Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4527

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
WAHV 200.207.028
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 5 Wahv. Het hof gaat ervan uit dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. De ambtenaar verklaart dat het voertuig stond geparkeerd. Hieruit volgt dat niemand aanwezig was bij het voertuig. De gemachtigde voert aan dat de bestuurder de ambtenaar heeft gezien en/of gesproken. Nu dit niet nader is onderbouwd en uit de verklaring van de ambtenaar niet blijkt dat hij de bestuurder (ook) heeft gezien en/of gesproken, acht het hof niet aannemelijk dat de ambtenaar de bestuurder voorafgaand aan het opleggen van de sanctie heeft gezien en/of gesproken. De ambtenaar mocht met toepassing van artikel 5 Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.207.028

27 mei 2019

CJIB 185955571

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

van 13 december 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.

Op 1 augustus 2017 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 mei 2019 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De zaak is behandeld op de zitting van 13 mei 2019. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen, hetgeen hij op voorhand reeds had aangekondigd. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de kantonrechter onbegrijpelijk is en blijk geeft van vooringenomenheid. Kennelijk had de kantonrechter al beslist dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn toen de beroepsgronden binnenkwamen.

2. Het hof verstaat het dictum van de beslissing van de kantonrechter, waarin het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, als een kennelijke verschrijving. Uit de inhoud van die beslissing blijkt duidelijk dat de kantonrechter de op 31 oktober 2016 ingediende gronden heeft beoordeeld en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond heeft verklaard. Hieraan kan niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van vooringenomenheid. Dit bezwaar treft geen doel.

3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”, welke gedraging zou zijn verricht op
29 oktober 2014 om 10:58 uur op de Nicolaas Tulplaan te Amstelveen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .

4. De gemachtigde voert aan dat de bestuurder de ambtenaar heeft gezien en/of gesproken. Dat betekent dat de ambtenaar de mogelijkheid had de betrokkene staande te houden. Aldus is ten onrechte op kenteken bekeurd.

5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht houdt zakelijk weergegeven onder meer in dat de ambtenaar heeft gezien dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd in (strijd met) een parkeerverbod/parkeerverbodszone, hetgeen werd aangegeven met het bord E1, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

7. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt ontkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof vervolgens te beoordelen of er andere redenen zijn om de sanctie achterwege te laten.

8. Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de sanctie met toepassing van artikel 5 van de Wahv is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. Ingeval dienaangaande een verweer wordt gevoerd, zal de rechter daarop een uitdrukkelijke beslissing dienen te geven en zal hij zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting dienen te vragen (HR 14 maart 2000, VR 2000,148).

9. Het hof gaat in dit geval ervan uit dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de ambtenaar heeft verklaard dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd. Hieruit volgt dat niemand aanwezig was bij het voertuig. De gemachtigde voert aan dat de bestuurder de ambtenaar heeft gezien en/of gesproken. Nu dit niet nader is onderbouwd en uit de verklaring van de ambtenaar niet blijkt dat hij de bestuurder (ook) heeft gezien en/of gesproken, acht het hof niet aannemelijk dat de ambtenaar de bestuurder voorafgaand aan het opleggen van de sanctie heeft gezien en/of gesproken. Daarmee staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan, zodat de ambtenaar terecht met toepassing van artikel 5 van de Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder heeft opgelegd.

10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.