect van dit vonnis is komen te vervallen, daarmee ook de daarop gebaseerde dwangsom vervalt.

5.10

Dit betoog treft geen doel. Om te beginnen vindt het standpunt dat het vonnis waarop de executie is gebaseerd (naar het hof begrijpt, doelt [appellant 2] daarmee op het vonnis van 13 oktober 2004 waarin de woning aan hem is toegedeeld en hij is veroordeeld tot betaling van een bedrag wegens overbedeling, uit kracht waarvan het executoriale beslag op de aandelen in TTE mede is gelegd) is vervallen doordat [geïntimeerde] haar aandeel in de woning onrechtmatig heeft verkocht, geen steun in het recht. Het standpunt dat de in de beschikking van 29 mei 2015 opgelegde dwangsom is vervallen, mist daarmee ook deugdelijke grond. Daar komt bij dat het hof in zijn tussenarrest van 18 juli 2017 in de derdenverzetprocedure tussen partijen al heeft geoordeeld over het verweer van [appellant 2] dat [geïntimeerde] misbruik van recht heeft gemaakt door wel de ten behoeve van haar gewezen titels ten uitvoer te leggen, maar niet mee te willen werken aan de in het vonnis van 13 oktober 2004 neergelegde verplichting om medewerking te verlenen aan toedeling van de woning aan [appellant 2] . Het hof heeft zich aangesloten bij de overweging van de rechtbank dat niet valt in te zien dat juist [geïntimeerde] misbruik van recht zou maken door de executie van de woning door te zetten, terwijl [appellant 2] gedurende een groot aantal jaren (zonder daarvoor een redelijke verklaring te geven) heeft nagelaten de bedragen waartoe hij in verschillende rechterlijke instanties is veroordeeld aan haar te voldoen. Het hof sluit zich in deze zaak bij dat oordeel aan. Dit betekent dat het [geïntimeerde] vrij stond om de woning executoriaal te doen verkopen, zoals zij heeft gedaan. Gelet daarop kan ook niet worden aangenomen dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant 2] door haar aandeel in de woning te verkopen. Ook op inhoudelijke gronden kan dus niet worden gezegd dat [appellant 2] de dwangsommen om deze reden niet verschuldigd zou zijn. Daarmee faalt grief I.

5.11

Met grief II keert [appellant 2] zich tegen de verwerping van het beroep op verjaring van de vordering van [geïntimeerde] voor wat betreft de gebruiksvergoeding, wettelijke rente en alimentatie. Hij wijst er daarbij op dat [geïntimeerde] in 2008 de executie heeft aangezegd en daarna pas bij brief van de door haar ingeschakelde notaris van 24 april 2014 aanspraak heeft gemaakt op haar vermeende vorderingen. Hij betoogt dat de verjaringstermijn voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de uitspraken ten aanzien van de alimentatietermijnen, de wettelijke rente en de gebruiksvergoeding vijf jaar bedraagt, zodat de schulden uit hoofde van deze posten, gelegen voor 24 april 2009, zijn verjaard.

5.12

[geïntimeerde] heeft hiertegen ingebracht dat [appellant 2] dit verjaringsverweer ook al heeft gevoerd in de derdenverzetprocedure. Zij betoogt dat de rechtbank dit verweer in die procedure heeft afgewezen, dat het hof het vonnis van de rechtbank op dit punt heeft bekrachtigd en dat deze beslissing daarmee onherroepelijk is geworden. Volgens [geïntimeerde] kan de grief daarom niet slagen. Dit betoog volgt het hof echter niet. Juist is dat de rechtbank in het vonnis van 9 september 2015 heeft overwogen dat ingevolge artikel 3:324 lid 1 BW de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart door verloop van 20 jaar na aanvang van de dag volgend op die van de uitspraak en dat, aangezien nog geen 20 jaar zijn verstreken na de uitspraken waarbij de gebruiksvergoeding en kinderalimentatie zijn bepaald, van verjaring geen sprake is. Onjuist is echter dat het hof dit oordeel heeft bekrachtigd. Het hof heeft in het arrest van 18 juli 2017 overwogen dat [appellant 2] niet kan worden ontvangen in zijn vorderingen en dat geen sprake is van subrogatie door TTE in het oorspronkelijke hypotheekrecht van Rabobank, waardoor de vorderingen van TTE niet kunnen worden toegewezen. Zoals het hof overwoog, bracht dit met zich dat de grief van [appellant 2] tegen de verwerping van het beroep op verjaring geen behandeling behoefde. Over die kwestie heeft het hof dus niet geoordeeld, zodat de beslissing van de rechtbank daarover geen kracht van gewijsde heeft gekregen; zij draagt de beslissing in het uiteindelijke dictum immers niet. Dit betekent dat deze beslissing geen bindende kracht heeft tussen partijen in de onderhavige procedure (artikel 236 Rv).

5.13

[geïntimeerde] heeft in haar memorie van antwoord geen ander verweer op dit punt gevoerd. Tijdens het pleidooi heeft zij nog wel aangevoerd (a) dat [appellant 2] het beroep op verjaring onvoldoende heeft onderbouwd, (b) dat de verjaring is gestuit door het gelegde executoriale beslag en dat deze stuiting voortduurt zodat van verjaring geen sprake meer kan zijn en (c) dat het gelet op de opstelling van [appellant 2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij zich op verjaring beroept. De in artikel 347 Rv besloten liggende twee-conclusieregel brengt echter mee dat het hof in beginsel geen acht mag slaan op stellingen of verweren die in een later stadium dan de memories van grieven en antwoord zijn aangevoerd. Dat geldt hier voor het beroep op stuiting van de verjaring en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, welk beroep [geïntimeerde] pas bij pleidooi in hoger beroep heeft gedaan. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die een uitzondering op voormelde regel rechtvaardigen. De onder (b) en (c) genoemde (tegen)verweren moet het hof dan ook - nu zij te laat zijn aangevoerd - buiten beschouwing laten.

5.14

Gelet hierop dient het hof slechts te beoordelen of het verjaringsverweer van [appellant 2] slaagt op basis van hetgeen hij daaraan ten grondslag heeft gelegd, in het licht van de feiten die partijen op dit punt naar voren hebben gebracht. Daartoe overweegt het hof het volgende.

5.15

Artikel 3:324 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart door verloop van 20 jaren na aanvang van de dag volgend op die van de uitspraak. Volgens artikel 3:324 lid 3 BW bedraagt de verjaringstermijn vijf jaren voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald. Deze kortere termijn geldt voor de onderhavige verplichtingen tot betaling van een gebruiksvergoeding en kinderalimentatie. In het vonnis van 13 oktober 2004 is [appellant 2] immers veroordeeld om als vergoeding voor het gebruik van de woning een enkelvoudige rente te betalen van 4% per jaar over € 40.302,74 vanaf 23 juli 1998. Het gaat daarbij dus om een te betalen vergoeding per jaar. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007 is deze vergoeding verschuldigd tot 13 oktober 2004.
In de beschikking van 14 maart 2006 is bepaald dat [appellant 2] met ingang van 1 augustus 2005 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen een bedrag van € 252,50 per maand per kind aan [geïntimeerde] zal betalen. Deze bijdrage diende dus maandelijks (en aldus bij kortere termijn dan een jaar) te worden betaald. Niet in geschil is verder dat de alimentatieplicht is geëindigd met het meerderjarig worden van de kinderen op respectievelijk 21 oktober 2007 en 1 oktober 2013.

5.16

De vraag is vervolgens wanneer de verjaringstermijn is aangevangen. Van belang is daarbij het bepaalde in artikel 3:324 lid 2 BW dat, als voordat de verjaring is voltooid door een van partijen ter aantasting van de ten uitvoer te leggen veroordeling een rechtsmiddel wordt ingesteld, de termijn eerst begint met aanvang van de dag volgend op die waarop het geding daarover is geëindigd. Het geding over de door [appellant 2] te betalen gebruiksvergoeding is geëindigd met het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2007, zodat de verjaringstermijn de dag daarna is gaan lopen wat betreft deze verplichting. Het geding over de kinderalimentatie is geëindigd met de beschikking van het hof van 5 december 2006, zodat de verjaring wat dit betreft de dag daarna is begonnen voor de vervallen termijnen.

5.17

Uit de gedingstukken blijkt dat [geïntimeerde] op 12 november 2004 het vonnis van 13 oktober 2004 aan [appellant 2] heeft laten betekenen, met bevel tot betaling van de vastgestelde overbedelingssom en gebruiksvergoeding, en vervolgens op 7 december 2004 executoriaal beslag voor deze vorderingen heeft laten leggen op de onverdeelde helft van [appellant 2] in de woning. Dit beslag is op 10 december 2004 aan [appellant 2] betekend. Voor deze vorderingen is bij exploot van 22 december 2014 een hernieuwd bevel tot betaling aan [appellant 2] gedaan, waarna op 30 december 2014 opnieuw executoriaal beslag is gelegd.
Op 28 augustus 2008 heeft [geïntimeerde] executoriaal beslag doen leggen voor haar alimentatievordering, welk beslag op 29 augustus 2008 aan [appellant 2] is betekend. Bij exploot van 5 januari 2015 heeft zij een hernieuwd bevel tot betaling aan [appellant 2] gedaan en op 8 januari 2015 heeft zij opnieuw executoriaal beslag voor deze vordering laten leggen. Aan deze executiehandelingen zijn, naar verder niet is betwist, de brief van de notaris van 24 april 2014 en de aanzegging van de executie en de openbare verkoop van de woning op 15 mei 2014 voorafgegaan. Gesteld noch gebleken is dat tussen 2008 en 2014 andere stuitingshandelingen zijn verricht. Dit betekent dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het vonnis van 13 oktober 2004 en de beschikking van 14 maart 2006 is verjaard, voor zover het gaat om de bedragen die ingevolge deze uitspraken vóór 24 april 2009 moesten worden betaald.

5.18

Voor de goede orde merkt het hof daarbij nog op dat de eerdere executiehandelingen (in 2004 en 2008) niet tot gevolg hebben dat de verjaring blijvend is gestuit. Indien een op grond van artikel 3:324 BW lopende verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak wordt gestuit op een van de wijzen voorzien in artikel 3:325 lid 2 BW, begint op grond van artikel 3:325 lid 1 jo. artikel 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn te lopen die in beginsel gelijk is aan de oorspronkelijke termijn (dat wil zeggen de termijn van artikel 3:324 lid 1 dan wel lid 3 BW), doch niet langer dan vijf jaren (zie HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2222). Anders dan bij artikel 3:316 lid 1 BW is hierbij dus geen sprake van een voortdurende stuiting. Dit betekent dat in het onderhavige geval hooguit in 2008 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. Er was dus een nieuwe stuitingshandeling nodig om de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de betreffende rechterlijke uitspraken af te breken.

5.19

[geïntimeerde] heeft niet betwist dat, uitgaande van het vorenstaande, de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging ten aanzien van de kinderalimentatie en de wettelijke rente daarover is verjaard tot een bedrag van € 23.885,09 en dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging ten aanzien van de gebruiksvergoeding (€ 10.039,25) en de wettelijke rente daarover (€ 3.334,43) in zijn geheel is verjaard, zodat het hof daarvan uitgaat. Dit betekent dat op de vordering waarvoor de rechtbank [geïntimeerde] tot de rangregeling heeft toegelaten het bedrag van in totaal € 37.258,77 in mindering moet worden gebracht. Grief II slaagt dus.

5.20

[appellant 2] heeft geen feiten gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan zijn bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij. Het hof ziet verder geen reden om [appellant 2] gelegenheid te geven bij akte de correspondentie over het vóór de openbare verkoop van de woning door hem gedane aanbod in het geding te brengen, zoals hij aan het slot van het pleidooi heeft verzocht, omdat de informatie hierover niet van belang is voor enige te nemen beslissing in deze zaak.

6 De slotsom

6.1

Het hoger beroep van TTE zal worden verworpen. Het beroep van [appellant 2] slaagt gedeeltelijk. De vordering van [geïntimeerde] zal tot een lager bedrag worden toegewezen. Bij deze uitkomst geldt nog steeds dat [geïntimeerde] deze renvooiprocedure heeft moeten voeren om haar vordering met het oog op de rangregeling vastgesteld te krijgen en dat [appellant 2] ten aanzien van hetgeen in eerste aanleg voorlag overwegend in het ongelijk wordt gesteld. De door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling blijft daarom in stand.

6.2

Nu partijen ten aanzien van hetgeen in hoger beroep nog aan de orde is over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren zoals hierna vermeld.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep van TTE;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 16 mei 2018, voor zover daarbij voor recht is verklaard dat de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellant 2] in totaal € 132.250,36 bedragen, te vermeerderen met wettelijke rente, en [geïntimeerde] voor dit bedrag met rente is toegelaten tot de rangregeling (dictum onder 3.1 en 3.2) en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart voor recht dat de vorderingen van [geïntimeerde] op [appellant 2] in totaal € 94,991,59 bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 19 februari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en laat [geïntimeerde] voor dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente toe tot de rangregeling;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 16 mei 2018 voor het overige;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, M.H.F. van Vugt en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2019.