Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:491

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
200.207.094/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6:179 BW. Ruiterongeval. Pony weigert vóór laatste element van dubbelsprong. Ruiter valt voorover, met letsel als gevolg. Naar het oordeel van het hof valt deze situatie – anders dan de rechtbank oordeelde – wel onder het bereik van de risico-aansprakelijkheid van artikel 6:179 BW. De weigering is een uiting van de eigen energie van de pony.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0107
JA 2019/38 met annotatie van Roest, J.H.C. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.094/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/152819

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. J.I. van der Winden, kantoorhoudend te Laren,

tegen

1 V.O.F. Manege de Hjouwer,

gevestigd te Haskerhorne,

hierna: de manege,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [B] ,

hierna: [geïntimeerde3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: de manege c.s.,

advocaat: mr. I.K. Verhoeks, kantoorhoudend te Amersfoort.


Het hof neemt het tussenarrest van 1 mei 2018 hier over.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft op 11 december 2018 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van deze comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.2

Aan het slot van de comparitie heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

[geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] zijn vennoten van de manege.

2.3

[appellante] , geboren [in] 1993, is begonnen met paardrijden toen zij zeven jaar oud was. Zij heeft een eigen pony gehad. In haar middelbare schooltijd heeft zij enkele jaren niet gereden, maar in januari 2011 is zij ingeschreven voor groepslessen bij de manege. De manege heeft haar ingedeeld in de gevorderden groep.

2.4

Op 4 januari 2012 is [appellante] tijdens een groepsles (van 6 à 7 amazones) een ongeval overkomen. [appellante] reed die dag op de aan de manege toebehorende pony [C] , een pony waar zij eerder op had gereden. [C] is een zogenaamde E-pony, een grote pony met een schofthoogte van 1.56 meter (bij dieren vanaf een schofthoogte van 1.58 meter is geen sprake meer van een pony maar van een paard). De les stond onder leiding van de vaste en tot het geven van les bevoegde instructrice [D] (hierna: [D] ). De les begon met oefeningen in stap, draf en galop. Aan het einde van de les werd, zoals gebruikelijk om de twee à drie weken, gesprongen over een parcours bestaande uit vier of vijf hindernissen. De laatste hindernis was een zogenaamde dubbelsprong, twee op korte afstand (6 tot 8 meter, is tijdens de comparitie in hoger beroep gebleken) van elkaar geplaatste hindernissen die bij elkaar horen, waarbij het paard na de eerste hindernis vrijwel direct de volgende hindernis moet nemen. De moeilijkheidsgraad van het parcours werd geleidelijk opgebouwd, waarbij [appellante] met [C] de hindernissen zonder problemen nam. Op enig moment weigerde [C] de tweede hindernis van de dubbelsprong te nemen. [appellante] is hierdoor voorover van [C] gevallen en kwam met haar hoofd op de tweede hindernis terecht. Zij droeg ten tijde van het ongeval een cap voorzien van het veiligheidskeurmerk.

2.5

[appellante] was na het ongeval duizelig en ze had een bloedneus. Haar vader heeft haar naar een huisarts gebracht. [appellante] is in maart 2012 gezien door een neuroloog en in juni 2012 doorverwezen naar een revalidatiearts. Zij staat nog steeds onder medische behandeling. Aan haar is per 11 december 2013 een Wajong-uitkering toegekend.

2.6

Op 19 januari 2012 hebben [D] en [geïntimeerde2] namens de manege een ongevallenregistratieformulier ingevuld. Zij hebben het ongeval als volgt omschreven:
Van het paard gevallen bij het springen. Tegen de hindernis aan. Tijdens het springen van een dubbelsprong ondersteunde de ruiter het paard niet en liet de teugels losser en gaf geen been dus stopte het paard.

Bij de vraag naar factoren die mogelijk hebben bijgedragen aan de blessure hebben [D] en [geïntimeerde2] het vakje voor “slechte communicatie ruiter-paard” aangekruist.

2.7

De toenmalige rechtsbijstandverlener van [appellante] heeft de manege in een brief van 6 juni 2013 aansprakelijk gesteld voor de door [appellante] geleden en nog te lijden schade. Nadat de aansprakelijkheidsverzekeraar van de manege, ASR, een toedrachtsonderzoek had laten verrichten, heeft zij in een brief van 17 juni 2014 de aansprakelijkheid van de manege van de hand gewezen.

2.8

ASR en haar raadsvrouw hebben de andere deelnemers aan de groepsles enkele malen verzocht vragen over het ongeval te beantwoorden. Slechts één van hen, [E] , heeft een inhoudelijke reactie gegeven. In reactie op een brief van 6 september 2016 heeft zij de vraag naar de omschrijving van de toedracht van het ongeval als volgt beantwoord:
[C] kwam in galop op de sprong af, maar weigerde op het laatste moment waardoor [appellante] voor over er af viel”.
[E] schrijft verder dat zij en de anderen van de groep ten tijde van het ongeval in het midden van de bak stonden en dat ten tijde van het ongeval misschien wel wat gepraat werd, maar dat geen harde geluiden werden gemaakt.

2.9

Op 2 juni 2014 heeft [D] ten overstaan van mr. Zwijnepoel van Assuraad Advocaten, ingeschakeld door ASR, een op schrift vastgelegde en door haar ondertekende verklaring afgelegd, In deze verklaring is onder meer het volgende vermeld:
Ten tijde van het ongeval van [appellante] stond ik op een afstand van 3 tot 4 meter van de tweede hindernis. De eerste hindernis nam [C] goed, maar voor de tweede hindernis weigerde zij. Nadat [appellante] met [C] de eerste hindernis had genomen, ging het tempo wat terug. De pony ging wat langzamer lopen en op dat moment had [appellante] meer ‘been’ moeten geven. Tevens waren de teugels teveel gevierd. Als dat gebeurt, dan krijgt de pony de vrijheid om bijvoorbeeld naar links of naar rechts te gaan en niet rechtdoor te gaan. De pony moet niet de kans krijgen om langs de hindernis te kunnen.


Nadat [appellante] met [C] over de eerste hindernis was gesprongen kwam [C] uit galop. Ik zag, zoals ik al eerder aangaf, dat de pony langzamer ging lopen en heb gezegd, staande naast de hindernis, dat [appellante] meer ‘been’ moest geven. Dit heeft [appellante] niet voldoende of te laat gedaan. Nadat [C] reeds wat langzamer was gaan lopen, is de pony gestopt. Volgens mij schoof [appellante] toen links naast de pony en is zij gevallen. Ten tijde van het ongeval droeg [appellante] haar cap en laarzen. Ze droeg geen bodykorset. Na de val is zij meteen weer opgestaan. [appellante] had een bloedneus en een schrammetje op de neus.

(…)
Mijn algemene instructies bij het springen zijn om tempo te houden en te blijven sturen tot na de hindernis. Ook tijdens de les geef ik - zoals in dit geval - instructies aan amazones.
(…)
Volgens mij ging alles wel goed tot het moment van het ongeval en waren de hindernissen aangepast aan de pony’s. Er werd niet hoger gesprongen dan maximaal 70 cm. Voor zover ik mij kan herinneren kwamen de pony’s goed uit en waren er geen weigeringen.

[C] is een goed, braaf en trouw paard. Zij luistert goed naar de ruiter.

Hetgeen hier is gebeurd, zie ik als een ruitersfout. [appellante] had meer ‘been’ moeten geven en beter met de teugels moeten sturen.

Andere ongevallen met [C] zijn mij niet bekend.

3 De vordering en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellante] heeft een verzoekschrift in een deelgeschil tegen de manege c.s. ingediend bij de rechtbank. Zij heeft de rechtbank, voor zover van belang, verzocht te bepalen dat de manege c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het haar op 4 januari 2012 overkomen ongeval en om het percentage van de aansprakelijkheid te bepalen. Volgens [appellante] c.s. is het ongeval het gevolg van de eigen energie van [C] , zodat artikel 6:179 BW van toepassing is.

3.2

Nadat de manege c.s. verweer hadden gevoerd en de mondelinge behandeling van het verzoek had plaatsgevonden, heeft de rechtbank bij beschikking van 19 oktober 2016 het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 6:179 BW toepassing mist, omdat het ongeval niet is veroorzaakt door het onberekenbare element dat in de eigen energie van [C] ligt opgesloten, maar door een te verwachten gedraging van [C] veroorzaakt door onvoldoende aansturing. [C] fungeerde ten tijde van het nemen van de hindernis als het ware als het instrument van [appellante] , aldus de rechtbank.

3.3

[appellante] heeft de manege c.s. vervolgens gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank de manege c.s., veroordeelt tot vergoeding van de schade die voortvloeit uit het ongeval van

4 januari 2012, nader op te maken en te vereffenen bij staat. Zij heeft de rechtbank verzocht haar verlof te verlenen om hoger beroep in te stellen tegen de deelbeschikking van

19 oktober 2016. De rechtbank heeft dit verlof bij rolbeslissing van 22 februari 2017 verleend.

4 De bespreking van de grieven

4.1

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven voorop dat het geschil in dit hoger beroep beperkt is tot de vraag of het ongeval onder het bereik van artikel 6:179 BW valt. Andere geschilpunten tussen partijen, zoals over de eventuele eigen schuld van [appellante] , het percentage van de eigen schuld, de aard en omvang van de gezondheidsklachten van [appellante] , het causaal verband tussen die klachten en het ongeval en de omvang van de schade, moeten in deze procedure in hoger beroep onbesproken blijven. Indien het hof, anders dan de rechtbank in het deelgeschil, van oordeel is dat het ongeval onder het bereik van artikel 6:179 BW valt, dienen deze geschilpunten in de bodemprocedure bij de rechtbank verder uitgewerkt te worden, waarna de rechtbank erover kan beslissen.

4.2

Met grief 1 komt [appellante] op tegen de vaststelling van de feiten in de deelgeschilbeschikking. Daargelaten dat het hof de feiten hiervoor al zelfstandig heeft vastgesteld, miskent [appellante] met de grief dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt. De grief faalt dan ook.

4.3

In grief 2 stelt [appellante] de kernvraag van dit hoger beroep aan de orde, of het ongeval onder het bereik van artikel 6:179 BW valt of niet. Zij beantwoordt die vraag, anders dan de manege c.s. en de rechtbank bevestigend.

4.4

Het hof stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat zowel de grondslag als de begrenzing van de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:179 BW ligt in het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten. Uit deze grondslag volgt dat artikel 6:179 BW toepassing mist zolang het dier optreedt overeenkomstig wat de begeleider (of de berijder) van hem verlangt. In zijn arrest van 23 februari 1990 (NJ 1990, 365) overwoog de Hoge Raad in dit verband:
Dit brengt mee dat voor toepassing van het artikel nodig is dat de schade veroorzaakt is door een eigen gedraging van het dier, waarbij het dier dus niet ‘als instrument handelt van de persoon, die hem berijdt of leidt’(Toelichting-Meijers op art. 6030208 NBW). Zolang het dier optreedt overeenkomstig hetgeen de begeleider van hem verlangt, mist art. 1404 toepassing.
In zijn conclusie voor dit arrest wijst AG Asser, in overeenstemming met de op dat moment heersende lijn in de literatuur over de risicoaansprakelijkheid voor dieren, erop dat een dier ook als het wordt bereden of geleid gedrag kan vertonen waarop degene die hem berijdt of leidt geen invloed heeft. Ook zo’n geval, waarin deze persoon het dier niet meer geheel in zijn macht heeft, valt onder de risicoaansprakelijkheid voor dieren.

4.5

Uit wat hiervoor is overwogen volgt, dat het enkele feit dat een dier op het moment dat de schade werd veroorzaakt onder toezicht of bewaring stond, niet betekent dat daarom geen sprake kan zijn van onberekenbaar gedrag van het dier, waardoor artikel 6:179 BW niet van toepassing zou zijn. Ook een paard dat wordt bereden kan plots een onverwachte manoeuvre maken waardoor schade ontstaat, waarvoor de bezitter van het paard aansprakelijk kan zijn. Dergelijk onberekenbaar gedrag van dieren rechtvaardigt juist de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:179 BW. Het is de vraag waar de grens ligt tussen onberekenbaar gedrag en fungeren als instrument. Zolang het dier optreedt overeenkomstig hetgeen de berijder of begeleider van hem verlangt mist artikel 6:179 BW toepassing. Storend gedrag van het dier dat niet direct is ingegeven door een mens valt daarentegen wel binnen het bereik van artikel 6:179 BW.

4.6

In dit geval staat vast dat [appellante] de pony [C] instrueerde om een dubbelsprong te maken, dat [C] de eerste hindernis van de dubbelsprong heeft genomen en tussen de eerste en de tweede hindernis, vlak vóór de tweede hindernis ( [appellante] viel immers tegen de tweede hindernis aan) stopte. Het hof vindt het voldoende aannemelijk dat [C] plotseling is gestopt. Dat volgt uit de hiervoor aangehaalde schriftelijke verklaring van [E] , die het heeft over een weigering “op het laatste moment” nadat de pony eerst in galop was, uit de aard van het ongeval (een ervaren amazone die voorover valt) en uit de plaats van het ongeval, te weten in de tussenruimte tussen twee hindernissen die op enkele meters afstand van elkaar staan, dus op een afstand die door een paard/pony die net over de eerste hindernis is gesprongen in een mum van tijd is overbrugd. De afstand is te kort om van galop (toen [C] de eerste hindernis nam, deed zij dat vanuit galop, omdat ze de hindernis anders niet had kunnen nemen), in draf over te gaan en vervolgens (geleidelijk) tot stilstand te komen.
In haar verklaring geeft [D] aan dat [C] tussen de beide hindernissen van de dubbelsprong eerst uit galop kwam, toen langzamer ging lopen en pas toen stopte. In die periode, waarin [C] op deze wijze de afstand van enkele meters tussen beide hindernissen zou hebben overbrugd, zou [D] ook nog de gelegenheid hebben gehad [appellante] te instrueren meer ‘been’ te geven. Het hof vindt de verklaring van [D] op dit punt gelet op de korte afstand tussen de beide hindernissen niet geloofwaardig. Te meer niet nu ter comparitie is komen vast te staan dat de afstand tussen de hindernissen in één hooguit twee galopsprongen wordt overbrugd.

4.7

Gesteld noch gebleken is dat [appellante] [C] de instructie heeft gegeven om abrupt te stoppen voor de tweede hindernis. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat [appellante] [C] nu juist geleid had naar een dubbelsprong, waarvan de tweede hindernis deel uitmaakte. Ook indien, zoals de manege c.s. hebben gesteld maar [appellante] heeft betwist, [appellante] onvoldoende of geen ‘been’ heeft gegeven en/of de teugels te veel heeft laten vieren, betekent dat nog niet - de manege c.s. hebben dat trouwens ook niet zo gesteld - dat zij daarmee de instructie heeft gegeven om onverhoeds vóór de tweede hindernis te stoppen. Zij heeft dan hooguit geen instructie gegeven, daardoor meer ruimte gevend voor de eigen energie van [C] . Dat het voor [C] onmogelijk was om (het tweede element van) de dubbelsprong te halen en dat de instructie om de dubbelsprong te nemen om die reden een foutieve instructie was, waardoor te verwachten viel dat [C] (als rechtstreeks gevolg van de foutieve instructie en niet uit onberekenbaarheid vanwege de eigen energie) zou struikelen of zou weigeren, is gesteld noch gebleken. Integendeel, uit de verklaring van [D] volgt juist dat de pony’s, waaronder [C] , de hindernissen goed aankonden.

4.8

De slotsom is dat het plotseling stoppen van [C] vóór de tweede hindernis van de dubbelsprong niet, en zeker niet alleen, is ingegeven door een (foutieve) instructie van [appellante] , maar door storend gedrag van [C] , dat inherent is aan de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten. [C] trad door plotseling te stoppen, aansluitend bij de woorden van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad, niet op overeenkomstig wat [appellante] als haar berijder van haar verlangde. Het ongeval valt daarmee onder het bereik van de in artikel 6:179 BW neergelegde risicoaansprakelijkheid.

4.9

De grief slaagt alleen om deze reden al. Wat [appellante] verder nog heeft aangevoerd over onder meer het karakter van [C] en haar bekendheid met [C] is niet van belang in het bestek van het aan het hof gevraagde oordeel over de toepasselijkheid van artikel 6:179 BW. De beschouwingen van partijen over diverse uitspraken van feitenrechters, waarbij beide partijen wel uitspraken hebben weten te vinden die hun standpunt ondersteunen, kunnen onbesproken blijven. In wat het hof over de reikwijdte van artikel 6:179 BW heeft vooropgesteld, heeft het ook de aangehaalde en andere uitspraken van feitenrechters voor zover van belang betrokken.

4.10

Het hof zal de bestreden uitspraak vernietigen en de zaak terugverwijzen naar de rechtbank voor verdere behandeling. De manege c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief II). Voor een veroordeling van de manege c.s. in de “proceskosten in eerste aanleg” (bedoeld zal zijn het deelgeschil) bestaat geen grond, omdat de kosten van deze procedure al overeenkomstig artikel 1019z Rv zijn begroot.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beschikking in het deelgeschil van 19 oktober 2016, behoudens voor wat betreft de begroting van de kosten;

veroordeelt de manege c.s. in de proceskosten van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten voor zover tot nu toe aan de zijde van [appellante] gevallen op € 410,31 aan verschotten (griffierecht en explootkosten) en op € 2.148,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verwijst de zaak naar de rechtbank ter verdere behandeling met inachtneming van wat het hof in dit arrest heeft overwogen.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. K.M. Makkinga en mr. B.J.H. Hofstee en is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.