Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4491

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
06-06-2019
Zaaknummer
200.219.308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Burengeschil over eigendom van strook grond en over recht van overpad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.219.308/01

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem C/05/292400 / HA ZA 15-640)

arrest van 21 mei 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. C.C.J.M. Weijers,

tegen:

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna te noemen: [geïntimeerden] ,

advocaat: voorheen mr. S.G. Volbeda, thans mr. S.T.W. Verhaagh.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 17 februari 2016, 30 november 2016 en 5 april 2017 die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van [appellant] ,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

3.1.1.

Partijen zijn buren. [appellant] is sinds 1989 eigenaar van de woning en bijbehorende grond, gelegen aan de [adres 1] te [stadplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] sectie [perceel 1] (hierna: [perceel 1] ). [geïntimeerden] zijn sinds 2003 eigenaar van de woning en bijbehorende grond, gelegen aan de [adres 2] te [stadplaats] , kadastraal bekend gemeente Groesbeek sectie [perceel 2] (hierna: [perceel 2] ).

3.1.2.

Tussen de [perceel 1] en [perceel 2] ligt een strook grond, thans kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [perceel 3] (hierna: [perceel 3] ).

Deze strook grond was tot 7 juni 2001 eigendom van de gemeente Groesbeek en was toen kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie [perceel 4] . Bij notariële akte van 7 juni 2001 heeft de gemeente met betrekking tot deze strook grond een recht van opstal verleend en gevestigd ten behoeve van N.V. Nuon Infra Oost (hierna: Nuon) ter zake van een gasleiding en is deze strook grond, bezwaard met het opstalrecht, in eigendom geleverd aan [appellant] . Bij diezelfde akte is ten laste van een gedeelte van die strook grond als dienend erf en ten behoeve van [perceel 2] als heersend erf een erfdienstbaarheid van overpad gevestigd om te voet te komen en te gaan over dat gedeelte van de strook grond naar de openbare weg.

3.1.3.

Het stukje grond tussen [perceel 3] en de openbare weg (Bosstraat) maakt onderdeel uit van perceel [perceel 5] , waartoe ook de openbare weg behoort, en staat in het kadaster geregistreerd als eigendom van de gemeente Berg en Dal (hierna: de inham).

3.1.4.

Op 20 mei 2015 heeft op verzoek van [geïntimeerden] een grensreconstructie plaatsgevonden door het kadaster. Daarna hebben [geïntimeerden] aan de zijkant van hun woning, waarin zich hun voordeur bevindt, op de strook grond gelegen tussen hun woning en circa 10 centimeter vanaf de kadastrale grens tussen de percelen [perceel 2] en [perceel 3] een bestrating aangelegd en hebben zij op een gedeelte van die bestrating een hek geplaatst.

3.1.5.

Bij brief van 10 augustus 2015 heeft mr. Weijers [geïntimeerden] namens [appellant] gesommeerd de bestrating en het hek te verwijderen en de situatie in de oorspronkelijke situatie terug te brengen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd:

I. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld door een strook grond van het perceel van [appellant] in bezit te nemen;

II. veroordeling van [geïntimeerden] tot verwijdering van de door hen aangelegde bestrating en hekwerk en tot herstel van de situatie zoals die voor de in bezit name door hen bestond, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00, indien zij niet aan deze veroordeling voldoen;

III. opheffing van de erfdienstbaarheid van overpad ten gunste van het perceel van [geïntimeerden] en ten laste van het perceel van [appellant] , zoals gevestigd in de eigendomsakte van 2011;

IV. veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 904,00;

V. veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten en nakosten.

4.2.

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3.

Bij tussenvonnis van 17 februari 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen en een descente gelast ter plaatse van de [adressen 1 en 2] te Groesbeek. Deze comparitie en descente hebben plaatsgevonden op 28 juni 2016. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

4.4.

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 november 2016 [geïntimeerden] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hetgeen [appellant] bij akte van 5 oktober 2016 heeft gesteld en over de daarbij door hem overgelegde producties.

4.5.

Bij eindvonnis van 5 april 2017, waarvan beroep, heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

In hoger beroep voert [appellant] vijf grieven aan tegen bovengenoemd vonnis en vordert hij vernietiging van dat vonnis en alsnog toewijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

5.2.

De eerste twee grieven van [appellant] zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] niet door verjaring of anderszins eigenaar is geworden van de inham. Naar het oordeel van het hof kan echter in het midden worden gelaten of [appellant] eigenaar is geworden van de inham. [appellant] vordert in de eerste plaats een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onrechtmatig tegenover [appellant] c.s. hebben gehandeld door een strook grond van [appellant] in bezit te nemen en veroordeling van [geïntimeerden] tot verwijdering van het door hen op die strook grond aangelegde straatwerk en geplaatste hekwerk. Bij de beoordeling of deze vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen, is het antwoord op de vraag of [appellant] eigenaar is geworden van de inham, niet van belang. Vast staat immers dat het door [geïntimeerden] aangelegde straatwerk en het daarop geplaatste hekwerk zich volledig bevinden op het perceel van [geïntimeerden] , [perceel 2] (zie ook hierna). De inham is niet door [geïntimeerden] bestraat en maakt onderdeel uit van het perceel [perceel 5] , dat volgens de kadastrale gegevens en de eigen stelling van [appellant] in eigendom toebehoort aan de gemeente Berg en Dal. De eigendom van de inham zou dus hooguit een onderwerp van geschil kunnen zijn tussen [appellant] en de gemeente, niet tussen partijen.

Het antwoord op de vraag of [appellant] eigenaar is geworden van de inham is evenmin van belang bij de beoordeling van de vordering van [appellant] tot opheffing van de erfdienstbaarheid van overpad, nu deze erfdienstbaarheid is gevestigd ten laste van het [perceel 3] dat al in eigendom toebehoort aan [appellant] .

Gelet op het voorgaande behoeven de eerste twee grieven geen nadere bespreking.

5.3.1.

De derde grief van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [geïntimeerden] aangelegde bestrating en hekwerk zijn geplaatst op hun eigen perceel, zodat geen sprake is van onrechtmatig handelen van [geïntimeerden] tegenover [appellant] .

Voor zover [appellant] bedoelt dat hij de eigendom pretendeert te hebben van een stuk grond van [geïntimeerden] , - en wel een ander stuk grond dan de tot dusver bedoelde inham - namelijk dat stuk grond van [geïntimeerden] waarop [geïntimeerden] de bestrating en het hek heeft geplaatst, geldt het volgende.

5.3.2.

Dit zou het geval zijn als [appellant] gedurende een onafgebroken periode van 20 jaar het bezit heeft gehad van het stuk grond dat [geïntimeerden] heeft bestraat en heeft voorzien van een hek. Op dat moment zouden [geïntimeerden] immers geen rechtsvordering tot beëindiging van dat bezit meer kunnen instellen, omdat deze vordering dan verjaard zou zijn (vgl. artikelen 3:105 jo 3:306 BW). Zoals de rechtbank heeft overwogen, is voor (ondubbelzinnig) bezit van de strook grond vereist een voor anderen zichtbare uitoefening van de macht door [appellant] over de strook grond waaruit de pretentie van eigendom blijkt en moet het om een zodanige machtsuitoefening gaan dat naar verkeersopvattingen en op grond van uiterlijke feiten en omstandigheden heeft te gelden dat de macht van de oorspronkelijke bezitter over de onroerende zaak is geëindigd.

5.3.3.

[appellant] voert ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring aan dat voordat het stuk grond door [geïntimeerden] werd bestraat en werd voorzien van een hekwerk, [appellant] vanaf het moment dat hij aan de [adres 1] kwam wonen het stuk grond heeft gebruikt en het stuk grond ook al die tijd één geheel heeft gevormd met zijn eigendom. Echter, hetgeen [appellant] ter onderbouwing van zijn beroep op verjaring aanvoert, heeft kennelijk betrekking op de inham en niet op een stuk grond van [geïntimeerden] waarop [appellant] eigendomsrechten pretendeert. De door [appellant] aangevoerde argumenten kunnen dan ook niet leiden tot aanvaarding van zijn beroep op verjaring.

5.3.4.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep van [appellant] op de verkrijgende verjaring dient te worden verworpen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, nu hetgeen [appellant] stelt niet kan leiden tot toewijzing van zijn vordering. De derde grief faalt dus.

5.4.1.

De vierde grief (die door [appellant] niet is genummerd) is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering van [appellant] tot opheffing van de erfdienstbaarheid van overpad. [appellant] legt aan deze vordering ten grondslag dat sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van deze erfdienstbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hem kan worden gevergd (artikel 5:78 aanhef en onder a BW) dan wel dat [geïntimeerden] geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening van het recht van overpad (artikel 5:79 BW).

5.4.2.

Ook in hoger beroep stelt [appellant] geen feiten en omstandigheden op grond waarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van hem kan worden gevergd, zodat de vordering niet op grond van artikel 5:78 BW kan worden toegewezen.

5.4.3.

De vordering komt naar het oordeel van het hof echter wel voor toewijzing in aanmerking op grond van artikel 5:79 BW. Het hof overweegt daartoe het volgende. Blijkens de eigendomsakte van 7 juni 2001 is de erfdienstbaarheid van overpad ten laste van het [perceel 3] en ten behoeve van [perceel 2] gevestigd om de eigenaren van het [perceel 2] in staat te stellen om vanaf [perceel 2] te voet over [perceel 3] de openbare weg te bereiken en om vanaf de openbare weg te voet over [perceel 3] het [perceel 2] te bereiken. [geïntimeerden] betwisten niet dat zij, zoals [appellant] stelt, op hun eigen perceel een zelfstandige uitweg van en naar de openbare weg hebben gerealiseerd. Gelet hierop is de noodzaak van het recht van overpad niet meer aanwezig. [geïntimeerden] voeren aan dat zij (desondanks) belang hebben bij het behoud van het recht van overpad om onderhoud/aanpassingen te kunnen verrichten aan hun perceel. Daarvoor is het gevestigde recht van overpad echter niet bedoeld. Bovendien is het belang van [geïntimeerden] om hun perceel (met name aan de achterzijde) te kunnen onderhouden voldoende gewaarborgd door artikel 5:56 BW. Op grond van dit artikel is [appellant] in beginsel gehouden [geïntimeerden] toe te staan tijdelijk gebruik te maken van zijn perceel wanneer dat voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het perceel van [geïntimeerden] noodzakelijk is. Het hof is dan ook van oordeel dat [geïntimeerden] geen redelijk belang meer hebben bij de uitoefening van het recht van overpad. [geïntimeerden] stellen ook geen feiten en/of omstandigheden die aannemelijk maken dat dit belang zal terugkeren.

5.4.4.

Dit betekent dat de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid van overpad alsnog zal worden toegewezen. De vierde grief slaagt dus.

5.5.

De vijfde grief (door [appellant] genummerd als IV) is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Nu beide partijen voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

In zoverre slaagt de vijfde grief.

5.6.

Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, zodat deze post in hoger beroep niet meer aan de orde komt.

5.7.

Het bovenstaande betekent dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd wat betreft de afwijzing van de vordering van [appellant] tot opheffing van de erfdienstbaarheid van overpad en de proceskostenveroordeling. Het vonnis zal voor het overige worden bekrachtigd.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 5 april 2017 wat betreft de afwijzing van de vordering van [appellant] tot opheffing van de erfdienstbaarheid van overpad en de proceskostenveroordeling

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

heft op de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel kadastraal bekend gemeente Groesbeek, [perceel 4] , thans [perceel 3] , en ten gunste van het perceel kadastraal bekend gemeente Groesbeek, sectie [perceel 2] , inhoudende het recht van overpad om te voet te komen van en te gaan naar de openbare weg over een gedeelte van [perceel 3] ;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 5 april 2017 voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, O.G.H. Milar en P.M.A. de Groot-van Dijken, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.