Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:485

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
24-01-2019
Zaaknummer
200.177.154/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de kantonrechter acht het hof appellant geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat hij een geldbedrag heeft uitgeleend. De vordering tot terugbetaling wordt daarom toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.177.154/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 3154356)

arrest van 22 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M. Raaijmakers, kantoorhoudend te Hoofddorp, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.S. Bissumbhar, kantoorhoudend te Almere, namens wie mr. T.A.M. Drubbel heeft gepleit.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 oktober 2014 en 17 juni 2015 die de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter), heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 september 2015,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord, met producties,

- de pleidooien, waarbij [appellant] pleitnotities heeft overgelegd. Hierbij is akte verleend van de nadere producties - waaronder een bankafschrift aangaande juni 2013 - die bij berichten van 14 en 19 december 2018 door mr. Raaijmakers namens [appellant] zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op de door partijen voorafgaand aan de pleidooien toegezonden dossiers.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - samengevat - de vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 17 juni 2015 en opnieuw rechtdoende de toewijzing van zijn vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het vonnis van 8 oktober 2014 nu daartegen geen grief is gericht of anderszins een bezwaar is gemaakt. Aangevuld met andere feiten komen deze op het volgende neer.

3.2

Partijen hebben op 26 juni 2013 een document ondertekend getiteld "Leenovereenkomst" (verder te noemen: leenovereenkomst). In deze Leenovereenkomst staat:

“Wordt overeenkomst wat volgt:

Leninggever leent aan de leningnemer, die aanvaardt, een bedrag van € 1500,00 (en voluitgeschreven) vijftienhonderd Euro.

De leninggever heeft het recht om de terugbetaling van de lening terug te vorderen op de volgende datum 26-11-2013. (datum is handgeschreven, hof)

(…)

Het aflossen en/ of terugbetalen van de lening zal leningnemer kontant terug betalen aan leninggever.

(…)”

3.3

Mw. [C] (hierna: [C] ) heeft op 26 juni 2013 een bedrag van € 300,- overgemaakt vanaf een door haar bij de ABN AMRO Bank aangehouden bankrekening met nummer [00000] op een door [geïntimeerde] aangehouden bankrekening onder vermelding van “je weet wel”.

3.4

In een bankafschrift van genoemde bankrekening is tevens vermeld dat op

25 juni 2013 via een geldautomaat aan het Marktplein te Hoofddorp een bedrag van € 950,- is gepind en dat op 26 juni 2013 (om 12.34 uur) via een geldautomaat van de Rabobank in de regio Schiphol een bedrag van € 250,- is gepind.

3.5

De gemachtigde van [appellant] heeft op 1 mei 2014 een brief gestuurd aan [geïntimeerde] waarin [geïntimeerde] wordt gesommeerd een bedrag van € 1.500,- per ommegaande te voldoen, onder aanzegging van rente en incassokosten.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 1.500,- aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente, een tot

10 juni 2014 berekend bedrag van € 23,42 daaronder begrepen, en met € 600,- aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, onder veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 17 juni 2015 de vordering van [appellant] afgewezen. Daartoe is - samengevat - overwogen dat na bewijslevering niet is gebleken dat [appellant] enig bedrag aan [geïntimeerde] heeft verstrekt in het kader van de leenovereenkomst van partijen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] is met één grief tegen het vonnis van 17 juni 2015 opgekomen, daartoe stellend dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat gesteld noch gebleken is dat het door [C] aan [geïntimeerde] verstrekte geld op grond van de leenovereenkomst aan [appellant] kon worden terugbetaald en voorts ten onrechte heeft overwogen dat niet gebleken is dat [appellant] enig bedrag aan [geïntimeerde] heeft verstrekt. Ter toelichting op zijn grief heeft [appellant] samengevat aangevoerd dat de leenovereenkomst van 26 juni 2013 de vastlegging is van de verstrekking van het daarin genoemde bedrag van € 1.500,-. Dat bedrag is, naar hij stelt, aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld in de vorm van een bancaire overboeking via de door [C] aangehouden bankrekening van € 300,- op 26 juni 2013 en in de vorm van de overhandiging van een bedrag van € 1.200,- in contanten op diezelfde dag.

5.2

[appellant] is - terecht - niet opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter dat het, gelet op de betwisting van een en ander door [geïntimeerde] , op grond van artikel 150 Rv aan [appellant] is om te bewijzen dat hij op 26 juni 2013 - onder de leenovereenkomst - een bedrag van € 1.500,- aan [geïntimeerde] heeft verstrekt. [appellant] is het niet eens met de waardering van het daarop bijgebrachte bewijs door de kantonrechter en de uitkomst daarvan en daar ziet zijn grief op.

5.3

[appellant] heeft in hoger beroep zijn bewijsaanbod uitdrukkelijk herhaald. In dat verband heeft [appellant] aangeboden te horen zichzelf, [C] en zijn (toenmalige) lifecoach [D] , van welke laatste persoon hij - in de vorm van een e-mail - al een schriftelijke verklaring heeft overgelegd. Aan dit aanbod gaat het hof voorbij. In eerste aanleg zijn aan de zijde van [appellant] al getuigen gehoord, te weten [C] en [appellant] zelf. [appellant] heeft niet gemotiveerd aangevoerd wat [C] en hijzelf nog meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan, evenmin aangevoerd wat de te horen getuige [D] die hem al een schriftelijke verklaring heeft verschaft nog meer of anders kan verklaren dan hij al heeft gedaan, en heeft verder niet benoemd wie nog meer als getuigen gehoord zouden kunnen worden. Daarmee is het aanbod te vaag

(zie HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7677). Aan het in algemene bewoordingen vervatte aanbod tot (tegen)bewijs van [geïntimeerde] in hoger beroep, gaat het hof eveneens voorbij nu [geïntimeerde] daarvoor onvoldoende heeft gesteld.

5.4

Een en ander betekent dat het hof op basis van het al bijgebrachte bewijs zal hebben te onderzoeken of [appellant] in de aan hem verstrekte bewijsopdracht is geslaagd. Het hof zal daarbij betrekken het door [appellant] in hoger beroep overgelegde nadere bewijs, te weten het bankafschrift als bedoeld onder 3.4.

5.5

Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6:30 BW een verbintenis uit een overeenkomst (zoals een verplichting tot het ter beschikking stellen van een geldbedrag uit een leenovereenkomst) door een ander dan de schuldenaar (dat is de leninggever) kan worden nagekomen, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen. Een dergelijke nakoming door de derde bevrijdt de schuldenaar en doet niets af aan de overeengekomen verplichtingen van de leningnemer aan de leninggever.

5.6

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de bewijskracht van de verklaring van [appellant] beperkt is door het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv, omdat [appellant] moet worden aangemerkt als partij-getuige. Dit betekent dat aan zijn verklaring slechts bewijs ten zijnen voordele wordt ontleend indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken.

5.7

Wat betreft het bedrag van € 300,- geldt dat die overboeking aan [geïntimeerde] blijkt uit een bankafschrift. Zowel [appellant] als [C] hebben als getuige verklaard dat die overboeking door [C] is gedaan ten behoeve van [appellant] én de tussen hem en [geïntimeerde] gesloten leenovereenkomst, en dat [geïntimeerde] met een verstrekking via een overboeking akkoord is gegaan. [geïntimeerde] heeft de ontvangst van dat bedrag op zijn bankrekening ook toegegeven, terwijl vaststaat dat hij op diezelfde datum de leenovereenkomst heeft ondertekend. In zijn antwoordconclusie na enquête in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] voorts erkend dat hij een bedrag van € 300,- aan [appellant] is verschuldigd. In datzelfde stuk heeft [geïntimeerde] uiteengezet dat [appellant] en [C] voor hem een stel waren en dat het voor hem om het even was of hij aan [appellant] of aan [C] zou terugbetalen. [geïntimeerde] heeft in de stukken ook niet aangevoerd om welke andere reden dan de leenovereenkomst van 26 juni 2013 [C] aan hem een bedrag van € 300,- heeft overgemaakt. Bij de pleidooien heeft [geïntimeerde] nog wel verklaard dat hij vreest dat [C] zich op enig moment op het standpunt zal stellen dat zij - en niet [appellant] - hem dat bedrag heeft uitgeleend, maar die veronderstelling is door hem verder niet onderbouwd.

5.8

Gelet op een en ander en gezien wat hiervoor onder 5.4 is overwogen, is voldoende aannemelijk geworden dat het bedrag van € 300,- is verstrekt onder de leenovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] .

5.9

Wat betreft het bedrag van € 1.200,- geldt het volgende.

5.10

De verklaring van [C] komt in essentie op het volgende neer: omdat [appellant] wilde investeren in het door [geïntimeerde] op te zetten parkeerbedrijfje is aan [geïntimeerde] , naast een via de bank overgemaakt bedrag van € 300,-, op 26 juni 2013 een bedrag in contanten van € 1.200,- verstrekt. De bedragen zijn afkomstig van een door [C] ten behoeve van [appellant] aangehouden bankrekening, om welke reden [C] een bedrag heeft overgemaakt onderscheidenlijk heeft gepind, aldus [C] .

5.11

De verklaring van [C] wordt ondersteund door een bankafschrift waarin is vermeld dat op 25 juni 2013 € 950,- en op 26 juni 2013 € 250,- is gepind, samen een bedrag van € 1.200,-.

5.12

Verdere bevestiging voor de verstrekking van € 1.200,- aan [geïntimeerde] kan blijken uit de leenovereenkomst van 26 juni 2013. Onomstreden is dat [geïntimeerde] dat stuk heeft opgesteld en ook heeft ondertekend. De stuk bevat weliswaar niet een expliciete verklaring dat [geïntimeerde] het daarin genoemde bedrag van € 1.500,- (al) heeft ontvangen maar geeft evenmin houvast voor de veronderstelling dat het bedrag op een bepaalde wijze op een later moment, al dan niet op afroep, ter beschikking zal worden gesteld. De actieve vorm waarin is geschreven ‘leninggever leent aan leningnemer, die aanvaardt, een bedrag van € 1500,00’ wijst er veeleer op dat ondertekening van de overeenkomst én overhandiging/terbeschikkingstelling van het daarin genoemde bedrag in (min of meer) hetzelfde moment vallen. Een verdere aanwijzing dat het lenen tussen partijen in contanten zou gaan, vormt niet alleen de bepaling in de leenovereenkomst dat leningnemer (d.i. [geïntimeerde] ) de lening contant aan leninggever (d.i. [appellant] ) zou terugbetalen, maar ook de suggestie van [geïntimeerde] zelf, verwoord bij zijn antwoordconclusie na enquête in eerste aanleg, dat [appellant] daar belang bij had om redenen van zijn uitkering.

5.13

Verdere ondersteuning voor de stelling dat € 1.200,- aan [geïntimeerde] is verstrekt, kan worden gevonden in de door [appellant] overgelegde, inhoudelijk niet door [geïntimeerde] bestreden transcriptie van een telefoongesprek tussen beiden, van kennelijk 15 december 2013. Uit die transscriptie blijkt, zo erkent [geïntimeerde] ook, dat [geïntimeerde] meermalen aan [appellant] terugbetaling toezegt. Uit dat stuk blijkt echter ook dat door [geïntimeerde] daarbij uitdrukkelijk is gerefereerd aan de leenovereenkomst (‘Maar hoezo zou je mij niet vertrouwen. Ik heb een contract bij jou getekend.’). Voorts blijkt dat [appellant] tegen [geïntimeerde] zegt dat hij het geld ‘de 26 ste november inderdaad zou krijgen’, welke datum wordt genoemd als terugbetalingsdatum in de leenovereenkomst, en dat het nu veel verder is, waarna [geïntimeerde] reageert met ‘Nou weet je ik ga zorgen dat je het deze week terug krijgt ja’. Zowel [appellant] als [geïntimeerde] spreken daarbij dus over de leenovereenkomst, die op € 1.500,- ziet, en het citaat laat zien dat [appellant] [geïntimeerde] aanspreekt op de daarin genoemde datum van terugbetaling. Op geen enkele wijze blijkt uit de transscriptie dat daarbij gedoeld wordt op een ander bedrag dan het in de leenovereenkomst genoemde bedrag van € 1.500,-. Ook volgt uit de transscriptie dat [geïntimeerde] alsnog in twee termijnen wil terugbetalen omdat hij dat uit zijn maandelijks salaris moet doen, wat eerder past bij een terug te betalen bedrag van € 1.500,- dan bij € 300,-.

Ook het antwoord van [geïntimeerde] op 30 januari 2014 “Ik ga mijn best doen!!!” op de vraag van [appellant] eerder die dag “Beste [geïntimeerde] zou je mij deze maand al een bedrag kunnen terugbetalen! Van de lening?’ wijst op de leenovereenkomst en het daarin genoemde bedrag van € 1.500,-. Tot slot ondersteunt ook de niet door [geïntimeerde] weersproken schriftelijke verklaring van [D] de verklaring van [appellant] . [D] verklaart immers dat hij op verzoek van [appellant] [geïntimeerde] heeft aangesproken over het uitblijven van terugbetaling van de lening en dat [geïntimeerde] hem heeft verteld de lening zeker terug te betalen, maar daartoe op dat moment niet in staat te zijn.

5.14

De door [appellant] onder ede afgelegde verklaring bevestigt de juistheid van de verklaring van [C] en sluit aan bij het bankafschrift, de leenovereenkomst, de hiervoor bedoelde transcriptie en de verklaring van [D] , strekt ter aanvulling daarop en kan dan ook in zijn voordeel meewegen in de waardering van een en ander.

5.15

Hoewel uit de verklaring van [C] blijkt dat zij zich nauw verbonden voelt met [appellant] , ligt daarin geen grond om haar verklaring als onvoldoende betrouwbaar ter zijde te stellen. De omstandigheden dat [C] met haar verklaring van 2 december 2014 de indruk wekt dat zij het genoemde bedrag van € 1.200,- in contanten ineens heeft gepind en dat [C] daarvoor tijdens de ontmoeting van partijen naar een pinautomaat is geweest, terwijl noch het een noch het ander overeenstemt met het daartoe overgelegde bankafschrift over juni 2013, geven daarvoor evenmin grond. Uit dat bankafschrift blijkt immers wel dat beide opnames zijn gedaan voorafgaande aan de ontmoeting van [appellant] en [geïntimeerde] aan het eind van de middag of het begin van de avond op 26 juni 2013, zoals [appellant] onomstreden heeft verklaard, en voorafgaande aan de vastlegging van de leenovereenkomst op

26 juni 2013, zodat dat aannemelijk is dat genoemd bedrag tijdens die ontmoeting beschikbaar was. In zoverre zijn bedoelde discrepanties van onvoldoende gewicht om de verklaring van [C] als onvoldoende betrouwbaar aan te merken.

5.16

In wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd, ligt onvoldoende gewicht om het door [appellant] bijgebrachte bewijs voor onvoldoende consistent, onvoldoende betrouwbaar en/of onvoldoende geloofwaardig te maken.

In de eerste plaats geldt dat [geïntimeerde] zijn andersluidende stellingname geen kracht heeft bijgezet door zichzelf in contra-enquête als getuige te laten horen. Dit is niet zonder betekenis.

Voorts geldt dat [geïntimeerde] - overigens eerst - bij de pleidooien heeft aangevoerd dat [appellant] na het ondertekenen van de leenovereenkomst alsnog heeft besloten geen geld aan [geïntimeerde] te lenen. Omdat [C] dat ‘sneu’ voor [geïntimeerde] vond, heeft zij alsnog voormeld bedrag van € 300,- overgemaakt. Onomstreden is echter dat [geïntimeerde] dat bedrag op 26 juni 2013 vanaf de bankrekening van [C] heeft ontvangen. Dat betekent in het verhaal van [geïntimeerde] dat [appellant] onmiddellijk na het ondertekenen van de leenovereenkomst spijt daarvan zou hebben gekregen en dat ook zou hebben uitgesproken. [geïntimeerde] heeft echter onverklaard gelaten waarom de leenovereenkomst dan niet onmiddellijk door hem is teruggenomen, maar hij, integendeel, een ingevuld en ondertekend exemplaar bij [appellant] heeft achtergelaten. Deze versie rijmt ook niet met wat [geïntimeerde] in zijn antwoordconclusie na enquête heeft geschreven, te weten dat hij erkent dat hij in WhatsApp-gesprekken, telefoongesprekken met [appellant] en tegenover een derde als [D] heeft erkend dat hij geld van [appellant] heeft geleend, zij het zijns inziens € 300,-.

[geïntimeerde] heeft in de stukken zijn standpunt over het al dan niet geleend hebben van [appellant] meermalen gewijzigd. In eerste instantie heeft [geïntimeerde] ontkend dat hij enig bedrag van [appellant] heeft geleend. Bij antwoordconclusie na enquête heeft hij erkend dat hij € 300,- van [appellant] heeft geleend. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] weer uitdrukkelijk betwist en ontkend dat [appellant] , al dan niet via [C] , aan hem geld heeft geleend. Tot slot heeft [geïntimeerde] bij de pleidooien vervolgens gesteld dat hij er geen probleem mee heeft dat [appellant] aanspraak maakt op terugbetaling van € 300,-. Dat wijzigen van standpunt staan hem op zich vrij, maar dat doet wel afbreuk aan de zeggingskracht daarvan. Het gevolg daarvan is dat in [geïntimeerde] ’s andersluidende standpunt geen reden ligt om iets af te doen aan het door [appellant] bijgebrachte bewijs.

5.17

Het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd leidt het hof tot het oordeel dat [appellant] is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs dat op 26 juni 2013 een bedrag van € 1.500,- aan [geïntimeerde] is verstrekt onder de leenovereenkomst van partijen. Dit betekent dat de grief slaagt en het aangevallen vonnis niet in stand kan blijven.

5.18

Nu vaststaat dat [geïntimeerde] niets op het geleende heeft terugbetaald aan [appellant] , is het door [appellant] gevorderde bedrag van € 1.500,- aan hoofdsom daardoor toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de niet afzonderlijk weersproken gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, een tot en met 4 juni 2014 berekend bedrag van € 23,42 daaronder begrepen.

5.19

De door [appellant] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, door hem gesteld op € 600,-, is niet toewijsbaar. Hij heeft daarvoor onvoldoende gesteld, zodat de gevorderde kosten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenvergoeding wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

6 De slotsom

6.1

De grief slaagt, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 95,77

- griffierecht € 77,-

- getuigentaxen € 38,-

subtotaal verschotten € 210,77

- salaris advocaat € 375,- (2,5 punten x tarief € 150,-)

Totaal € 585,77

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 96,16

- griffierecht € 311,-

subtotaal verschotten € 407,16

- salaris advocaat € 1.518,- (2, punten x tarief I à € 759,-)

Totaal € 1.925,16

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 17 juni 2015 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 1.523,42, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 1.500,- vanaf 10 juni 2014 tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 210,77 voor verschotten en op € 375,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 407,16 voor verschotten en op € 1.518,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. W.P.M. ter Berg en mr. G.T. de Jong en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

22 januari 2019.