Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4599

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
30-05-2019
Zaaknummer
200.243.125/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak in kort geding. Hof is voorshands van oordeel dat verklaring van werknemer een opzegging is, waaraan werkgever hem mag houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.243.125/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6873732)

arrest in kort geding van 28 mei 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.A. van Beilen,

tegen

V.O.F. Jeruzalem,

gevestigd te Kampen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Jeruzalem,

advocaat: mr. D. Warnink


Het hof neemt het tussenarrest van 15 januari 2019 hier over.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bevolen. De comparitie is op 14 mei 2019 gehouden en daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Het hof heeft arrest bepaald op het ter voorbereiding van de comparitie overgelegde procesdossier, waaraan het proces-verbaal is toegevoegd.

1.3

De eis van [appellant] luidt, na intrekking ter zitting van de vordering tot tewerkstelling op verbeurte van een dwangsom, dat het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en Jeruzalem wordt veroordeeld tot doorbetaling van het loon vanaf 24 april 2018 tot het rechtsgeldige einde van het dienstverband, met wettelijke rente en onder veroordeling van Jeruzalem in de proceskosten van beide instanties.

2. De vaststaande feiten

2.1

Tussen partijen staat vast dat [appellant] op 15 december 2016 als kok in dienst is getreden bij Jeruzalem, laatstelijk tegen een loon van € 2.958,68 bruto per maand.

Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 31 oktober 2018 is deze arbeidsovereenkomst, voor zover deze nog zou bestaan, ontbonden per 1 december 2018.

2.2

[appellant] heeft tijdens zijn dienstverband openlijk op het werk besproken dat hij een eigen restaurant wilde beginnen in Steenwijk.

2.3

Op 24 maart 2018 heeft [appellant] tijdens zijn werkzaamheden aan hulpkok [B] verzocht een verklaring op schrift te stellen. [B] heeft dat gedaan en op een kladblokvel, na datum en plaats, op aangeven van [appellant] geschreven:

Ik [appellant] , geef een maand opzegtermijn. Dat wil zeggen dat ik per 24 april mijn functie neerleg.

[appellant] heeft hieronder zijn naam geschreven. Volgens stelling van [appellant] zelf heeft hij deze verklaring toegeworpen aan vennoot [C] , maar heeft deze het stuk niet opgeraapt waarna dat stuk daar enkele uren is blijven liggen. Bij zijn vertrek die avond heeft [appellant] aan collega [D] gevraagd het briefje aan [C] te overhandigen, hetgeen is gebeurd.

2.4

In een brief van 16 april 2018 heeft Jeruzalem meegedeeld in te stemmen met de opzegging van 24 maart 2018 waardoor de arbeidsovereenkomst op 24 april 2018 eindigt. In deze brief is aangegeven dat 22 april 2018 de laatste werkdag van [appellant] zal zijn.

2.5

Het handelsregister bij de kamer van koophandel vermeldt dat [appellant] sinds
1 maart 2018 eigenaar is van Pizzeria Casanova in Steenwijk. De zaak is op 23 april 2018 feestelijk geopend.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in kort geding gevorderd dat de kantonrechter Jeruzalem veroordeelt hem weer te werk te stellen op verbeurte van een dwangsom en loon door te betalen, onder veroordeling van Jeruzalem in de proceskosten.

3.2

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen omdat hij voorshands van oordeel was dat Jeruzalem [appellant] aan zijn opzegging mocht houden. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

Omdat een loonvordering naar zijn aard strekt tot voorziening in het levensonderhoud, en in dit geval niet anders is gebleken, heeft [appellant] ondanks de vermindering van eis in hoger beroep nog steeds een voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering.

4.2

[appellant] betoogt met zes grieven, die het hof gezamenlijk zal bespreken, dat geen sprake was van een opzegging, althans dat Jeruzalem dat niet zo had mogen begrijpen gezien zijn emotionele toestand.

4.3

Het hof verwerpt voorshands het standpunt van [appellant] dat de inhoud van het onder 2.3 geciteerde briefje geen opzegging inhoudt. De bewoordingen zijn voldoende duidelijk en ondubbelzinnig gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst per 24 april 2018.

Dat wordt niet anders omdat het briefje geen reden voor de opzegging vermeldt. Er is ook geen reden om een andere betekenis aan de bewoordingen toe te kennen om de enkele reden dat [appellant] wel zijn naam maar niet zijn handtekening onder dit briefje heeft gezet, voor zover die handtekening al anders is.

4.4

[appellant] meent dat Jeruzalem had moeten begrijpen dat hij geen ontslag wilde nemen. Daartoe heeft hij in de processtukken aangevoerd dat hij op 24 maart 2018 een woordenwisseling heeft gehad met vennoot [C] omdat deze, in strijd met een eerdere toezegging, toch een volgens [appellant] niet goed functionerende schoonmaakster aan het werk liet. Gelet op zijn emotionele toestand had Jeruzalem moeten begrijpen dat hij niet bedoelde de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

Jeruzalem heeft, onder het overleggen van schriftelijke verklaringen van de vennoten en de werknemers [B] , [D] en [E] , betwist dat [appellant] een woedeaanval had. Het briefje heeft bovendien eerst nog enige tijd, ongelezen, ergens gelegen voordat [appellant] aan [D] vroeg het aan [C] te geven. Jeruzalem mocht er, zo heeft zij aangevoerd, van uitgaan dat [appellant] ontslag nam omdat hij zijn eigen restaurant begon.

4.5

Uit de verklaringen van de drie werknemers blijkt dat [appellant] al geruime tijd ontevreden was en liet weten het zelf veel beter te gaan doen in zijn eigen restaurant. Uit deze verklaringen blijkt niet dat [appellant] het briefje heeft laten schrijven en van zijn naam heeft voorzien in een woedeaanval, en dat hij nog steeds in een emotionele toestand verkeerde toen hij [D] later verzocht het erop toe te zien dat [C] dit briefje kreeg.

Dat [appellant] , ook voor Jeruzalem kenbaar, in een staat verkeerde waarin hij mogelijk niet overeenkomstig zijn wil verklaarde, is daarmee niet gebleken. Naar voorlopig oordeel van het hof had [appellant] in ieder geval gedurende de avond en voor zijn vertrek op de
24e maart 2018 nog alle gelegenheid om te voorkomen dat de inhoud van het briefje Jeruzalem - in de persoon van [C] - bereikte.

Het hof verwerpt het aanbod van [appellant] om genoemde drie collega’s en [C] als getuigen te horen omtrent de vraag “op welke wijze en onder welke omstandigheden [appellant] het briefje heeft laten opstellen en aan zijn werkgever heeft doen toekomen”. Niet alleen leent een kort geding zich in het algemeen niet voor bewijslevering, ook heeft [appellant] nagelaten aan te geven wat deze personen, gehoord als getuigen, meer of anders kunnen verklaren.

4.6

[appellant] heeft zijn versie van de gebeurtenissen ook niet sterker gemaakt door tijdens de zitting in hoger beroep aan te voeren dat het briefje eigenlijk een grap was, en het gevolg van een weddenschap met [C] . Ook de opmerkingen dat hij bewust geen handtekening onder het briefje heeft gezet omdat hij meende dat de boodschap dan niet geldig was, verdraagt zich moeilijk met de beweerde emotionele toestand waarin hij heeft gehandeld.

4.7

Ook om een andere reden heeft Jeruzalem niet hoeven te begrijpen dat [appellant] niet overeenkomstig zijn wil zou hebben verklaard. Zij wist immers, net als genoemde drie werknemers, dat [appellant] doende was een eigen bedrijf/restaurant op te zetten.


[appellant] heeft ook erkend dat hij op zondag 25 maart 2018, dus daags na het briefje, in het restaurant van Jeruzalem tegen een vaste klant, in aanwezigheid van [D] , heeft gezegd dat hij over een maand zijn eigen restaurant in Steenwijk begon, en dat [C] dit gehoord kan hebben, zoals deze heeft gesteld.

4.8

In hoger beroep heeft [appellant] het standpunt ingenomen dat hij drie of vier dagen na 24 maart 2018 bij [C] is teruggekomen op de inhoud van het briefje. Jeruzalem heeft dat betwist.

Het hof constateert dat deze stelling van [appellant] in strijd is met zijn uitdrukkelijke stellingen in eerste aanleg. In de inleidende dagvaarding staat, onder punt 5:

Na 24 maart 2018 is er tussen partijen niet gesproken over het briefje. De verhoudingen tussen partijen was weer goed.

De pleitnotitie van [appellant] in eerste aanleg vermeldt op de ongenummerde derde bladzijde:

Omdat hij [ [C] - hof] niet van plan was de schoonmaakster te ontslaan, heeft [appellant] in een emotionele opwelling het briefje van 24 maart 2018 laten opstellen waarin staat vermeld dat hij zijn functie neerlegt.

Daarna hebben partijen het er niet meer over gehad, totdat [appellant] plotseling de brief van 16 april 2018 ontving waarin werkgever aangeeft er mee akkoord te gaan dat het dienstverband per 24 april 2018 eindigt.

Op zichzelf is denkbaar dat in de voorbereiding op een kort geding details over het hoofd worden gezien, maar [appellant] heeft zijn nieuwe stelling in hoger beroep niet nader onderbouwd. De enkele verwijzing naar een passage in een brief van 3 mei 2018 van de accountant van Jeruzalem aan de advocaat van [appellant] , waarin wordt meegedeeld dat Jeruzalem aan haar vergewisplicht heeft voldaan, verschaft die onderbouwing niet. Uit deze passage volgt immers niet dat [appellant] al binnen een paar dagen is teruggekomen op zijn ontslagname. Het aanbod om alsnog het proces-verbaal op te vragen van de mondelinge behandeling in de ontbindingsprocedure, waarin [appellant] het betwiste nieuwe standpunt zou hebben ingenomen, verwerpt het hof, ook omdat deze kortgedingprocedure zich niet voor nadere bewijslevering leent.

Vooralsnog heeft het hof geen reden om aan te nemen dat [appellant] niet overeenkomstig zijn wil heeft verklaard en dat Jeruzalem begreep of in de omstandigheden van dit geval heeft moeten begrijpen dat [appellant] geen ontslag heeft willen nemen. Het (bevrijdend) verweer van Jeruzalem dat [appellant] vrijwillig ontslag heeft genomen lijkt daarom, voorshands oordelend, gegrond.

De slotsom

4.9

De slotsom is dat de grieven falen. Het vonnis in kort geding, waarvan beroep, wordt bekrachtigd en [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Jeruzalem te stellen op € 726,- griffierecht en € 2.148,- voor salaris advocaat volgens liquidatietarief (2 punten, tarief II) alsmede een bedrag van € 157,- aan nasalaris, te vermeerderen met € 82,- in het geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden.

5 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis voor zover aan hoger beroep onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Jeruzalem, vastgesteld op:

 € 726,- griffierecht

 € 2.148,- salaris advocaat

 € 157,- nasalaris,

te vermeerderen met € 82,- in het geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, mr. W.P.M ter Berg en mr. W.F. Boele en is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2019 door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier.