Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4546

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
200.247.436
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vader tot beëindiging gezamenlijk gezag met moeder. Ouders hebben nog niets aan hulpverlening gedaan om de moeizame communicatie tussen hen te verbeteren. Dat de moeder recent haar medewerking met betrekking tot het verlenen van toestemming voor een vakantie naar het buitenland van de vader met de kinderen heeft getraineerd is onvoldoende om gezamenlijk gezag te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.247.436

(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 433671 en 441666)

beschikking van 28 mei 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Marbus-Hulshof te Vleuten, gemeente Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.A. de Kock te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 juli 2017 en 9 juli 2018, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 8 oktober 2018;

  • -

    het verweerschrift, en

  • -

    een journaalbericht van mr. Marbus-Hulshof van 12 april 2019 met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 25 april 2019 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. H.E. Brokers-van Dijk (kantoorgenote van mr. Marbus-Hulshof). De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit de in 2014 verbroken affectieve relatie van de ouders zijn geboren

  • -

    [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [woonplaats] , en

  • -

    [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [woonplaats] ,

hierna ook gezamenlijk te noemen “de kinderen”. De vader heeft de kinderen erkend. De vader en de moeder oefenen sinds 6 februari 2012 gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.

3.2

De vader vormt met zijn huidige partner, [partner van vader] , en de kinderen een gezin. De kinderen wonen sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in december 2014 bij de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij tussenbeschikking van 4 juli 2017 is, voor zover hier van belang, als voorlopige zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld dat de moeder recht heeft op begeleide omgang met de kinderen wekelijks op zaterdag van 11.00 uur tot 17.00 uur, waarbij zij één uur voorafgaand aan de omgang door een medewerker van Altrecht een blaastest bij zichzelf laat afnemen. De uitkomst van deze blaastest wordt door de medewerker van Altrecht doorgegeven aan de vader. De omgang gaat niet door indien de moeder weigert een blaastest af te nemen of geen BAC 0 blaast. Ook geldt dat de moeder na de omgang een alcoholtest uitvoert.

In diezelfde tussenbeschikking heeft de rechtbank de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar het al dan niet in stand blijven van gezamenlijk gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders.

4.2

Bij de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - bestreden beschikking van 9 juli 2018 is onder de voorwaarde dat de moeder voorafgaande aan het contact met de kinderen en achteraf een alcoholtest bij zichzelf afneemt, zij de uitkomst per WhatsApp of Face Time aan de vader kenbaar maakt en hij controleert of zij BAC 0 heeft geblazen en het contact niet doorgaat indien de moeder geen BAC 0 blaast of weigert een blaastest af te nemen, als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders vastgesteld dat:

  • -

    de kinderen eens per week op woensdagmiddag contact hebben met de moeder, bij en onder begeleiding van Enik, bij TussenThuis of onder begeleiding van opa en oma (moederszijde) dan wel de broer (moederszijde), waarbij de moeder de kinderen ophaalt van de BSO;

  • -

    de moeder eens per maand een dag in het weekeinde contact heeft met de kinderen, onder begeleiding van opa en oma (moederszijde) dan wel de broer (moederszijde),

en het meer of anders verzochte afgewezen.

4.3

De vader is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van 9 juli 2018. Hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover dit ziet op het gezag en, opnieuw beschikkende, zijn verzoek om te bepalen dat hij alleen zal worden belast met het gezag over de kinderen alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

4.4

De moeder voert verweer en hij verzoekt het hof het verzoek van de vader af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

  1. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

  2. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Nu de ouders in 2014 uit elkaar zijn gegaan, de kinderen sindsdien bij de vader wonen en het gezin sinds maart 2014 bij de hulpverlening bekend is omdat er zorgen zijn over de veiligheid van de kinderen bij de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek zijn de omstandigheden sinds 6 februari 2012 zodanig gewijzigd dat een heroverweging van het gezamenlijk gezag door de rechter is gerechtvaardigd.

5.3

Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

5.4

Uit de stukken is gebleken dat de moeder persoonlijke problematiek heeft. Zij lijdt sinds kort na de geboorte van [kind 2] aan een alcoholverslaving en in 2018 is bij haar de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis en emotieregulatiestoornis gesteld. Hierdoor is de moeder in het verleden haar bezoek- en telefonische afspraken met betrekking tot de kinderen niet altijd goed nagekomen. Hoewel er zorgen zijn over de langdurig slechte samenwerking tussen de ouders, is er volgens het rapport van de raad van 20 februari 2018 regelmatig sprake van een goede samenwerking tussen de ouders, en ziet de raad mogelijkheden wanneer beide ouders leren op een andere manier met het gezag om te gaan. De moeder kan als gelijkwaardige partner meebeslissen mits zij betrouwbaar is in het nakomen van haar afspraken.

5.5

Hoewel de vader, ondanks alle terugvallen van de moeder, op een bewonderenswaardige wijze vasthoudt aan zijn streven het contact tussen de moeder en de kinderen in stand te houden en hij de kinderen ruimte geeft voor veilig contact met de moeder, moet het hof constateren dat nog niets aan hulpverlening is gedaan om de moeizame communicatie tussen de ouders te verbeteren. Zo is de hulpverlening vanuit Youké ter verbetering van de onderlinge communicatie tussen de ouders niet gestart, enerzijds omdat de moeder aanvankelijk slecht bereikbaar was voor het maken van een afspraak, anderzijds omdat de vader op het moment dàt er een afspraak bij Youké was gemaakt, is afgehaakt vanwege zijn gebrek aan vertrouwen in de moeder, gebaseerd op zijn ervaringen in het verleden.

Hoe begrijpelijk het ook is dat de vader vanuit het verleden weinig vertrouwen in de moeder heeft als mede-opvoeder, is het zijn taak evenals die van de moeder om alles wat redelijkerwijs mogelijk is in het werk te stellen om in het belang van de kinderen tot een verbetering van de onderlinge communicatie te komen. Het bemiddelingstraject van Youké is - anders dan de vader meent - daartoe een bruikbaar instrument en zeker niet bij voorbaat kansloos. Nu de onderliggende oorzaak van het alcoholprobleem bij de moeder sinds 2018 bekend is, zij actief werkt aan haar herstel en erg gemotiveerd is om het goed te doen met de kinderen moet het voor beide ouders met hulp van Youké mogelijk zijn andere, effectieve(r) communicatiestrategieën aan te leren en daarmee tot een verbetering van de onderlinge communicatie te komen. Het is aan beide ouders om in het belang van de kinderen alles in het werk te stellen om hun onderlinge communicatie te verbeteren.

5.6

Ter mondelinge behandeling bij het hof is gebleken dat de moeder recent haar medewerking met betrekking tot het verlenen van toestemming voor een vakantie naar het buitenland van de vader met de kinderen heeft getraineerd. Evenals de raad is het hof van oordeel dat de moeder zich niet kan verschuilen achter het argument dat zij de benodigde toestemmingsformulieren niet heeft kunnen geven omdat zij niet bij de vader in de straat mag komen. Dit incident was eenvoudigweg te voorkomen door de benodigde formulieren tijdig op de post naar de vader te doen. Het hof onderschrijft dan ook het door de raad ter mondelinge behandeling gegeven advies dat het voor de moeder vijf voor twaalf is in die zin dat dit haar laatste kans is om op een goede wijze invulling te gaan geven aan haar gezag.

5.7

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

5.8

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 juli 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. Stolwerk, J.B. de Groot en C.M. Koopman, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 28 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.