Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:449

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
200.246.166/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek werknemer. In een dergelijk geval is er slechts ruimte voor toekenning van een billijke vergoeding indien sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever. Alle omstandigheden van het geval worden afgewogen. De slotsom is dat daarvan geen sprake is. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0085
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.246.166/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, 6604449)

beschikking van 21 januari 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. J. Doornbos,

tegen

1 [verweerder1] ,

wonende te [B] ,

2. [verweerder2] ,

wonende te [B]

handelende onder de naam [C] V.O.F.

verweerders in hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerders,

hierna gezamenlijk: [verweerders],

advocaat: mr. L.H. Haarsma.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van

7 juni 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift, ter griffie ontvangen op 7 september 2018;

- het verweerschrift, ter griffie ontvangen op 24 december 2018;

- de brief van mr. Haarsma van 3 januari 2019 met als productie het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg.

2.2

De zaak is op 11 januari 2019 behandeld ter zitting van het hof. Vervolgens heeft het hof bepaald dat beschikking gegeven wordt op 25 februari 2019 of zoveel eerder als mogelijk dan wel zo veel later als onvermijdelijk blijkt.

2.3

[verzoeker] heeft in hoger beroep verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen voor zover het de afwijzing van het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoeker] betreft en al dan niet onder verbetering of aanvulling van gronden, opnieuw rechtdoende [verzoeker] alsnog de door hem gevraagde billijke vergoeding ad € 100.000 dan wel een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag toe te kennen, met veroordeling van [verweerders] in de kosten van beide instanties inclusief nakosten.

3 De feiten

3.1

Voor zover voor de beoordeling in hoger beroep van belang zijn de feiten als volgt.

3.2

[C] v.o.f. is een mechanisatiebedrijf dat zich bezig houdt met handel in landbouwmachines, werktuigen en tractoren. Zij verricht reparaties en onderhoudswerkzaamheden aan machines voor de agrarische bedrijfstak.

3.3

[verzoeker] , geboren [in] 1960, is sinds 1 oktober 1987 voor onbepaalde tijd in dienst van [verweerders] c.s., laatstelijk als chef werkplaats tegen een salaris van € 3.555,60 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, dertiende maand en overige emolumenten.

3.4

In het (niet door [verzoeker] ondertekende) verslag van een gesprek tussen [verzoeker] en mr. Haarsma van 17 november 2015 is het volgende vermeld:

"3. Wat heb jij nodig om beter te kunnen functioneren?

I. Ik ben niet echt een politieagent. Ik denk dat ik zo wel door kan blijven gaan.

II. Ik moet meer leiding geven in de werkplaats.

III. Ik heb meer tijd nodig.

IV. Mijn kennis is niet helemaal voldoende in de werkplaats.

V. Cursussen/Opleiding. [E] weet meer.

VI. Als werkplaats chef moet ik er meer aan doen om de monteurs aan het werk te houden.

(…)

8. Hoe kijkt de directie tegen jouw functioneren aan? Wat zijn verbeterpunten?

- [verzoeker] dient meer uitvoering te geven aan klantgerichtheid. Bovendien dient hij de monteurs aan het werk te houden.

- [verzoeker] dient meer als een politieagent in de werkplaats op te treden en gewoon leiding te geven. Hij schiet daar nu in te kort.

- [verzoeker] dient de werkorders na te lopen van A tot Z.

- [verzoeker] is te laat aanwezig 's morgens in de werkplaats. Hij moet daar 7.55 uur uiterlijk aanwezig zijn. Dat is thans niet het geval.

- [verzoeker] dient de kwaliteit van het werk te controleren en doet dat vaak niet."

3.5

Op 24 juli 2016 mailt [verzoeker] aan [verweerders] onder meer, zakelijk weergegeven:

“Wat begon als een proces om alles te stroomlijnen (verkoop/ werkplaats) is veranderd naar een aanval op mij.

Tsja, en dan is het vrijdagmiddag. Vergadering/overleg met [D] en "de monteurs "

Kritiek op mij: vergeten iets door te geven, niet bellen, foute antwoorden op vragen van boeren.

Voorbeelden kunnen ze niet geven, maar ik hoor al drie jaar hetzelfde.

Op deze functie (die ik overigens met plezier doe) is het cruciaal dat je het met iedereen kan vinden. De kritiek van [E] op mij komt volgens mij voort uit het feit dat hij een bepaalde machtspositie heeft opgebouwd en deze wil gebruiken / behouden.

Vragen van boeren met een storing moet ik bij de monteurs neerleggen, vervolgens gaat de monteur met de boer overleggen en [verzoeker] mag zeggen wat er moet gebeuren. Dit is de omgekeerde wereld.

Het komt zo bij mij over dat de monteurs gaan bepalen hoe het beleid is.

Jullie ( [verweerder1] en [verweerder2] ) moeten bepalen hoe dit proces is.

Het feit dat de naam [F] in ons gesprek is genoemd heeft mij aan het denken gezet, ik geloof nooit dat "de monteurs" bij haar zijn geweest, maar dat dit precies andersom is gegaan. Het zal wel te ver gezocht zijn maar de BBQ is bewust gepland in mijn vakantie.

Als het zo mocht zijn dat vragen van klanten over storingen eerst bij "de monteurs" neergelegd moeten worden heeft dit ook consequenties. Hij zal dit dan ook 's avonds en zaterdags moeten doen.

In mijn vakantietijd is het voor [E] prachtig als hij van jou de vrije hand krijgt (en wil behouden).

(vind het teleurstellend van [E] dat hij dit op deze manier doet, +/- 20 jr collega )

De tien jaar in [B] heb ik altijd met volle inzet gedaan. Dat er nu op mij kritiek gegeven wordt door "de monteurs" heeft wel impact.

Ik weet niet of ik mij nog kan motiveren om deze functie uit te oefenen (kreeg er zaterdagmorgen hartkloppingen van, en op je tenen te gaan lopen voor "de monteurs" houd je ook niet vol).

Ik vind dat degene met de meeste kritiek het stokje maar over moet nemen.

Morgen ga ik eerst naar de dokter om dat mes uit m'n rug te laten halen.”

3.6

In het (niet door [verzoeker] ondertekende) verslag van het functioneringsgesprek van 19 december 2016 staat, onder meer:

"Vorig jaar heeft [verzoeker] een gesprek gehad met [D] en het voelde voor hem alsof hij een messteek in zijn rug kreeg omdat er veel negatieve kritiek op het functioneren als werkplaatschef was vanuit de werkplaats. Moest politieagent spelen om zijn kerntaak, als optimale werkvoorbereiding en aan het werk houden van de monteurs, goed uit te kunnen voeren. Zit niet in zijn karakter maar MOET!

Dit jaar lijkt het positiever mede door het wekelijkse overleg dat de directie met [verzoeker] heeft waarin gehamerd wordt op kwaliteitbewaking.

Ontwikkelingslijst:

De monteurs krijgen meer kennis door scholing, cursussen, sleutelen en dus meer macht omdat zij meer direkt kontakt met klanten krijgen tot grote frustratie van [verzoeker] . Hij merkt op dat Mechatrac de functie van werkplaatschef onderkent. Er vindt een verschuiving plaats door ontoereikende technische kennis van de werkplaatschef. Dit moet aangekaart worden bij de Mechangroep. Er moet een cursus werkplaatschef komen. Misschien kan [verzoeker] met de verkopers mee zodra er technische uitleg komt van nieuwe series."

3.7

Op 9 oktober 2017 heeft [verweerders] aan [verzoeker] kenbaar gemaakt dat hij klachten van monteurs had ontvangen en aan [verzoeker] meegedeeld dat hij niet wil dat [verzoeker] terugkeert als werkplaatschef. Vervolgens heeft hij [verzoeker] naar huis laten gaan.

3.8

Op 16 en 27 oktober 2017 hebben tussen partijen gesprekken plaatsgevonden over een mogelijke invulling voor een nieuwe functie voor [verzoeker] .

3.9

Op 8 november 2017 bericht mr. Bouman namens [verzoeker] aan [verweerders] onder meer:

"Nadat cliënt op 9 oktober jl, teruggekomen was van vakantie heeft zijn directe leidinggevende aan hem kenbaar gemaakt dat hij klachten van enkele monteurs over cliënt had ontvangen. Cliënt werd medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden als voorheen niet kon blijven uitoefenen. Hij is daaropvolgend door zijn werkgever ziek gemeld, terwijl cliënt niet ziek was of zich ziek heeft gemeld.

Vervolgens heeft cliënt een lijst ontvangen met een mogelijke invulling van een nieuwe functieomschrijving (vertegenwoordiger). Deze wijkt op alle punten af van zijn eerdere functieomschrijving van Chef werkplaats. Daarnaast wordt cliënt zijn verworven rechten, de auto van de zaak alsmede de 13e maand ontnomen. Als alternatief kreeg cliënt de keuze om een gedeelte van zijn bedongen werkzaamheden te verrichten. Ook hier is sprake van een klaarblijkelijke demotie.

Cliënt heeft het grootste deel van zijn leven voor uw onderneming gewerkt, 30 jaren tot op heden. Hij heeft altijd met veel plezier, liefde en inzet zijn werkzaamheden gedaan. Werken buiten werktijd was geen probleem voor hem. Cliënt is dan ook verbolgen over het onbegrijpelijke en schandelijke gedrag van u in deze. Zonder enige aanleiding, enige kans op verbetering of duidelijke uiteenzetting krijgt hij een demotie en wordt hij ziekgemeld. Hier is klaarblijkelijk geen sprake van goed werkgeverschap.

Cliënt kan niet akkoord gaan met de door u voorgestelde wijziging van de arbeidsovereenkomst. Ook gezien het feit dat u geen gegronde reden of enige kans tot verbetering hebt gegeven voor deze verandering van zijn arbeidsovereenkomst (demotie) na jaren van trouwe dienst. Cliënt heeft ook geen aanwijzingen gekregen dat zijn functioneren als Chef Wertkplaats, na decennia van goed functioneren, ineens niet naar behoren was.

Aangezien u bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met cliënt niet het recht heeft bedongen deze eenzijdig te wijzigen, heeft u hiervoor de toestemming van cliënt nodig. Wijziging van zijn functie (demotie) is een wijziging van de arbeidsovereenkomst. Hier heeft cliënt geen toestemming voor verleend. Tevens was hij hiertoe niet gehouden op grond van het goed werknemerschap. Er dient immers in de eerste plaats te worden onderzocht of de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, of het door hem gedane voorstel redelijk is en er moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden op het werk. Er is gezien voornoemde geen sprake van gewijzigde omstandigheden op het werk alsmede is er onvoldoende aanleiding geweest tot wijziging van de arbeidsovereenkomst van cliënt.

Daarnaast is cliënt ten onrechte ziek gemeld terwijl hij niet ziek is c.q. niet ziek is geweest. Cliënt werkt niet mee aan deze frauduleuze handeling en zal hiertegen ageren bij de instanties. Cliënt heeft recht op volledige doorbetaling van zijn loon en overige emolumenten gedurende deze periode.

Client geeft bij deze formeel te kennen dat hij in staat is de bedongen arbeid, zoals bepaald in zijn arbeidsovereenkomst aangegaan voor onbepaalde tijd, persoonlijk te verrichten. Hij verwacht dan ook zo spoedig mogelijk volledig volgens zijn arbeidsovereenkomst te werk te worden gesteld."

3.10

Op 22 november 2017 antwoordt [verweerders] onder meer:

"Zoals ik onlangs aan uw kantoor gemeld heb, valt het niet mee om de juiste stappen te doen in deze situatie die ik niet voorzien had en waarmee ik ook geen ervaring heb. Het valt mij zwaar deze brief te moeten schrijven.

Daar waar u doet voorkomen alsof [verzoeker] zonder enige aanleiding, enige kans op verbetering een aantal taken is ontnomen ligt het toch wel iets genuanceerder. Dat ik dan de kritische punten moet benoemen om de ontstane situatie onder woorden te brengen is onvermijdelijk, waarbij ik diverse passages uit uw brief gebruik. Wij hebben als werkgever [verzoeker] (te) vaak de handen boven het hoofd gehouden. Feit is, en dat weet [verzoeker] heel goed, dat er al jaren lang geklaagd wordt door directie, diverse werknemers en klanten over de wijze waarop [verzoeker] zijn functie uitoefent. De volgende kritiek is bij herhaling geuit:

1 Er mag nooit aan een klus worden begonnen zonder een werkorder. Regelmatig had [verzoeker] dit niet voor elkaar terwijl dit wel zou moeten.

2 Als werkplaatschef moet je vooruit denken en klussen klaar hebben liggen dan wel voorbereiden zodat de monteurs verder kunnen. [verzoeker] deed dit veel te weinig zodat het regelmatig voorkwam dat hij drie monteurs in zijn kantoortje had staan met de vraag " wat moet ik nou doen?". Deze werkwijze bracht ad hoc beslissingen met zich en dat mag natuurlijk niet gebeuren.

3 Bijna wekelijks dient de administratie te vragen om nagekeken werkorders omdat ze nooit klaarliggen.

4 [verzoeker] laat het in een VCA-traject altijd aankomen op de laatste week terwijl aan hem regelmatig is verzocht door het jaar heen om het systeem te voorzien van de juiste documenten. [verzoeker] levert evenwel niets aan.

5 [verzoeker] is nooit eerder op de zaak aanwezig dan tussen 07.55 en 8.00 uur terwijl hij vanwege zijn functie er eerder zou moeten zijn om iedereen aan de gang te kunnen zetten.

6 [verzoeker] dient veel meer corrigerend op te treden in de werkplaats. "Politieagent spelen" wat hij niet wil en niet doet. Een werkplaatschef dient indien nodig op te treden omdat werkzaamheden zo efficiënt mogelijk uitgevoerd kunnen worden en om te voorkomen dat het een rommeltje wordt en iedereen maar wat doet. Vaak heeft [verzoeker] aangegeven dan zal ik wel meer "Politieagent spelen" maar uiteindelijk deed hij dit niet.

7 [verzoeker] is niet professioneel omgegaan met conflict dat hij had met één van de monteurs, [G] . In plaats van er boven te gaan staan ontaardde het in een ordinaire scheldpartij waarbij [verzoeker] letterlijk riep dat [G] moest gaan solliciteren en maar op moest sodemieteren. Ik heb direct aangegeven dat hij dat niet bepaalt en dat wij alle monteurs keihard nodig hebben. De wijze waarop [verzoeker] daarna omgaat met [G] komt het werk niet ten goede. Ze hoeven geen vrienden te zijn maar een professionele werkhouding is wel vereist.

8 Overleg met klanten betreffende reparatie planning, informeren over reparatie verloop, of technisch inhoudelijk liet heel vaak te wensen over tot grote frustratie van zowel monteurs alsook klanten. Vergeetachtigheid en zelfs liegen zijn termen die vielen in deze context.

9 Gewijzigde omstandigheden op het werk (lees meegroeien in): Omgang met jonge mondige (leerling) monteurs, moderne leermethodes, hedendaagse technische complexiteit en diagnose methoden, huidige snelheid van informatie voorziening, kosten van stilstand bij onze klanten etc. U kunt niet stellen dat er, juist hedendaagse, geen gewijzigde omstandigheden zijn.

[verzoeker] is bij herhaling door ons, tijdens regulier team overleg en personeelsvergaderingen, op

zijn disfunctioneren aangesproken en zijn er aantekeningen gemaakt en verslagen waarin het

disfunctioneren is benoemd en gedeeld met hem. Daarbij is aan hem kenbaar gemaakt dat op

diverse punten zijn functioneren zou moeten verbeteren omdat er anders maatregelen getroffen

zouden moeten worden.

(…)

Natuurlijk is [verzoeker] onderworpen aan een verbetertraject hetwelk is ingezet vanaf het moment dat een externe adviseur, mr. L.H. Haarsma vanaf maart 2015 bij deze kwestie betrokken is. In haar bijzijn hebben meerdere gesprekken plaats gevonden waarin duidelijk is aangegeven aan [verzoeker] dat hij eerder genoemde ernstige punten van disfunctioneren zou moeten verbeteren omdat hij anders niet meer gehandhaafd zou kunnen worden als werkplaatschef.

(…)

Tijdens de vakantie, door u genoemd in uw brief, hebben vier monteurs aangegeven dat [verzoeker] nog immer in ernstige mate disfunctioneerde en dat als [verzoeker] gehandhaafd zou blijven in de functie van werkplaatschef zij zouden vertrekken.

(…)"

3.11

[verzoeker] heeft zich bereid verklaard de bedongen arbeid te verrichten, maar niet de aangepaste werkzaamheden. [verzoeker] heeft na 9 oktober 2017 geen werkzaamheden voor [verweerders] meer verricht.

3.12

Op 17 januari 2018 heeft [verweerders] de loonbetaling stopgezet. Na overleg is het loon tot en met januari 2018 aan [verzoeker] betaald.

3.13

[H] van Timmerman B.V. heeft met betrekking tot een vacature voor chef werkplaats verklaard;

"Bij deze wil ik bevestigen dat ik met de Fa. [C] uit [B] heb gesproken over invulling van onderstaande vacature. Ik had begrepen dat zij een conflict hadden met hun werkplaats chef [verzoeker] . Aangezien ik wel eens contact met hem had heb ik bij Fa [C] aangegeven dat hij wellicht bij ons zou passen. Het leek mij een win win situatie voor alle partijen."

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft, voor zover van belang in hoger beroep, de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens het bestaan van een verstoorde arbeidsverhouding onder toekenning aan hem van een transitievergoeding van € 52.160,68 en een billijke vergoeding van € 100.000,-, een en ander met veroordeling van [verweerders] in de proceskosten.

4.2

[verweerders] heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoeker] en verzocht alle verzoeken af te wijzen.

4.3

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst op het verzoek van [verzoeker] ontbonden per 30 juni 2018 omdat [verzoeker] zich op het standpunt heeft gesteld niet meer aan het werk te willen bij [verweerders] en voortzetting van het dienstverband om die reden geen zin heeft, ook al heeft [verweerders] betoogd dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst van haar kant niet nodig is. De verzoeken tot toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding zijn afgewezen omdat van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerders] geen sprake is. De proceskosten zijn gecompenseerd.

5 De beoordeling in hoger beroep

omvang beroep

5.1

[verzoeker] heeft drie redenen aangevoerd waarom hij het niet eens is met de uitspraak van de kantonrechter. Die redenen zijn in het beroepschrift aangeduid als grieven en het hof zal die terminologie volgen. De grieven 1 en 2 richten zich tegen de afwijzing van de billijke vergoeding en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Grief 3 betreft de proceskostenveroordeling. Het hoger beroep is niet gericht tegen de uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het is, zo is namens [verzoeker] bij de behandeling in hoger beroep verklaard, evenmin (ook) gericht tegen de afwijzing van de transitievergoeding. Op deze onderdelen is de beschikking van de kantonrechter dus niet aan hoger beroep onderworpen.

Ernstige verwijtbaarheid

Inleiding

5.2

De kantonrechter heeft geoordeeld dat van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] geen sprake is. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding is op die grond afgewezen. De bezwaren van [verzoeker] (grieven 1 en 2) tegen dat oordeel laten zich als volgt samenvatten. De arbeidsverhouding is in oktober 2017 zodanig verstoord geraakt dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst, op verzoek van [verzoeker] , onvermijdelijk was. Die verstoring was echter geheel en al aan [verweerders] te wijten. Op 9 oktober 2017 werd aan [verzoeker] namelijk plotseling het verwijt gemaakt te disfunctioneren. Daarvan was echter geen sprake. [verweerders] heeft de oren laten hangen naar zijn monteurs of een deel daarvan. De problemen met die monteurs zijn opgelost door [verzoeker] disfunctioneren in de schoenen te schuiven. Van dat verwijt was [verzoeker] echter en bovendien niet eerder in kennis gesteld. De gesprekken tussen partijen in 2015 stonden in het teken van mediation en in het verslag van het functioneringsgesprek van 19 december 2016 staat dat het positief gaat met [verzoeker] . Een verbetertraject is nimmer aangeboden. Integendeel, [verzoeker] werd nog dezelfde dag (9 oktober 2017) op non-actief gesteld. Hem werd nog wel een andere functie binnen het bedrijf aangeboden, maar [verzoeker] heeft terecht vastgehouden aan zijn eis in zijn eigen functie tewerkgesteld te worden omdat van disfunctioneren geen sprake is geweest. Bovendien werd [verzoeker] in de aangeboden functie gedegradeerd tot hulpje in het bedrijf waar hij voorheen chef van de werkplaats was. Ook is hem nog een functie bij een ander bedrijf aangeboden, maar dat was niet meer dan een truc om goedkoop van hem af te komen. Tot slot geldt dat [verweerders] in 2018 een aantal maanden geen loon heeft voldaan, hetgeen in strijd is met goed werkgeverschap.

Beoordelingskader

5.3

De arbeidsovereenkomst is ontbonden op verzoek van [verzoeker] , de werknemer. Voor een dergelijk geval is in artikel 7:671c lid 2 aanhef en sub b BW bepaald dat een billijke vergoeding kan worden toegekend "indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever".

5.4

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld indien als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan of als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

Disfunctioneren

5.5

[verzoeker] is, zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen, in de loop der jaren met enige regelmaat op zijn functioneren aangesproken. Het ging daarbij telkens in het bijzonder om zijn functioneren als leidinggevende. In zijn brief van 22 november 2017 aan de advocaat van [verzoeker] heeft [verweerder1] de kritiekpunten nog eens op een rij gezet (zie hiervoor onder 3.10). Volgens deze brief is [verzoeker] tijdens regulier teamoverleg en personeels-vergaderingen bij herhaling op deze gebreken in zijn functioneren aangesproken. Ook blijkens het verslag van het gesprek dat de advocaat van [verweerders] op 17 november 2015 met [verzoeker] had (zie hiervoor onder 3.4) blijkt dat [verzoeker] toen op zijn functioneren, in het bijzonder als leidinggevende, is aangesproken. Uit het mailbericht van [verzoeker] zelf aan [verweerders] van 24 juli 2016 (zie hiervoor onder 3.5) blijkt dat [verzoeker] bekend is met kritiek op zijn functioneren.

5.6

Dit overzicht van gebeurtenissen toont aan dat sprake was van serieuze kritiek op het functioneren van [verzoeker] als leidinggevende (chef werkplaats). Het toont ook aan dat [verzoeker] voorafgaand aan 9 oktober 2017 bekend was met die kritiek. Wat dat laatste betreft betoogt [verzoeker] in hoger beroep nog steeds dat hij eerder geen weet had van de kritiek op zijn functioneren, maar die stelling heeft hij, in het licht van de hiervoor genoemde stukken waaruit het tegendeel blijkt, onvoldoende onderbouwd. Opgemerkt is nog dat het gesprek met mr. Haarsma van 17 november 2015 in het teken stond van mediation, maar, wat daarvan overigens ook zij, dat neemt niet weg dat in dat gesprek punten van kritiek op het functioneren van [verzoeker] zijn benoemd. Ook is nog gewezen op het gespreksverslag van 19 december 2016, waarin is opgemerkt "Dit jaar lijkt het positiever". Die voorzichtige formulering toont echter nog niet aan dat de kritiekpunten waren verdwenen. Bovendien is in dat verslag nu juist ook weer stilgestaan bij de functie van chef werkplaats, die, nog steeds, onvoldoende werd ingevuld door [verzoeker] . Of de wijze waarop [verzoeker] zijn functie uitoefende voorzien moet worden van het stempel "disfunctioneren" is voor de beoordeling niet van belang. Het hof spreekt daarover om die reden geen oordeel uit. Van belang is slechts dat [verweerders] serieuze kritiek had op het functioneren van [verzoeker] .

Verbetertraject

5.7

Goed werkgeverschap brengt in het algemeen mee dat een werkgever de werknemer op wiens functioneren serieuze kritiek wordt uitgeoefend, in de gelegenheid stelt het functioneren te verbeteren. [verweerders] heeft die gelegenheid aan [verzoeker] geboden. Uit het hiervoor gegeven overzicht blijkt dat in de periode 2015 tot 9 oktober 2017 regelmatig door en namens [verweerders] met [verzoeker] is gesproken over zijn optreden als leidinggevende. Daarbij zijn, zo blijkt uit de (beperkt) beschikbare vastlegging van die gesprekken geen harde verbeterafspraken gemaakt, ook al zijn verbeterpunten wel benoemd, bijvoorbeeld blijkens het gespreksverslag van 17 november 2015. De door partijen geschetste aard van het dienstverband (familiebedrijf met korte lijnen en een werknemer, [verzoeker] , die al zo lang bij het bedrijf werkzaam was dat hij als het ware deel van de familie was geworden) stond daaraan kennelijk in de weg. Achteraf en objectief bezien was het beter geweest dat [verweerders] ertoe was overgegaan een helder en duidelijk verbetertraject op te zetten met formulering van te behalen doelen en een periode waarbinnen de verbetering zijn beslag zou moeten hebben gekregen, eventueel onder het doen van een aanbod tot scholing met betrekking tot de verbeterpunten.

5.8

Dat dit niet is gebeurd kan echter, mede gezien het feit dat wel degelijk gelegenheid en tijd tot verbetering is gegeven, niet als ernstig verwijtbaar handelen van [verweerders] worden aangemerkt maar eerder als een onvoldoende, want niet complete, invulling van het werkgeverschap op dit onderdeel.

Non-actief

5.9

Op of kort voor 9 oktober 2017 escaleerde de situatie. Meerdere monteurs hadden zich op het standpunt gesteld dat zij niet langer met [verzoeker] als chef van de werkplaats konden samenwerken. Dat die situatie zich voordeed heeft [verzoeker] niet betwist. Hij verwijt [verweerders] de oren te hebben laten hangen naar de monteurs in kwestie, maar die voorstelling van zaken is te eenvoudig. Kennelijk was het zo dat de in de voorafgaande jaren ontstane en geuite kritiek op het functioneren van [verzoeker] als chef van de werkplaats, ondanks een enigszins positiever beeld eind 2016, in oktober 2017 bij de monteurs nog steeds bestond en zelfs zodanig versterkt was dat een aantal van hen dreigde met ontslagname. [verweerders] is vervolgens tot de conclusie gekomen dat [verzoeker] niet langer als chef van de werkplaats te handhaven was. De gang van zaken in de jaren daarvoor en de escalatie van het moment maakten dat die beslissing redelijkerwijs genomen kon worden.

5.10

Omdat [verweerders] niet naar het vertrek van [verzoeker] streefde, maar hem voor het bedrijf wenste te behouden is hem een andere functie aangeboden. Aan [verzoeker] is verzocht om gedurende de periode waarover partijen daarover zouden overleggen thuis te blijven, met behoud van salaris. [verzoeker] benoemt die gang van zaken nu als een op non-actiefstelling, maar dat doet geen recht aan de omstandigheden van het moment. Er is sprake geweest van een ingelaste periode van overleg over de toekomst, van een voorstel om hangende dat overleg niet op het werk te komen en van acceptatie van dat voorstel door [verzoeker] . Van het eenzijdig op non-actief stellen van [verzoeker] was aldus geen sprake.

Andere functie intern

5.11

Partijen hebben op 9, 16 en 30 oktober 2017 overleg gevoerd over de voorwaarden waaronder het dienstverband voortgezet zou kunnen worden. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in een voorstel dat in hoofdlijnen is neergelegd in de beschrijving van een nieuwe functie (productie 5 bij inleidend verzoekschrift). In afwijking van wat daar nog is vermeld staat vast (omdat [verweerders] dat heeft gesteld en [verzoeker] dat niet heeft weersproken) dat in deze gesprekken door [verweerders] is toegezegd dat de arbeidsvoorwaarden gelijk zouden blijven, derhalve inclusief auto van de zaak en dertiende maand.

5.12

De essentie van de nieuwe functie was dat [verzoeker] in plaats van leidinggevend ondersteunend zou worden. [verzoeker] formuleert het zo dat de functie niet meer was dan die van "hulpje" in het bedrijf. Dat doet echter geen recht aan de - door hem niet weersproken - inhoud van de functie. Het valt ook niet te rijmen met het feit dat hij zijn arbeidsvoorwaarden (die het niveau van een "hulpje" te boven gingen) zou behouden en miskent dat slechts het aspect van het leiding geven uit de functie was gehaald in ruil voor een aantal (niet leidinggevende) andere taken.

Andere functie extern

5.13

[verweerders] heeft [verzoeker] de mogelijkheid geboden als chef werkplaats in dienst te treden bij een collega ondernemer. [verzoeker] betwist dat aanbod niet, maar noemt het een "trucje" om goedkoop van hem af te komen. Dat laatste onderbouwt hij echter niet en is in strijd met de verklaring van de collega ondernemer, zoals weergegeven onder 3.13. Uitgangspunt is dan ook dat [verweerders] zich in ieder geval in zoverre voor [verzoeker] heeft ingespannen dat hem een reëel perspectief op een dienstverband elders is geboden.

Opschorten loonbetaling

5.14

[verweerders] heeft [verzoeker] op zeker moment opgeroepen het werk te hervatten in zijn nieuwe functie. [verzoeker] heeft dat geweigerd en zich op het standpunt gesteld dat hij slechts bereid en gehouden is tot werkhervatting in zijn functie van chef werkplaats. Daarop heeft [verweerders] de loonbetaling opgeschort.

5.15

In het algemeen geldt dat de verplichting het loon te voldoen een essentiële verplichting van de werkgever is. Het niet voldoen daaraan getuigt van slecht werkgeverschap. De situatie tussen partijen had in januari 2018 echter het karakter van een patstelling gekregen. [verzoeker] wilde wel komen werken, maar dan alleen in zijn (oude) functie van chef werkplaats. [verweerders] wilde hem slechts toelaten tot uitoefening van zijn nieuwe functie. De situatie was bovendien extra ingewikkeld doordat [verzoeker] , indien hij in de nieuwe functie aan het werk zou gaan, hoe dan ook wel zou moeten samenwerken (zij het niet als hun leidinggevende) met de monteurs die met ontslag gedreigd hadden indien [verzoeker] zou terugkeren als chef werkplaats. [verweerders] heeft in die situatie de zaak op scherp gezet door geen salaris meer te betalen. Een andere oplossing was denkbaar geweest, bijvoorbeeld - als overleg niet zou slagen - het vragen van een voorziening aan de rechter. Het feit dat dat niet is gebeurd, maar dat gekozen is voor het staken van de salarisbetaling is echter uiteindelijk niet van wezenlijk belang geweest voor het verstoord raken van de arbeidsverhouding. Die verstoring was er al en was gelegen in het conflict over het functioneren van [verzoeker] .

De balans opmakend

5.16

De uiteindelijke verstoring van de arbeidsverhouding is, zo wordt uit het voorgaande geconcludeerd, het gevolg geweest van onvoldoende functioneren van [verzoeker] als leidinggevende. [verweerders] heeft dat regelmatig met [verzoeker] besproken. Daarbij heeft [verweerders] een steekje laten vallen door niet een helder omlijnd verbetertraject aan te bieden en in gang te zetten. Op 9 oktober 2017 was de situatie zodanig geëscaleerd dat een dergelijk verbetertraject niet meer zinvol was. [verweerders] heeft toen gedaan wat van haar verwacht mocht worden, te weten het intern en extern aanbieden van een andere functie. Het staken van de salarisbetaling maakte het verstoord zijn van de arbeidsrelatie hooguit nog meer inzichtelijk, maar droeg zelf aan die verstoring niet bij omdat die verstoring er al was. Van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerders] is dan ook geen sprake.

5.17

Het ontbreken van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerders] staat aan toekenning van een billijke vergoeding in de weg. De grieven 1 en 2 slagen dan ook niet.

Proceskosten

5.18

In eerste aanleg zijn de proceskosten gecompenseerd. [verweerders] heeft weliswaar verzocht [verzoeker] ook te veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg, maar heeft zelf geen incidenteel hoger beroep ingesteld op dit punt. Het verzoek is ook overigens niet onderbouwd. Dat maakt dat geen aanleiding bestaat over die kosten anders te oordelen dan de kantonrechter heeft gedaan.

5.19

In hoger beroep is [verzoeker] de in het ongelijk gestelde partij. Hij zal daarom worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 Slotsom

De beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 7 juni 2018 wordt bekrachtigd. [verzoeker] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Die kosten bedragen € 318,- voor verschotten en € 2.148,- voor salaris advocaat (2 punten à € 1.074 per punt, tarief II).

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland van 7 juni 2018;

veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het hoger beroep, begroot op € 318,- voor verschotten en € 2.148,- aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P.M. ter Berg, E.J. van der Poel en A.E.F. Hillen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.