Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4515

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
05-06-2019
Zaaknummer
200.247.378/01 en 200.247.997/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek gezagsbeëindiging ouders. Positie van de raad als procespartij/belanghebbende in plaats van de Staat en eisen waaraan het onderzoek van de raad moet voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.247.378/01 en 200.247.997/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/160133 / FA RK 18-364)

beschikking van 21 mei 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader,

verzoeker in hoger beroep in de zaak 200.247.378/01,

advocaat: mr. M. Erkens te Den Haag,

en

[verzoekster] ,

wonende te [B] ,
verzoekster in hoger beroep in de zaak 200.247.997/01,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.C. Sneper te Rotterdam,

en

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep in beide zaken,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn in beide zaken aangemerkt:

de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI.

[de pleegouders]

,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

* in het hoger beroep onder zaaknummer 200.247.378/01

- het beroepschrift met productie(s) van de vader, ingekomen op 8 oktober 2018;

- het verweerschrift van de raad met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Erkens van 19 november 2018 met productie(s);

* in het hoger beroep onder zaaknummer 200.247.997/01

- het beroepschrift met productie(s) van de moeder, ingekomen op 11 oktober 2018;

- het verweerschrift van de raad met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Sneper van 31 januari 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 maart 2019 plaatsgevonden. De zaken zijn tegelijk en gevoegd behandeld. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, ieder bijgestaan door zijn/haar advocaat. Namens de raad is mevrouw [D] verschenen. Namens de GI is verschenen mevrouw [E] . De pleegouders zijn niet verschenen. Beide advocaten hebben het woord mede gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de vader en de moeder is geboren [in] 2013 te [F] [de minderjarige] (hierna [de minderjarige] ). De ouders waren gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 23 augustus 2013 is [de minderjarige] (als ongeboren vrucht) onder toezicht gesteld van de GI. Hij woonde bij zijn moeder. De moeder en [de minderjarige] zijn van december 2015 tot en met november 2016 opgenomen binnen het Ouder & Kind-traject van [G] (24 uur). Hij is op 9 november 2016 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de pleegouders geplaatst. Beide maatregelen zijn telkens verlengd, voor het laatst tot 23 augustus 2018.

3.3

De moeder heeft twee dochters uit een eerdere relatie. Deze dochters staat sinds 2 februari 2011 onder toezicht (voor de duur van hun minderjarigheid). In 2011 zijn zij bij de oma (moederszijde) gaan wonen en sinds januari 2018 wonen zij bij een meeleefgezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige] beëindigd en de GI benoemd tot voogd. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De moeder is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 juli 2018. De grieven 1 en 2 zien op de (on)mogelijkheden van de moeder om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Grief 3 ziet op de zogenaamde aanvaardbare termijn in dat verband. In de 4e grief werpt de moeder bezwaren op tegen het onderzoek van de raad dat tot het verzoek tot gezagsbeëindiging heeft geleid en klaagt zij over het niet laten verrichten van een nader deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

De moeder verzoekt de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair (naar het hof begrijpt:) het verzoek van de raad alsnog af te wijzen en subsidiair (alsnog) een deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv te gelasten dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof redelijk acht.

4.3

De vader is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 juli

2018. In de 1e grief stelt de vader de zorgvuldigheid (kwaliteit) van het door de raad verrichte onderzoek ter discussie. De grieven 2 en 3 zien op de (on)mogelijkheden van de moeder respectievelijk de vader om voor [de minderjarige] te zorgen en het onderzoek in dat kader, terwijl de vader in grief 4 klaagt over het ontbreken van een onderzoek naar de mogelijkheden van familie van de vader. Met grief 5 komt de vader op tegen het afwijzen van een nader deskundigenonderzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv.

De vader verzoekt de beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair de raad niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek, subsidiair het verzoek af te wijzen en meer subsidiair alsnog een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv te gelasten.

4.4

De raad voert verweer en verzoekt het hoger beroep van de vader en de moeder af te wijzen en de beschikking van de rechtbank van 11 juli 2018 te bekrachtigen.

4.5

De GI voert ter zitting verweer en verzoekt het hoger beroep van de vader en de moeder af te wijzen.

5 De standpunten van belanghebbenden

5.1

De moeder voert kort samengevat aan dat er geen gronden zijn om het gezag over [de minderjarige] te beëindigen. Zij is het niet eens met de conclusie van de raad dat duidelijk is dat zij niet in staat is om [de minderjarige] de verzorging en opvoeding te geven die hij nodig heeft. Zij erkent dat [de minderjarige] op een aantal gebieden extra steun en begeleiding nodig heeft om zich verder te ontwikkelen, en zij is bereid daarbij de vereiste hulp te aanvaarden. De moeder wijst er op dat zij op dit moment hulp heeft van [H] voor zichzelf en haar huishouden. Die hulp zal blijven en kan uitgebreid worden als [de minderjarige] weer thuis komt wonen. De moeder meent dat op die wijze de veiligheid van en goede zorg voor [de minderjarige] voldoende gewaarborgd is. Zij betoogt dat de GI had moet kijken naar deze mogelijkheid. [de minderjarige] is een hechtingsrelatie aangegaan met de pleegouders, maar [de minderjarige] is eerder ook aan moeder gehecht en de omgang met moeder verloopt goed en is om die reden ook uitgebreid. De aanvaardbare termijn om tot terugplaatsing te komen, is voor [de minderjarige] nog niet voorbij. De toets is daarbij 'goed genoeg ouderschap'. De band met de pleegouders kan behouden blijven door middel van een (ruime) omgangsregeling.

Met betrekking tot het door de raad verrichte onderzoek stelt de moeder dat de raad beter had moeten onderzoeken of de vader of grootouders (vaderzijde) voor [de minderjarige] kunnen zorgen. Nu de raad dat niet (goed) heeft gedaan, moet dat alsnog gebeuren en zij bepleit daarom (subsidiair) een nader onderzoek door een deskundige.

5.2

De vader voert kort samengevat aan dat het onderzoek door de raad onzorgvuldig, niet onafhankelijk en objectief en niet volledig is geweest en daardoor onvoldoende dragend kan zijn voor de beslissing om het gezag van de ouders te beëindigen. In het bijzonder zijn niet alle belangen van [de minderjarige] meegewogen in het onderzoek, terwijl er ook onvoldoende is gekeken naar de mogelijkheden die de moeder wel degelijk heeft om met begeleiding van hulpverlening voor [de minderjarige] te zorgen. Hij wijst er daarbij op dat [G] was gericht op een beoordeling van zelfstandig ouderschap, iets wat de moeder niet beoogt. Naar de mogelijkheden van vader en zijn familie om voor [de minderjarige] te zorgen is in het geheel niet gekeken. Er is volgens de vader onevenredig veel gewicht toegekend aan de hechting van [de minderjarige] aan de pleegouders. De vader bepleit tot slot dat de door hem verzochte contra-expertise door een deskundige op ontoereikende gronden is afgewezen waar de rechtbank zich op basis van het raadsrapport kennelijk voldoende voorgelicht heeft geacht terwijl het recht op contra-expertise juist is gegeven om tegenwicht te (kunnen) bieden. Zeker gezien de klachten over het raadsrapport en de onderliggende onderzoeksmethodiek ligt een nader deskundigenonderzoek voor de hand, aldus de vader. De aanvaardbare termijn is voor [de minderjarige] niet verstreken, hij kan zorgvuldig worden doorgeplaatst.

5.3

De raad voert aan dat uitgebreid en zorgvuldig onderzoek is verricht waarbij is voldaan aan de voor dergelijke onderzoeken opgestelde richtlijnen en kwaliteitseisen. Volgens de raad is de moeder niet in staat om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden: de moeder schiet te kort in de aansluiting bij [de minderjarige] , biedt hem onvoldoende duidelijkheid en voorspelbaarheid en daarmee veiligheid, is onvoldoende emotioneel beschikbaar en is weinig sensitief en flexibel. Zij is daarin onvoldoende leerbaar en zal continue aansturing/begeleiding nodig hebben. Dat is voor de hulpverlening niet haalbaar. De vader is inderdaad niet meegenomen in het raadsonderzoek. Hij is sinds het uiteengaan van partijen in mei 2014 niet meer de verzorger en opvoeder van [de minderjarige] , is in eerdere trajecten evenmin meegenomen en zijn situatie/functioneren is niet stabiel. [de minderjarige] is een kwetsbaar jongetje en vraagt meer dan gemiddeld van zijn opvoeders en verzorgers. Hij heeft meer nodig dan de moeder, maar ook de vader hem kan bieden. De raad heeft twijfels over de hechtingsrelatie tussen [de minderjarige] en zijn ouders, maar een breuk in de huidige hechtingsrelatie met pleegouders zal voor [de minderjarige] zeer schadelijk zijn. Zijn toekomstperspectief ligt bij de pleegouders. Het deskundigenonderzoek dat ouders willen, zal niet mede tot beslissing van de zaak kunnen leiden omdat duidelijk is dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] is verstreken. Bovendien zal een dergelijk onderzoek onrust en onduidelijkheid voor [de minderjarige] meebrengen en dat is niet in zijn belang.

5.4

De GI onderschrijft de conclusie van de raad dat de gronden voor de beëindiging van het gezag van ouders aanwezig zijn en dat dit in het zwaarwegende belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin. Daarvoor is wel extra ondersteuning nodig, van de pleegouders en van de hulpverlening. [de minderjarige] gaat inmiddels naar een speciale school en heeft speltherapie. De omgang met de ouders verloopt goed en is op advies van Behandel Expertise Centra, Jeugdhulp Friesland uitgebreid. De GI is ook verder tevreden over de samenwerking met de ouders hoewel deze graag willen dat [de minderjarige] weer thuis (bij de moeder) gaat wonen.

6 De motivering van de beslissing

6.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

6.2

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

6.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

* de positie van de raad

6.4

Het hof merkt op dat de vader in zijn beroepschrift een opmerking heeft gemaakt over de positie van de raad die door het hof als de oorspronkelijk verzoekende partij in hoger beroep als belanghebbende (verweerder) is aangemerkt. De vader heeft ter zitting bevestigd dat deze opmerking niet bedoeld is als grief. In dat licht volstaat het hof met de volgende korte overweging. De raad is een onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de raad oefent zijn taken formeel uit namens de minister, zoals ook is verwoord in artikel 1:238 lid 2 BW. Dit leidt evenwel niet tot de conclusie dat niet de raad maar de Staat als belanghebbende moet worden aangemerkt in onderhavige procedure. In genoemd artikel is opgenomen dat de taken en bevoegdheden van de raad worden bepaald door de wet (in formele zin). De raad is ook (bij wet) een zelfstandige positie toegekend in (een aantal specifieke) rechtsgedingen. In gevallen als de onderhavige, waar het gaat om een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders, is aan de raad in artikel 1:267 BW de bevoegdheid gegeven om een rechterlijke beslissing gericht op de bescherming van een kind uit te lokken. Er is dan ook geen reden om niet de raad als belanghebbende aan te merken.

* het raadsonderzoek

6.5

Op grond van artikel 3.1 Jeugdwet onderzoekt de raad de noodzaak tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel. Wat betreft de eisen waaraan het onderzoek van de raad moet voldoen, geldt geen andere maatstaf dan die welke geldt voor het onderzoek van een deskundige die door de rechter op de voet van artikel 198 Rv wordt benoemd. De raad dient de hem opgedragen taak dan ook naar beste weten te volbrengen. Daarbij moet de raad zich, uit hoofde van zijn taak, steeds laten leiden door het belang van het kind op wie zijn onderzoek betrekking heeft. Aan een door de rechter ingeschakelde deskundige dient de nodige vrijheid en zelfstandigheid te worden gelaten om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten. In lijn daarmee is het aan de raad, als deskundige bij uitstek op het gebied van kinderbescherming, om te bepalen hoe hij zijn onderzoeken inricht en de daarop betrekking hebbende rapportages vormgeeft. De raad heeft daarvoor richtlijnen en kwaliteitseisen opgesteld. In het licht van de vrijheid die de raad als deskundige toekomt, is een onderzoek niet onzorgvuldig op de enkele grond dat dit ook op andere wijze, of met meer of andere middelen had kunnen worden uitgevoerd.

6.6

Gesteld noch gebleken is dat het onderzoek en de rapportage van de raad niet volgens de eigen richtlijnen en kwaliteitseisen is verricht respectievelijk is vormgegeven. In dat licht merkt het hof op dat de raad in zijn rapport heeft opgenomen welke stukken in het onderzoek zijn betrokken en wie als informanten/betrokken bij [de minderjarige] , het pleeggezin en de ouders zijn geraadpleegd. Blijkens het rapport zijn de benaderde informanten akkoord gegaan met het gebruik van de door hen verstrekte informatie. Met deze verantwoording kan worden uitgegaan van de juistheid en volledigheid daarvan in de context van het onderzoek. Het hof ziet zich daarin bevestigd in het eindverslag van [G] waarover het hof ook beschikt en waaraan de raad belangrijke conclusies heeft ontleend over de opvoedingsvaardigheden van de moeder.

6.7

Het hof onderschrijft in het bijzonder niet de klacht er dat de onderzoeksvragen en de beantwoording daarvan onvoldoende zijn gericht op (de samenhang van) de verschillende elementen van het wettelijke criterium dat de grond is voor de beëindiging van het gezag. De vader kan worden toegegeven dat de beide onderzoeksvragen (I en II) algemeen geformuleerd zijn, maar uit afwegingen van de raad (die op basis van de tijdens het onderzoek verkregen informatie zijn verricht en die gericht zijn op beantwoording van de vragen) blijkt dat wel degelijk is gekeken naar de bedreiging(en) in de ontwikkeling van [de minderjarige] en wat nodig is om deze bedreiging(en) weg te nemen, naar de (on)mogelijkheden van de ouders om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer zelfstandig ter hand te nemen en wat hiervoor nodig en mogelijk is, ook qua hulpverlening. Dat de afwegingen binnen de (beantwoording van de) onderzoeksvragen - en daarmee de focus van het onderzoek - zich in het bijzonder toespitsen op de kwestie van de zogeheten 'aanvaardbare termijn’, is in het licht van het doel en de strekking van het onderzoek en rapportage verder niet onlogisch. Het onderzoek en de rapportage is immers specifiek gericht op de vraag of er grond is voor beëindiging van het gezag van de ouders. Het onderscheidend criterium tussen de ondertoezichtstelling (en uithuisplaatsing) aan de ene zijde en de beëindiging van het gezag aan de andere zijde is juist gelegen in het al dan niet verstreken zijn van de zogeheten aanvaardbare termijn, een en ander telkens in het bijzonder bezien in het licht van de persoon en de ontwikkeling van de betrokken minderjarige. Daarmee is echter niet gegeven dat de raad zich met de vraagstelling en de beantwoording daarvan heeft laten leiden door de uitkomst en daarmee vooringenomen is geweest en dat de raad zijn onderzoek niet onafhankelijk, onpartijdig en objectief heeft verricht.

6.8

Bovendien is het de rechter die de vraag beoordeelt of in het specifieke geval een grond voor de beëindiging van het gezag aanwezig is en het is de rechter die beslist of het gezag inderdaad moet worden beëindigd. Hoewel de vader kan worden toegegeven dat het raadsrapport, juist vanwege de deskundigheid van de raad, een belangrijke bron van informatie is - in de praktijk heeft het rapport en advies van de raad grote invloed op de beslissing van de rechter - is het niet de enige informatiebron. Het hof wordt in deze ook geïnformeerd door de GI en de ouders die hun bedenkingen tegen het raadsrapport kenbaar kunnen maken dan wel bevindingen uit het rapport in twijfel kunnen trekken, al dan niet voorzien van onderbouwende stukken. Verder heeft de rechter de mogelijkheid om ambtshalve een onderzoek door een deskundige te gelasten in het geval hij zich onvoldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen dan wel op verzoek van de (gezags)ouder(s) een tegenonderzoek door een deskundige te gelasten.

6.9

Alles in ogenschouw nemende acht het hof het onderzoek en de rapportage van de raad, voldoende zorgvuldig vormgegeven en tot stand gekomen en kwalitatief voldoende. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het raadsrapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek van de raad te passeren, waarbij het hof aantekent dat bij een gebrekkig c.q. ondeugdelijk onderzoek en/of rapportage een afwijzing van het verzoek eerder voor de hand ligt dan de door de vader bepleite niet-ontvankelijkheid.

* de inhoudelijke beoordeling

6.10

Het hof is evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en na eigen weging tot de zijne maakt, van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 1:266 BW. Anders dan de ouders stellen, is niet alleen gedurende de ondertoezichtstelling maar ook met het oog op een mogelijke beëindiging van de gezag van de ouders voldoende onderzocht of terugkeer van [de minderjarige] naar (het gezin van) de moeder een mogelijkheid is (geweest) en welke ondersteuning en begeleiding daarvoor nodig is (geweest).

6.11

Het hof stelt voorop dat al jaren ernstige zorgen bestaan over de ontoereikende opvoedingsvaardigheden van de moeder en haar leerbaarheid. De moeder heeft met [de minderjarige] in 2016, voorafgaand aan de uithuisplaatsing, deelgenomen aan het Ouder & Kind-traject bij [G] . Dit is een langdurig en intensief hulpverleningstraject geweest waarbij aan de moeder, na hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling van eerdere kinderen van de moeder en ook de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] , een laatste kans is geboden om te laten zien dat zij over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikt. De opname bij [G] , en de in dat kader geboden ondersteuning, heeft echter niet geleid tot een structurele verbetering van de opvoedingsvaardigheden van de moeder. De ouders hebben er terecht op gewezen dat de moeder van goede wil is en voldoende inzet heeft getoond en dat zij, met coaching van [G] , er in is geslaagd om de dagstructuur en haar huishouding iets beter vorm te geven. Evenzeer is echter duidelijk dat dat ten aanzien van de verzorging- en opvoedingssituatie van [de minderjarige] onvoldoende is gelukt. Het hof onderkent dat de moeder ook in haar opvoedingsvaardigheden stapjes heeft gezet maar dat is onvoldoende geweest om de ontwikkeling van [de minderjarige] bij te houden zodat zij hem niet heeft kunnen bieden wat hij op dat moment, gezien zijn ontwikkelingstaken, nodig heeft gehad.

6.12

Uit het verslag van [G] over de periode van 12 januari 2016 tot en met 19 juli 2016 (eindevaluatie) blijkt dat de moeder onvoldoende inzicht heeft getoond in de belangen van [de minderjarige] en onvoldoende vaardigheden heeft om aan te sluiten bij zijn behoeften. Zij handelde vooral vanuit haar eigen belangen en toonde onvoldoende zelfreflectie. Zij was (daardoor) onvoldoende in staat om [de minderjarige] te stimuleren in zijn ontwikkeling en hem duidelijkheid en een voorspelbare leefomgeving te bieden. De moeder is hierin onvoldoende leerbaar gebleken in die zin dat haar handelingen op instructieniveau zijn gebleven (met hulp en coaching kan zij de adviezen uitvoeren) en niet eigen zijn geworden (adviezen worden niet gegeneraliseerd en aangeleerde vaardigheden beklijven niet). Voor het hof is duidelijk dat de moeder zelfs tijdens de langdurige en intensieve opname bij [G] niet heeft kunnen komen tot 'goed genoeg ouderschap' en dat de pedagogische onmacht van de moeder vooral samenhangt met haar cognitieve beperkingen en de mede daaruit voortvloeiende eigen problematiek. Voor het hof staat dan ook voldoende vast dat de moeder niet in staat is, ook niet met hulp, om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (op afzienbare termijn) op zich te nemen.

6.13

De moeder heeft na het einde van het traject bij [G] hulp gezocht bij [H] waar zij sinds inmiddels geruime tijd woont. Duidelijk is dat de moeder mede door haar cognitieve beperkingen langdurig aangewezen zal zijn op (woon)begeleiding. Uit de informatie van [H] komt naar voren dat de moeder voor het op orde houden van haar huishouding blijvend begeleiding en sturing nodig heeft. Dit komt overeen met de bevindingen van [G] . [H] heeft verder in algemene bewoordingen gesteld dat meer hulp kan worden ingezet, ook gericht op een thuisplaatsing van [de minderjarige] . [H] biedt daarbij begeleiding in de vorm van nabijheid die daarbij 24 uur bereikbaar en oproepbaar is. Uit het verslag van [G] volgt evenwel dat de moeder met intensieve pedagogische 24-uurs begeleiding binnen [G] niet heeft kunnen komen tot ‘goed genoeg ouderschap’ en niet aannemelijk is dat [H] daartoe wel in staat zal zijn. Het hof ziet dit niet als reële optie.

6.14

Nog daargelaten de vraag of de moeder op termijn al dan niet in staat is om [de minderjarige] te verzorgen en op te voeden, al dan niet in de vorm van een begeleid ouderschap zoals de vader voor ogen staat - en los van de praktische concrete invulling van hulpverlening die dagelijks en jarenlang nodig zal zijn in de thuissituatie van de moeder, en ook los van de vraag wat een dergelijk begeleid ouderschap voor de ontwikkeling van [de minderjarige] zal betekenen - is het hof van oordeel dat voor [de minderjarige] de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing bij de moeder, mede gelet op zijn jonge leeftijd, inmiddels is verstreken. [de minderjarige] is een kwetsbaar jongetje en functioneert op moeilijk lerend niveau. Hij heeft een belaste voorgeschiedenis waarin door de onmacht van de moeder onvoldoende aan zijn basisbehoeften tegemoet is gekomen (zorg, veiligheid, stabiliteit, voorspelbaarheid, affectie) terwijl ook sprake is van een aangeboren taalontwikkelingsstoornis. Hierdoor heeft [de minderjarige] meer dan zijn gemiddelde leeftijdgenoten zorg, aandacht, structuur en veiligheid nodig om zich, naar zijn mogelijkheden, te ontwikkelen. Hij woont vanaf zijn peutertijd, en inmiddels al 2,5 jaar bij zijn pleegouders, is daar gehecht en ontwikkelt zich - met inzet van de pleegouders en professionele hulpverlening - naar behoren. Het hof is van oordeel dat het in zijn zwaarwegende belang is om nu rust en stabiliteit te creëren door vast te leggen dat zijn perspectief in het pleeggezin ligt en niet meer bij de moeder thuis. [de minderjarige] dient hierover duidelijkheid te worden geboden. Ook de ouders, die de begrijpelijke wens hebben dat [de minderjarige] toch weer thuis zal komen wonen en uitingen van [de minderjarige] tijdens de omgangscontacten zien als invulling van die wens, zijn gebaat bij deze duidelijkheid.

6.15

Alles afwegende is het hof van oordeel dat het gezag van de ouders dient te worden beëindigd. Het hof spreekt de hoop uit dat met de beëindiging van het gezag van de ouders en het creëren van duidelijkheid over het perspectief van [de minderjarige] op (korte) termijn ruimte kan ontstaan voor het optimaliseren van de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders. Het hof onderkent dat het in het belang van [de minderjarige] , en in het bijzonder zijn afstemmingsidentiteit, is om contact te houden met zijn ouders. Daar zullen zowel de GI als de ouders, indien nodig met ondersteuning en begeleiding, zich moeten inzetten waarbij het belang van [de minderjarige] telkens een eerste overweging vormt.

* geen grond voor nader onderzoek

6.16

Op grond van artikel 810a lid 2 Rv benoemt de rechter in zaken betreffende onder meer de beëindiging van het ouderlijk gezag, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de raad in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken. Dit artikel brengt mee dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel moet worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

6.17

Het hof wijst, evenals de rechtbank, het verzoek tot benoeming van een deskundige als bedoeld in artikel 810a Rv - welke onderzoek zich zou moeten richten op mogelijkheden van de moeder en/of de vader en/of grootouders (vaderszijde) om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen - af.

6.18

Naar het oordeel van het hof kunnen de uitkomsten van een eventueel nader onderzoek naar, kort gezegd, de opvoedvaardigheden van de moeder niet leiden tot een andere beslissing in deze zaak. Zoals hiervoor overwogen, is het in het zwaarwegende belang van [de minderjarige] dat nu duidelijkheid wordt gegeven over zijn opvoedingsperspectief.

6.19

Zowel de vader als de moeder vragen in hoger beroep in dit kader aandacht voor het ontbreken van een deugdelijk onderzoek naar de mogelijkheden van de vader dan wel de mogelijkheden van de grootouders vaderszijde om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , al dan niet met de nodige professionele begeleiding, op zich te nemen. Beiden betogen dat door een gebrek aan onderzoek op dit punt en daarmee inzicht in de mogelijkheden, niet kan worden overgegaan tot het beëindigen van (ook) het gezag van de vader.

6.20

In het licht van de hiervoor geschetste zwaarwegende belangen van [de minderjarige] acht het hof ook op dit punt een nader onderzoek (al dan niet in de vorm van een contra-expertise in de zin van artikel 810a Rv) niet aan de orde. Een onderzoek naar de vraag in hoeverre de vader (en/of de grootouders vaderszijde) al dan niet (op termijn) in staat zal (zullen) zijn om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen en wat daarvoor aan hulpverlening nodig is, zal de nodige tijd vergen. Dat zal de onduidelijkheid voor [de minderjarige] (en de pleegouders) over zijn perspectief in stand houden in een situatie waarin het hof, zoals hiervoor overwogen, de aanvaardbare termijn verstreken acht.

* de conclusie

6.21

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het zwaarwegende belang van [de minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

7 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in het hoger beroep van de vader onder zaaknummer 200.247.378/01 en van de moeder onder zaaknummer 200.247.997/01:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 juli 2018;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en mr. M.A.L.M. Willems, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 21 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.