Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4532

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-05-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
18/00512
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1937, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dividendbelasting. Betaalverzuimboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 07-06-2019
V-N Vandaag 2019/1332
FutD 2019-1547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Belasting

Locatie Arnhem

nummer 18/00512

uitspraakdatum: 28 mei 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 april 2018, nummer AWB 17/6216, ECLI:NL:RBGEL:2018:1937, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is bij beschikking een verzuimboete van € 2.941 opgelegd.

1.2

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2019 te Arnhem. Daarbij zijn namens de Inspecteur verschenen mr. [A] en [B] . Belanghebbende is, met kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.

1.6

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft op 30 december 2016 een bedrag van € 653.595 aan dividend beschikbaar gesteld, waarover € 98.039 dividendbelasting is verschuldigd.

2.2

De gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) was van 28 januari 2017 tot en met 2 februari 2017 ziek.

2.3

De gemachtigde heeft per e-mail van 3 februari 2017 aan belanghebbende geschreven, voor zover van belang:

“Bijgaand ontvangen jullie de notulen voor de bruto uitkering groot € 653.595,-, alsmede het aangiftebiljet dividendbelasting dat wij daarvoor hebben opgesteld.

(…).

Volledigheidshalve meld ik nog even het volgende;

(…)

Dit bedrag dient zo spoedig mogelijk te worden overgemaakt op … ten name van de Belastingdienst … onder vermelding van het betalingskenmerk: …

(…).

Wij verzoeken jullie de bijgaande aangifte dividendbelasting te ondertekenen en (zonder notulen) door te sturen naar …”

2.4

Belanghebbende heeft de verschuldigde dividendbelasting op 7 februari 2017 betaald.

2.5

Op 8 februari 2017 heeft belanghebbende de aangifte dividendbelasting ingediend. Op de eerste bladzijde van het aangiftebiljet staat vermeld, voor zover van belang:

“U moet aangifte doen en betalen binnen 1 maand na de dag waarop het dividend beschikbaar is gesteld. Doet u uw aangifte niet of niet op tijd? Dan kunt u een boete krijgen. Betaalt u niet of niet op tijd? Dan kan er een naheffingsaanslag volgen. Ook daarvoor kunt u een boete krijgen.”

2.6

De Inspecteur heeft bij beschikking van 10 juli 2017 aan belanghebbende wegens het niet tijdig betalen van de dividendbelasting een verzuimboete opgelegd van (3 % van € 98.039 =) € 2.941 (hierna: de boete).

2.7

Belanghebbende heeft per e-mail van 20 juli 2017 aan de gemachtigde geschreven, voor zover van belang:

“De betaling heeft plaatsgevonden op 7 februari. Dit was dus te laat, maar ik kreeg de mail pas op 3 februari ….. Kunnen we hier iets aan doen?”

2.8

Belanghebbende heeft bij brief van 20 juli 2017 tegen de boete bezwaar gemaakt.

2.9

De Inspecteur heeft bij brief van 3 augustus 2017 aan de gemachtigde geschreven, voor zover van belang:

“Omdat de betaling van de verschuldigde dividendbelasting plaatsgevonden heeft op 7 februari 2017 ben ik voornemens uw bezwaar af te wijzen.

Horen

U hebt het recht om (telefonisch) te worden gehoord. Indien u van dit recht gebruik wilt maken, kan hiervoor tot 31 augustus 2017 met mij een afspraak worden gemaakt. (…). Indien ik in dit kader vóór 31 augustus 2017 geen reactie ontvang, ga ik er vanuit dat u niet gehoord wenst te worden.”

2.10

De gemachtigde heeft per e-mail van 31 augustus 2017 aan de Inspecteur geschreven, voor zover van belang:

“Graag maak ik met u een afspraak voor een telefonisch hoorgesprek over deze kwestie. (…). Graag verneem ik van u wanneer het hoorgesprek kan plaatsvinden.”

2.11

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 september 2017 het bezwaar afgewezen.

2.12

De Inspecteur heeft per e-mail van eveneens 28 september 2017 aan de gemachtigde geschreven:

“Per abuis is gisteren een uitspraak de deur uitgegaan n.a.v. het bezwaarschrift van uw cliënt [X] . In uw e-mailbericht heeft u aangegeven gehoord te willen worden. Graag maak ik met u een afspraak voor volgende week maandag.”

2.13

Op 2 oktober 2017 heeft er telefonisch een hoorgesprek plaatsgevonden.

2.14

Onder de vermelding van “uitspraak op bezwaar” van 3 oktober 2017 is het bezwaar afgewezen.

2.15

Belanghebbende heeft op 14 november 2017 beroep ingesteld.

2.16

De Rechtbank heeft het beroep ontvankelijk geacht en de boete gehandhaafd.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de boete terecht aan belanghebbende is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Belanghebbende stelt dat de boete dient te worden vernietigd omdat (i) de termijnoverschrijding van betaling verschoonbaar is, (ii) er sprake is van afwezigheid van alle schuld en (iii) de betaling binnen de coulancetermijn heeft plaatsgevonden. Subsidiair stelt belanghebbende dat de boete moet worden gematigd omdat er sprake is van een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid en een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de boete.

3.2

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof het incidentele hoger beroep ingetrokken.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

4.1

Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de inspecteur – zonder tussenkomst van de rechter – neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beroep kan worden ingesteld (vgl. HR 20 januari 2012, nr. 10/02678, ECLI:NL:HR:2012:BT1516).

4.2

Het vorenstaande brengt mee dat met de uitspraak op bezwaar van 28 september 2017 de behandeling van het bezwaar is geëindigd. Het beroepschrift van belanghebbende van 13 november 2017, ingekomen bij de Rechtbank op 14 november 2017, kan dan ook uitsluitend gericht zijn tegen deze uitspraak op bezwaar. Gelet daarop is het beroep ingesteld na afloop van de beroepstermijn van zes weken, waarvan de laatste dag 9 november 2017 was.

4.3

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding omdat de verwarring over de uitspraak op bezwaar door de Inspecteur is veroorzaakt.

4.4

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 25 november 2016, nr. 16/02255, ECLI:NL:HR:2016:2662, geoordeeld:

“2.4.2. De aard van de beroepstermijn, die meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het betrokken bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (zie HR 20 november 1996, nr. 31827, ECLI:NL:HR:1996:AA1755, BNB 1997/23). Dat sluit echter niet uit dat zich de situatie voordoet dat een belanghebbende aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn (vgl. 22 november 2000, nr. 35601, ECLI:NL:HR:2000:AA8419, BNB 2001/28).”

4.5

Gelet op de in 2.12 vermelde e-mail van de Inspecteur aan de gemachtigde, die een dag na de uitspraak op bezwaar van 28 september 2017 is verzonden en waarin wordt gesproken van een abuis, het snel daaropvolgende telefonische hoorgesprek, de brief van de Inspecteur van 3 oktober 2017 met de vermelding ‘Uitspraak op bezwaar’ en dat tegen deze brief vervolgens binnen de beroepstermijn van zes weken beroep is ingesteld, is naar het oordeel van het Hof sprake van een verschoonbare termijnoverschrijving en is het beroep ontvankelijk. Hierbij merkt het Hof nog op dat het, anders dan de Inspecteur betoogt, niet van belang is welke beslissing bij uitspraak op bezwaar is genomen. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, zij het op andere gronden.

Boete

4.6

Ingevolge artikel 67c, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vormt, indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn heeft betaald, dit een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen.

4.7

Paragraaf 23, lid 3, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) bepaalt dat de inspecteur in geval van een betalingsverzuim een boete oplegt van drie procent van de niet binnen de termijn betaalde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c van de AWR, en wordt de boete minimaal gesteld op € 50.

4.8

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden vernietigd omdat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding inzake de betaling. Dit betoog faalt. Artikel 6:11 van de Awb heeft alleen betrekking op de overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn en niet, zoals hier, de overschrijding van de betalingstermijn van belasting. Dat geldt ook voor artikel 60 van de AWR dat alleen ziet op verzoekschriften. Er is geen wettelijke bepaling die bepaalt dat de overschrijding van de betalingstermijn van belasting verschoonbaar kan zijn, zoals dat wel is geregeld voor de betaling van griffierechten (artikel 8:41, lid 6, van de Awb).

4.9

Belanghebbende betoogt verder dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) omdat er sprake is van een verzuim van de gemachtigde om belanghebbende tijdig te informeren over de betaling van de dividendbelasting en zij alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht. De Inspecteur brengt daartegen in dat belanghebbende niet onbekend was met de dividendbelasting, de inhouding en de betalingstermijn.

4.10

Bij overtreding van een voorschrift dat wordt bestraft met een verzuimboete kan een belastingplichtige met vrucht een beroep doen op avas, indien hij feiten stelt en bij betwisting daarvan aannemelijk maakt die meebrengen dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verschuldigde bedrag tijdig op de rekening van de Belastingdienst is bijgeschreven (vgl. HR 10 april 2015, nr. 14/05030, ECLI:NL:HR:2015:844 en HR 15 juni 2007, nr. 42 687, ECLI:NL:HR:2007:BA7184).

4.11

Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. Belanghebbende kon in ieder geval op 3 februari 2017 weten dat zij de dividendbelasting uiterlijk op 30 januari 2017 had moeten betalen (zie 2.1, 2.3 en 2.5). Indien zij er voor had gekozen om de dividendbelasting onmiddellijk te betalen en niet te wachten tot 7 februari 2017, zou ze een beroep hebben kunnen doen op de zogenoemde coulanceregeling (zie 4.12). Daarnaast is het aannemelijk dat tijdens de bespreking met de gemachtigde over het doen van aangifte dividendbelasting de termijn waarbinnen de betaling diende plaats te vinden aan de orde is geweest. Naar het oordeel van het Hof kan niet worden gezegd dat belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om tijdig te betalen. Zij had met betrekking tot de betaling ook zelf vinger aan de pols moeten houden.

4.12

Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de coulanceregeling van paragraaf 23, lid 4, van het BBBB, van toepassing is. Deze regeling houdt in dat er geen boete wordt opgelegd in geval de verschuldigde belasting uiterlijk binnen zeven dagen na afloop van de wettelijke betalingstermijn wordt betaald. Belanghebbende heeft in dit kader aangevoerd dat, aangezien rekening moet worden gehouden met de weekend- en feestdagen, bedoelde zevendagentermijn op 9 februari 2017 is geëindigd. Het betoog van belanghebbende faalt. Artikel 19, lid 5, van de AWR, bepaalt dat de Algemene termijnenwet niet van toepassing is op de in het derde lid gestelde termijn van één maand. Aangenomen moet worden dat dit evenzeer heeft te gelden voor de beleidsregels van het BBBB. Dit brengt mee dat, om in aanmerking te komen voor de coulanceregeling, de verschuldigde dividendbelasting uiterlijk 6 februari 2017 had moeten zijn betaald. Nu de verschuldigde dividendbelasting op 7 februari 2017 is betaald, is de coulanceregeling niet van toepassing.

4.13

Belanghebbende betoogt ten slotte dat de boete moet worden gematigd aangezien er sprake is van een zeer beperkte mate van verwijtbaarheid en een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde boete.

4.14

Naar het oordeel van het Hof staat een boete van € 2.941 niet in een evenredige verhouding tot de ernst van de verwijtbare gedraging, zijnde een te late betaling. Het Hof neemt bij zijn oordeel in overweging dat volgens artikel 67c, lid 1, van de AWR, de hoogte van de te laat betaalde belasting niet van belang is voor de hoogte van de op te leggen verzuimboete en dat in dit geval de hoogte van de boete meer dan de helft van het in genoemd artikellid vermelde maximum bedraagt. Weliswaar heeft belanghebbende acht dagen na de wettelijke betalingstermijn betaald, maar de coulanceregeling bepaalt dat er bij een betaling van zeven dagen na de wettelijke betalingstermijn geen boete wordt opgelegd. Gelet op het een en ander, acht het Hof een boete van € 1.500 passend en geboden voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.024 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 512) en € 1.024 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep)  wegingsfactor 1  € 512), ofwel in totaal op € 2.048. Hierbij merkt het Hof nog op dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase omdat daartoe geen verzoek is gedaan (artikel 7:15 van de Awb).

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak op bezwaar,

– vermindert de boetebeschikking tot € 1.500,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.048, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 333 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 508 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. I. Linssen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2019.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 28 mei 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.