Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4494

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-05-2019
Datum publicatie
28-05-2019
Zaaknummer
21-002689-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1994, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op het naaktstrand foto’s gemaakt van (jonge) kinderen en daarbij meerdere malen ingezoomd op de geslachtsdelen van die kinderen of daar later uitsneden van gemaakt. Veroordeling voor het vervaardigen en het in bezit hebben van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal gedurende een langere periode. Tussen de desbetreffende afbeeldingen bestaat een zodanige samenhang wat betreft inhoudelijke kenmerken en de wijze van totstandkoming dat vanwege dit onderlinge verband de hele serie als kinderpornografisch moet worden aangemerkt. In de omstandigheden dat er bij de vervaardiging van de afbeeldingen geen sprake is geweest van daadwerkelijk misbruik van de gefotografeerde kinderen en dat verdachte de foto’s enkel voor eigen doeleinden heeft gemaakt, ziet het hof aanleiding van de binnen de rechtspraak georiënteerde oriëntatiepunten voor het vervaardigen van kinderporno ten gunste van de verdachte af te wijken. Het hof houdt voorts rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002689-18

Uitspraak d.d.: 13 mei 2019

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 30 april 2018 met parketnummer 05-740290-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. J.J. Roossien, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat in hoger beroep de tenlastelegging is gewijzigd en het (mede daardoor) tot een andere bewezenverklaring komt en voorts omdat het hof tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep- ten laste gelegd dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2016 te Arnhem en/of te Voorst, in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, afbeeldingen, te weten foto’s en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten drie SD-geheugenkaarten, acht USB-sticks en een laptop, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij telkens iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt is betrokken of schijnbaar is betrokken,

in bezit heeft gehad en/of heeft vervaardigd

zijnde telkens afbeeldingen van

een of meer geheel of gedeeltelijk naakte minderjarige meisjes, waaronder de geheel of gedeeltelijk naakte [slachtoffer] (geboortedatum [2002] ), waarbij (telkens) door de uitsnede van de afbeelding(en) of het gekozen camerapunt nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen van het betreffende minderjarige meisje in beeld zijn gebracht en waarbij de afbeelding(en) aldus (telkens) een onmiskenbare seksuele strekking heeft/hebben en/of strekt tot seksuele prikkeling (fotonummer 1 tot en met 23)

van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;


2:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 26 juli 2016 te Arnhem, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid hennep, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 546 hennepplanten, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:
hij in de periode van 1 juni 2015 tot 1 mei 2016 te Arnhem, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meerdere hoeveelheden hennep, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 28 juli 2016 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres] , heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan energiebedrijf Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking (verbreking (verzegeling) meterkast).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte en diens raadsman hebben bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de door de verdachte gemaakte afbeeldingen niet aangemerkt kunnen worden als kinderporno in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte heeft bekend de feiten 2, 3 en 4 te hebben gepleegd.

Feit 1

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1. tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.1 Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist. Het hof zal de overwegingen van de rechtbank grotendeels overnemen. Het hof overweegt aldus – met de rechtbank – als volgt (waarbij in de cursief weergegeven passages hieronder steeds hof dient te worden gelezen waar rechtbank staat, waarbij eventuele wijzigingen in de overwegingen niet-cursief worden geschreven en waarbij een enkel onderdeel van de overwegingen van de rechtbank – voor zover dat naar het oordeel van het hof gezien de nieuwe tenlastelegging in hoger beroep niet meer relevant is – wordt weggelaten):

Op 26 juli 2016 is verdachte aangehouden op het naaktstrand in Bussloo omdat hij heimelijk foto’s had gemaakt van een naakt, 14 jarig meisje. 2 Bij verdachte heeft vervolgens een huiszoeking plaatsgevonden. Bij die huiszoeking zijn gegevensdragers aangetroffen 3 en een hennepkwekerij. 4

Op de SD kaart uit de camera die verdachte op 26 juli 2016 op het naaktstrand in Bussloo had gebruikt, zijn tientallen afbeeldingen aangetroffen van een 14 jarig meisje. Bij in ieder geval vijf van deze afbeeldingen was er ingezoomd op het geslachtsdeel van het meisje. Het gezicht van het meisje was op deze afbeeldingen niet te zien. 5

Op een aantal bij de huiszoeking aangetroffen gegevensdragers zijn ruim vijfduizend afbeeldingen gevonden van, veelal naakte, meisjes met een geschatte leeftijd van 6 tot 14 jaar. Daarbij gaat het om circa zestienhonderd unieke afbeeldingen. De overige afbeeldingen zijn (al dan niet gesneden) kopieën van deze laatstgemelde zestienhonderd afbeeldingen. Verdachte heeft verklaard dat hij deze afbeeldingen in de afgelopen zes jaar heeft gemaakt. Verdachte maakte deze afbeeldingen steeds heimelijk, zonder medeweten of toestemming van de betreffende kinderen of hun ouders of wettelijke vertegenwoordigers. 6 Twintig van de aangetroffen afbeeldingen zijn beschreven door een zedenrechercheur van het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme. Bij de afbeeldingen die zijn beschreven is er veelal bij het maken van de afbeelding ingezoomd op de billen en/of de vagina van het betreffende meisje. 7

De rechtbank dient te beoordelen of de afbeeldingen die de verdachte heeft vervaardigd en/of in zijn bezit heeft gehad kinderpornografisch zijn in de zin van artikel 240b Wetboek van Strafrecht. De rechtbank acht het, in het licht van het door de verdediging ingenomen strandpunt dat de betreffende afbeeldingen niet te kwalificeren zijn als kinderpornografisch, noodzakelijk het juridisch kader uiteen te zetten.

De definitie van kinderpornografie

Blijkens artikel 240b Wetboek van Strafrecht is strafbaar het bezitten of vervaardigen van

een afbeelding – of een gegevensdrager bevattende een afbeelding – van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 7 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO6446) ten aanzien van de toepassing van artikel 240b Wetboek van Strafrecht als volgt overwogen:

3.3. […]

aangenomen [moet worden] dat art. 240b Sr vooreerst ziet op een afbeelding van een gedraging van expliciet seksuele aard, zoals die aan de hand van de afbeelding zelf kan worden vastgesteld, waaronder begrepen het op zinnenprikkelende wijze tonen van de geslachtsdelen of de schaamstreek. Het gaat hierbij om een gedraging die reeds door haar karakter strekt tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Voorts ziet art. 240b Sr op een afbeelding die weliswaar niet een gedraging van expliciet seksuele aard in de hiervoor aangegeven zin toont, maar die, gelet op de wijze waarop zij is totstandgekomen eveneens strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Hierbij kan het gaan om een afbeelding van iemand in een houding of een omgeving die weliswaar op zichzelf of in andere omstandigheden ‘onschuldig’ zou kunnen zijn, maar die in het concrete geval een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.

Voorts heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 juni 2014 (ECLI:NL:HR:2014:1359) het volgende overwogen:

3.5.

Het hof heeft – in lijn met hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld – geoordeeld dat de in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen van de geslachtsdelen van de minderjarige jongen, mede gelet op de wijze waarop zij zijn totstandgekomen – naar in zijn overwegingen besloten ligt – onmiskenbaar strekken tot het opwekken van seksuele prikkeling. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte de focus van de camera, waarmee de afbeeldingen zijn vervaardigd, (nagenoeg) op de hoogte van de geslachtsdelen van de minderjarige jongen heeft afgesteld, hij de jongen vervolgens heeft opgedragen zich te gaan douchen waarbij filmopnames zijn gemaakt van de ontblote geslachtsdelen van de jongen en hij de filmpjes vervolgens op zijn computer heeft overgebracht en bekeken. Gelet hierop is evenmin onbegrijpelijk

’s Hofs kennelijke oordeel dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de pose waarin de jongen in de gegeven omstandigheden voor de camera heeft gestaan.

In dit kader slaat de rechtbank ook acht op Richtlijn 2011/92/EU (verder de richtlijn), waarvan artikel 2, onder (c) kinderpornografie definieert als:

i. alle materiaal dat de visuele weergave behelst van een kind dat deelneemt aan echte of gesimuleerde expliciete seksuele handelingen;

elke weergave voor primair seksuele doeleinden van de geslachtsorganen van een kind;

[…]

De rechtbank verwijst voorts naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie waarin de nationale rechter wordt opgedragen het nationale recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken (HvJ EG 10 april 1984, 14/83 ECLI:EU:C:1984:153 (Von Colson en Kamann), HvJ EG 13 november 1990, 106/89, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing)).

Deze verplichting vindt evenwel haar begrenzing in de algemene rechtsbeginselen die deel uitmaken van het gemeenschapsrecht, en met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht (HvJ EG 8 oktober 1987, 80/86, ECLI:EU:C:1987:431 (Kolpinghuis)). Dit betekent dat richtlijnconforme interpretatie niet ertoe mag leiden dat de strafwet ten nadele van de verdachte wordt uitgebreid (HvJ EG 12 december 1996, C-74/95 en C-129-95, ECLI:EU:C:1996:491 (Procura della Repubblica/X)).

Verder heeft het hof van Justitie bepaald dat het beginsel van de richtlijnconforme uitlegging in het bijzonder door de nationale rechter dient te worden toegepast, wanneer de nationale wetgever heeft geoordeeld dat de van vóór de betrokken richtlijn daterende bepalingen van zijn nationale recht voldeden aan de vereisten van die richtlijn (HvJ EG 16 december 1993, C-334/92, ECLI:EU:C:1993:945 (Wagner Miret)).

Bij de parlementaire behandeling van de implementatie van de richtlijn 2011/93/EU heeft de Minister van Veiligheid en Justitie in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2012/13, 33 580, nr.3, p.7-8.) overwogen (met verwijzing naar het hierboven genoemde arrest van de Hoge Raad van 7 december 2010):

dat de betekenis die in de jurisprudentie van de Hoge Raad aan het begrip «seksuele gedraging» wordt gegeven, aansluit bij de definitie van kinderpornografie uit artikel 2, onder (c), van de richtlijn en dat de bestaande delictsomschrijving in artikel 240b Sr de bescherming biedt die de richtlijn beoogd te bieden.

In verband daarmee heeft de wetgever het niet noodzakelijk geacht de definitie van kinderpornografie uit artikel 2, onder (c), van de Richtlijn expliciet op te nemen in artikel 240b Wetboek van Strafrecht. Hierover heeft de Minister van Veiligheid en Justitie nog het volgende opgemerkt:

Daarmee is voldoende ruimte voor een verdere ontwikkeling van de jurisprudentie verzekerd, waarbij een richtlijn conforme interpretatie van artikel 240b Sr toepassing zal kunnen vinden.

Het voorgaande biedt de volgende drie uitgangspunten. In de eerste plaats heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 7 december 2010 en 6 juni 2014 duidelijk gemaakt dat de definitie van kinderpornografie als bedoeld in artikel 240b Wetboek van Strafrecht verder strekt dan afbeeldingen van gedragingen van expliciet seksuele aard. Ook indien er geen sprake is van een expliciet seksuele gedraging, kan er sprake zijn van kinderpornografie. Dat is het geval wanneer de foto, mede (toevoeging hof) gezien de wijze waarop deze tot stand is gekomen, strekt tot het opwekken van seksuele prikkeling. Daarbij noemt de Hoge Raad bij wijze van voorbeeld (en dus niet limitatief) een afbeelding van iemand in een houding of omgeving of vanuit een camerastandpunt waardoor in het concrete geval de afbeelding een onmiskenbaar seksuele strekking heeft.

In de tweede plaats geldt dat de Europese wetgever in artikel 2, onder (c) van de Richtlijn expliciet heeft aangegeven dat naast afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij minderjarige zijn betrokken ook afbeeldingen van de geslachtsorganen van kinderen voor primair seksuele doeleinden onder de definitie van kinderpornografie vallen.

Ten derde concludeert de rechtbank dat zij, in het licht van haar verplichting de nationale wet richtlijnconform te interpreteren, gehouden is de door de Richtlijn gegeven definitie van kinderpornografie toe te passen, te meer nu de wetgever zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 240b Wetboek van Strafrecht de door de Richtlijn gegeven definitie omvat.

Daarmee wordt naar oordeel van de rechtbank het beginsel van rechtszekerheid geen geweld aangedaan, nu de Hoge Raad reeds heeft aangegeven dat artikel 240b Wetboek van Strafrecht niet enkel strafbaar stelt de afbeeldingen van gedragingen van expliciet seksuele aard, maar ook afbeeldingen die, mede (toevoeging hof) gezien de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, onmiskenbaar strekken tot het opwekken van seksuele prikkeling.

Deze uitgangspunten brengen de rechtbank tot de conclusie dat artikel 240b Wetboek van Strafrecht mede omvat elke weergave voor primair seksuele doeleinden van de geslachtsorganen van een kind, zoals beoogd door de Richtlijn.

Primair seksuele doeleinden

Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag of de afbeeldingen die door verdachte zijn gemaakt te kwalificeren zijn als afbeeldingen voor primair seksuele doeleinden. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij deze afbeeldingen enkel uit esthetische overwegingen heeft gemaakt, bekeken en bewaard en dat deze bij hem geen seksuele gevoelens teweeg brengen. Of deze verklaring van de verdachte op waarheid berust kan in het midden blijven. Het effect van de betreffende afbeeldingen op verdachte is niet bepalend voor de vraag of de afbeeldingen voor primair seksuele doeleinden zijn gemaakt. Het bezit, de verspreiding en de vervaardiging van kinderporno zijn strafbaar, ook indien de pleger zelf daarvan niet seksueel opgewonden raakt. De strafbaarheid van dergelijke afbeeldingen kan derhalve niet worden afgeleid uit de intentie van verdachte maar dient te worden beoordeeld aan de hand van de afbeeldingen zelf.

De toevoeging “voor primair seksuele doeleinden” aan de definitie van kinderpornografische afbeeldingen strekt ertoe te voorkomen dat foto’s van naakte kinderen die worden gemaakt voor bonafide (bijvoorbeeld) wetenschappelijke, medische of artistieke doeleinden onder de strafbaarstelling van artikel 240b Wetboek van Strafrecht vallen (zie Handbook for parliamentarians, Lanzarote Convention, 2011). Mede gezien het met de strafbaarstelling te beschermen belang, te weten het waarborgen van de persoonlijke levenssfeer en de seksuele integriteit van minderjarigen, is de rechtbank van oordeel dat de aanwezigheid van dergelijke bonafide doeleinden niet snel mag worden aangenomen en door verdachte aannemelijk moet worden gemaakt. Daartoe is in ieder geval niet voldoende dat verdachte aanvoert dat hij de betreffende afbeeldingen esthetisch gezien mooi vindt maar niet seksueel prikkelend.

Conclusie

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door verdachte gemaakte afbeeldingen, voor zover daarin de geslachtsdelen van minderjarigen zichtbaar zijn, aangemerkt dienen te worden als kinderpornografisch en dus strafbaar uit hoofde van artikel 240b Wetboek van Strafrecht. Deze kwalificatie beperkt zich niet enkel tot die afbeeldingen waarin specifiek is ingezoomd op de geslachtsdelen van de betreffende minderjarigen, welke afbeeldingen naar oordeel van de rechtbank in het licht van het voorgaande onmiskenbaar moeten worden aangemerkt als te zijn gemaakt voor seksuele doeleinden. Eveneens strafbaar zijn de andere afbeeldingen waarin de geslachtsdelen van de betreffende kinderen zichtbaar zijn, aangezien er steeds sprake is geweest van het maken van meerdere afbeeldingen van de betreffende kinderen in één sessie. 8 Dit betekent dat tussen de desbetreffende afbeeldingen een zodanige samenhang bestaat wat betreft inhoudelijke kenmerken en de wijze van totstandkoming dat vanwege dit onderlinge verband de hele serie als kinderpornografisch moet worden aangemerkt (HR 7 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6446, r.o. 5.4).

Uit het dossier maakt de rechtbank op dat het om meerdere afbeeldingen gaat en verdachte zelf heeft ter zitting verklaard dat ongeveer de helft van de (circa 1.600) door hem gemaakte afbeeldingen naakte kinderen betrof. 9 Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat het in ieder geval om een grote hoeveelheid afbeeldingen gaat. Gezien de hoeveelheid en de periode waarover de verdachte heeft verklaard deze foto’s te hebben gemaakt (6 tot 7 jaar) heeft verdachte hiervan een gewoonte gemaakt.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is weergegeven, acht het hof – evenals de rechtbank – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

Feiten 2, 3 en 4

Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 4 is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

  • -

    proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, [verbalisant 4] , p. 158;

  • -

    proces-verbaal verhoor verdachte, p. 44;

  • -

    proces-verbaal van aangifte Liander, p. 191;

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 16 april 2018;

  • -

    de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 29 april 2019.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 juli 2016 te Arnhem en/of te Voorst, in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, afbeeldingen, te weten foto’s en/of gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten drie SD-geheugenkaarten, acht USB-sticks en een laptop, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij telkens iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt is, betrokken of schijnbaar is betrokken,

in bezit heeft gehad en/of heeft vervaardigd

zijnde telkens afbeeldingen van

een of meer geheel of gedeeltelijk naakte minderjarige meisjes, waaronder de geheel of gedeeltelijk naakte [slachtoffer] (geboortedatum [2002] ), waarbij (telkens) door de uitsnede van de afbeelding(en) of het gekozen camerapunt nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen van het betreffende minderjarige meisje in beeld zijn gebracht en waarbij de afbeelding(en) aldus (telkens) een onmiskenbare seksuele strekking heeft/hebben en/of strekt tot seksuele prikkeling (fotonummer 1 tot en met 23)

van welk misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;


2:
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2016 tot en met 26 juli 2016 te Arnhem, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, in ieder geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid hennep, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten 546 hennepplanten, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3:
hij in de periode van 1 juni 2015 tot 1 mei 2016 te Arnhem, opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meerdere hoeveelheden hennep, als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, zijnde hennep, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

4:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2015 tot en met 28 juli 2016 te Arnhem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning aan de [adres] , heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan energiebedrijf Liander, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking (verbreking (verzegeling) meterkast).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

een afbeelding of een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen en/of in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

In de rapportage Pro Justitia d.d. 25 oktober 2016 wordt door psycholoog J.P.M van der Leeuw beschreven dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde onder 1 leed aan een ziekelijk stoornis (en mogelijk gebrekkige ontwikkeling) van de geestvermogens. Er was sprake van een waanstoornis, parafilie NAO en cannabisafhankelijkheid en mogelijk van een schizoïde persoonlijkheidsstoornis. Volgens Van der Leeuw werd verdachte op grond van zijn psychopathologie gekenmerkt door maatschappelijke en emotionele vervreemding en gedeeltelijk verlies van realiteitsbesef waarbij eigen gedrag en fantasieën niet meer voldoende getoetst of geremd worden door vigerende normen en waarden. Verdachte heeft zich verloren in aberrante seksuele bezigheden die hij zelf vanuit zijn verwrongen perceptie kleurt als esthetische operaties. Van der Leeuw concludeert dat verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te achten is, gemeten met de driepuntschaal.

Het hof kan zich in voornoemde bevindingen vinden en zal verdachte het onder 1 ten laste gelegde om die reden in verminderde mate toerekenen.

Verdachte is overigens strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Het hof zal bij de straftoemeting rekening houden met de verminderde toerekening.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft gedurende een langere periode een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal vervaardigd en in bezit gehad. Hoewel geen sprake is van ‘hands on’-kindermisbruik op die afbeeldingen, is het bezit en het vervaardigen van dergelijk beeldmateriaal onaanvaardbaar. Het is hoe dan ook verboden en verwerpelijk afbeeldingen van geheel of gedeeltelijk naakte, onschuldige en hulpeloze (jonge) kinderen en in het bijzonder van hun geslachtsdelen te maken en in bezit te hebben. Verdachte heeft met het maken van deze foto’s ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de afgebeelde (jonge) kinderen, door foto’s te maken terwijl zij nietsvermoedend en veelal in het bijzijn van hun ouders naakt op het strand – of elders – aan het spelen waren. Dat verdachte daarbij meerdere malen heeft ingezoomd op de geslachtsdelen van die kinderen of later uitsneden heeft gemaakt van die afbeeldingen waarop dan nog voornamelijk hun geslachtsdelen te zien waren, maakt de inbreuk des te ernstiger. Uit het feit dat verdachte de foto’s stiekem maakte en de afbeeldingen thuis verstopte en – naar eigen zeggen – ‘voor anderen onbereikbaar maakte om de integriteit van de kinderen tegen inbreuken van anderen te beschermen’, blijkt dat verdachte zich ervan bewust was dat zijn gedrag niet acceptabel was. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Bij de strafoplegging heeft het hof de binnen de rechtspraak georiënteerde oriëntatiepunten voor het vervaardigen van kinderporno in aanmerking genomen. Volgens die oriëntatiepunten is voor het vervaardigen van kinderporno oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren in beginsel passend.

In de omstandigheden dat er bij de vervaardiging van de afbeeldingen geen sprake is geweest van daadwerkelijk misbruik van de gefotografeerde kinderen en dat verdachte de foto’s enkel voor eigen doeleinden heeft gemaakt, in verband waarmee hij maatregelen heeft getroffen om de verspreiding van de foto’s te voorkomen, ziet het hof aanleiding daarvan ten gunste van de verdachte af te wijken.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het telen van hennepplanten. Hiermee heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit en de daaraan gerelateerde, steeds zwaardere criminaliteit. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het wegnemen van stroom, waardoor schade is ontstaan voor de energieleverancier.

Het hof houdt voorts rekening met de verminderde toerekening ter zake van feit 1 en het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte van 1 april 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en ook daarna niet meer voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen waarvan 313 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de reeds door de verdachte in preventieve hechtenis doorgebrachte tijd, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden is. Het voorwaardelijk strafdeel dient mede als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich opnieuw schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten in de toekomst. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen reden om aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden te verbinden, nu verdachte meerdere malen kenbaar heeft gemaakt zich niet aan deze voorwaarden te zullen houden en ook de reclassering in een recent rapport dienovereenkomstig heeft geadviseerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 240b en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 313 (driehonderddertien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

mr. F.A.M. Bakker en mr. C.M.E. Lagarde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Bresser, griffier,

en op 13 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. F.A.M. Bakker is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 13 mei 2019.

Tegenwoordig:

mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

mr. J.J.T.M. Pieters, advocaat-generaal,

mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 De bewijsmiddelen zijn terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer ONRBD16079, gesloten op 27 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] e.a., p.83; proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p.93; proces-verbaal van bevindingen, [verbalisant 3] , p. 92; proces-verbaal verhoor verdachte p.26; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting eerste aanleg van 16 april 2018.

3 Proces-verbaal van bevindingen, [verbalisant 3] , p.115.

4 Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, [verbalisant 4] , p.158.

5 Proces-verbaal van bevindingen, [verbalisant 5] , p.91.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, p.50; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2018.

7 Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, p.125.

8 Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, p.125; proces-verbaal van bevindingen, [verbalisant 5] , p.91.

9 Proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, p.125; proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 5] , p.91; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 april 2018.