Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4663

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
200.248.383/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appèl niet-ontvankelijk verklaard in verband met ontbreken relevante stukken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.248.383/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/445124 / FL RK 17-1678)

beschikking van 28 mei 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. W.P.A. Vos te Amsterdam,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.J. Boekhout te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 23 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 23 oktober 2018 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 23 februari 2018. Bij deze beschikking is de voornaam van de zoon van partijen, geboren [in] 2016, op verzoek van de moeder gewijzigd van [de minderjarige1] in [de minderjarige1-A] , en de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Lelystad gelast de voornaam van de minderjarige te wijzigen als voormeld.

2.2

Bij brief van 24 oktober 2018 heeft het hof mr. Vos bericht dat de zaak niet verder in behandeling kan worden genomen omdat het ingediende beroepschrift niet compleet is. Bij het beroepschrift ontbreken het verzoekschrift tot voornaamswijziging van de moeder (inclusief eventuele bijlagen), een volledig exemplaar van de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank.

Mr. Vos is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim uiterlijk op 7 november 2018 te herstellen. Op deze brief heeft het hof geen reactie van mr. Vos ontvangen.

2.3

Bij brief van 12 november 2018 heeft het hof mr. Vos nogmaals op het verzuim gewezen en verzocht de ontbrekende stukken uiterlijk voor 26 november 2018 in te dienen. Uit de bijlagen bij het journaalbericht van mr. Vos van 14 december 2018 volgt dat zij het proces-verbaal en een kopie van het dossier in eerste aanleg meerdere malen bij de rechtbank heeft opgevraagd, maar niet heeft mogen ontvangen.

Van mr. Boekhout ontvangt het hof op 20 december 2018 een op 18 december 2018 gedateerde brief waarin zij aangeeft dat zij in onderhavige zaak een kopie van de door het hof opgevraagde stukken heeft ontvangen. Hieraan verbindt zij de conclusie dat de advocaat van appellant deze stukken pas op 14 december 2018 aan het hof heeft gezonden en dus te laat. Op grond daarvan verzoekt mr. Boekhout de vader (naast de termijnoverschrijding ten aanzien van het moment van instellen van het appel) kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.

2.4

Bij brief van 19 december 2018 heeft het hof mr. Vos de gelegenheid gegeven uiterlijk 29 januari 2019 de ontbrekende stukken bij het hof in te dienen. Op deze brief heeft het hof geen reactie van mr. Vos ontvangen. De ontbrekende stukken zijn nimmer ingediend.

2.5

Artikel 1.2.6 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven bepaalt dat bij het beroepschrift alle stukken uit de eerste aanleg worden gevoegd. Uit artikel 1.2.7 van dit procesreglement volgt - voor zover hier van belang - dat zolang een beroepschrift niet compleet, dat wil zeggen voorzien van de stukken uit de eerste aanleg, is ontvangen, aan de andere belanghebbende(n) door de griffie slechts wordt medegedeeld dat hoger beroep is ingesteld en dat, zodra de stukken compleet zijn ontvangen, de zaak in behandeling zal worden genomen.

2.6

Omdat completering van het beroepschrift na meerdere mogelijkheden tot herstel van het verzuim achterwege is gebleven, is de zaak conform artikel 1.2.7 van het procesreglement geplaatst op een zitting ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek in hoger beroep. De mondelinge behandeling heeft op 13 mei 2019 plaatsgevonden. De vader is verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De moeder is verschenen, bijgestaan door mr. A.W. van Luipen (kantoorgenoot van mr. Boekhout).

2.7

Voorafgaand aan de zitting heeft het hof op 8 mei 2019 een journaalbericht met producties ontvangen van mr. Boekhout en op 12 mei 2019 een fax van mr. Vos, zonder de daarbij aangekondigde aanvullende stukken.

3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

Aan de orde is de vraag of de vader ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking. De vader beantwoordt deze vraag bevestigend en de moeder ontkennend.

3.2

Het hof is gelet op de hiervoor weergegeven feiten van oordeel dat mr. Vos voldoende gelegenheid is geboden om het hof de aan het beroepschrift ontbrekende stukken te doen toekomen, waaronder de volledige bestreden beschikking. Hiervan heeft zij geen gebruik gemaakt. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de gestelde termijnen zouden kunnen rechtvaardigen is het hof niet gebleken.

Weliswaar heeft mr. Vos pogingen ondernomen om de ontbrekende stukken te verkrijgen, maar het hof is sinds de e-mailberichten van mr. Vos aan de rechtbank Midden-Nederland van november en december 2018 (die bij haar journaalbericht van 14 december 2018 zijn gevoegd) niet meer gebleken van enige inspanning van haar zijde op dit punt. Pas ter zitting van 13 mei 2019 verzoekt mr. Vos het proces-verbaal en de complete bestreden beschikking (doch niet het inleidend verzoekschrift) over te leggen, terwijl ter zitting ook is gebleken dat deze stukken al in december 2018 in het bezit van de vader waren. Mr. Luipen heeft tegen het alsnog overleggen van deze stukken bezwaar gemaakt en gewezen op het procesreglement. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de vader en zijn advocaat had gelegen om deze stukken eerder in het geding te brengen. Het hof acht genoemde gang van zaken - mede gelet op het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, het belang van een adequate voorbereiding van de mondelinge behandeling ook door de rechter, alsook de doorstroom van procedures waarbij in het kader van de rechtszekerheid een telkenmale uitstel van de procedure niet past - in strijd met de goede procesorde en zal daarom geen acht slaan op deze stukken.

3.3

Nu door de nalatigheid aan de zijde van de vader de zaak niet op een behoorlijke wijze behandeld kan worden wegens het ontbreken van daarvoor essentiële stukken, zal het hof de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de vader in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G.M. van der Meer en M. Weissink, bijgestaan door mr. E. Klijn als griffier, en is op 28 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.