Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:445

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
200.247.263/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. De kwetsbaarheid van de moeder voor psychoses heeft voor de kinderen geleid tot onveilige en onduidelijke situaties, ondanks de aanwezigheid van een signaleringsplan. De vader heeft de kinderen onvoldoende kunnen beschermen tegen het gedrag en de uitlatingen van de moeder. Daarom geen plaatsing bij de vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.247.263/01

(zaaknummer rechtbank C/08/219774 / JE RK 18-1100)

beschikking van 17 januari 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. P.L. Hellinga te Zwolle,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Zwolle,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: de vader.

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

verder te noemen: de GI.

Als informanten zijn aangemerkt:

de pleegouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2],

wonende te [A] ,

verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2018 en uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van de moeder, ingekomen op 5 oktober 2018;

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief van de GI van 23 oktober 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Hellinga van 24 oktober 2018 met productie(s);

- een brief van de GI van 16 november 2018 met productie(s);

- een brief van mr. Hellinga van 6 december 2018 met productie(s).

2.2

Het hof heeft verder op 14 december 2018 een brief ontvangen van de minderjarige [de minderjarige1] , geboren [in] 2007 (hierna [de minderjarige1] ). Hij heeft met deze brief op eigen initiatief zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek tot uithuisplaatsing.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 20 december 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is de heer [B] en de heer [C] verschenen. Namens de GI is verschenen mevrouw [D] , jeugdbeschermer. De vader is in persoon verschenen.

2.4

De voorzitter heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling de inhoud van de brief van [de minderjarige1] weergegeven en medegedeeld dat het hof deze bij de beoordeling zal betrekken.

Verder is de mondelinge behandeling geschorst voor een korte leespauze om de ouders en de raad in gelegenheid te stellen alsnog kennis te nemen van de inhoud van de brief van de GI van 23 oktober 2018 met productie(s) die abusievelijk door de GI niet was doorgezonden.

2.5

Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof en instemming van belanghebbenden ingekomen een brief van mr. Hellinga van 20 december 2018 met bijlage. Het hof heeft hiervan kennisgenomen en deze in de beoordeling betrokken.

3 De feiten

3.1

Uit de relatie van de moeder en de vader zijn drie kinderen geboren onder wie [de minderjarige1] en [de minderjarige2] geboren [in] 2012 (hierna [de minderjarige2] ). Ouders oefenen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gezamenlijk uit.

3.2

Bij beschikking van 12 april 2018 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van 12 april 2018 tot 26 april 2018. Deze termijn is bij beschikking van 18 april 2018 verlengd tot 12 juli 2018.

3.3

Bij genoemde beschikking van 12 april 2018 is ook machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tot 26 april 2018. Deze termijn is bij beschikking van 18 april 2018 eveneens verlengd tot 12 juli 2018.

3.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de (definitieve) ondertoezichtstelling uitgesproken voor de duur van 12 juli 2018 tot 12 juli 2019. Daarbij is ook machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening van pleegzorg, eveneens met ingang van 12 juli 2018 tot 12 april 2019.

3.5

Na een crisisplaatsing voor vier weken bij de pleegouders van hun oudere zus [de minderjarige3] , geboren [in] 2003 (hierna [de minderjarige3] ) en sinds januari 2017 met een machtiging uit huis geplaatst, verblijven [de minderjarige1] en [de minderjarige2] sinds 14 mei 2018 in het huidige pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

De moeder is met een grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 juli 2018. Deze grief richt zich uitsluitend tegen de verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg. De moeder verzoekt de beschikking op dat punt te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek tot uithuisplaatsing af te wijzen en zoals nader door haar ter zitting aangevuld de kinderen (uit huis) te plaatsen bij de vader.

4.2

De raad voert verweer en verzoekt bekrachtiging van beschikking waarvan beroep op het punt van de machtiging tot uithuisplaatsing, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2

De moeder kan zich met de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet verenigen. Haar psychiatrische problematiek heeft in april 2018 geleid tot een acute psychose waardoor de thuissituatie voor de kinderen onveilig is geweest en een uitplaatsing noodzakelijk is geworden. Volgens de moeder is die situatie niet langer aanwezig. De moeder is in behandeling. De ouders hebben hun relatie verbroken en er is een veiligheidsplan opgesteld en er zijn afspraken gemaakt over het herstel van het contact tussen de moeder en de kinderen. De moeder houdt zich aan deze afspraken. De moeder meent dat de vader in staat is om de verzorging en opvoeding van de kinderen als hoofdopvoeder op zich te nemen. Zij betoogt dat een (verdere) uithuisplaatsing van de kinderen niet noodzakelijk is en bepleit (terug)plaatsing van de kinderen bij de vader.

5.3

De raad voert hiertegen aan dat is voldaan aan de gronden voor een uithuisplaatsing. Volgens de raad heeft de problematiek van de moeder geleid tot onvoorspelbaar en onveilig gedrag en daarmee tot een onveilige en onduidelijke thuissituatie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De vader is niet in staat (geweest) om de kinderen tegen het gedrag van de moeder te beschermen en zijn handelen heeft bijgedragen aan het voortduren van deze situatie. Voor de raad staat niet vast dat de vader in staat is om de kinderen een veilig en stabiel opvoedingsklimaat te bieden en hen kan ondersteunen bij het verwerken van de traumatische gebeurtenissen. Daarbij is ook van belang dat de vader onvoldoende onderkent dat moeders gedrag voor emotionele onveiligheid van de kinderen heeft gezorgd.

5.4

GI heeft zich aangesloten bij het verweer van de raad. De GI meent dat plaatsing van de kinderen bij de vader slechts aan de orde kan zijn wanneer hij de verhalen van de kinderen over het gedrag en de uitlatingen van de moeder erkent, inziet dat daardoor een onveilige situatie voor de kinderen is ontstaan en dat hij ook zijn eigen aandeel in het ontstaan en voortduren van die onveilige situatie onderkent. De vader is daartoe tot op heden onvoldoende in staat geweest.

5.5

De vader heeft ter zitting verklaard dat hij graag wil dat de kinderen weer bij hem komen wonen. Hij wijst er op dat de moeder eerder psychotische perioden heeft gehad en ook opgenomen is geweest. In die perioden heeft hij ook de zorg voor de kinderen gehad. Hij meent dat hij daartoe ook nu in staat is.

5.6

[de minderjarige1] heeft in zijn brief aan het hof geschreven dat hij het liefst samen met [de minderjarige2] bij de vader gaat wonen.

5.7

Uit de stukken, waaronder de informatie van de behandelaars van de moeder van [E] , blijkt dat de moeder bekend is met een schizo affectieve stoornis en daardoor kwetsbaar is voor psychoses (wanen en achterdocht) en stemmingswisselingen. In het verleden heeft dit een aantal malen geleid tot een (vrijwillige) opname, behandeling en (intensieve) begeleiding in de thuissituatie. In 2018 is sprake geweest van een ernstige terugval ondanks het bestaande signaleringsplan. Daarop zijn de kinderen in april 2018 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst, eerst tijdelijk in een netwerkpleeggezin en vanaf halverwege mei in het huidige pleeggezin.

5.8

Niet in geschil is dat de moeder niet in staat is om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] binnen de hier ter beoordeling staande redelijke termijn op zich te nemen. Met het oog op de door ouders beoogde (thuis)plaatsing van de kinderen bij de vader, hebben de ouders hun relatie inmiddels verbroken. De moeder woont nog wel tijdelijk bij de vader maar zal bij familie gaan wonen wanneer de kinderen bij de vader worden (terug)geplaatst. De vraag ligt voor of de vader, vooreerst binnen het kader van de ondertoezichtstelling, in staat is de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen.

5.9

Het hof volgt de ouders niet in hun stelling dat enkel sprake is geweest van een aantal kort op elkaar volgende incidenten als gevolg van een (acute) psychose van de moeder waardoor (alleen) in april 2018 een tijdelijk onveilige thuissituatie voor de kinderen is ontstaan. Uit de verklaringen van de kinderen zoals opgenomen in het raadsrapport van 29 juni 2018 komt een ander en meer ingrijpend beeld naar voren over het grillige en onvoorspelbare gedrag en uitlatingen van de moeder en over de belasting en impact die dit op de kinderen heeft gehad. Uit de uitspraken van de kinderen leidt het hof af dat de moeder langere tijd in de war is geweest en in haar eigen beangstigende (fantasie)wereld leefde waarin zij bedreigingen zag van de buitenwereld maar ook vanuit de familie en zelfs vanuit de vader. Zij heeft de kinderen hierin meegetrokken onder meer met eindeloze verhalen hierover en heeft [de minderjarige1] ook gestraft wanneer hij deze verhalen niet wilde aanhoren of in twijfel trok. Beide kinderen hebben hierover bij herhaling en tegenover meerdere personen en telkens consistent verklaard. Het hof heeft dan ook, net als de raad, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de uitlatingen van de kinderen. De mededelingen van met name [de minderjarige1] passen ook in het beeld van de mededelingen van [de minderjarige3] over eerdere gedragingen van de moeder die zij mee heeft moeten maken.

5.10

De vader heeft wel getracht [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beschermen tegen het gedrag en de uitlatingen van de moeder maar hij is daarin onvoldoende geslaagd. Het (be)dreigende gedrag van de moeder jegens hem en zijn betrokkenheid en loyaliteit jegens de moeder zal hierbij van invloed zijn geweest. Echter ook bestaat de indruk dat de vader te weinig oog heeft (gehad) voor de impact van het gedrag van de moeder op de kinderen die beiden jong zijn en voor hun dagelijkse verzorging en opvoeding (voornamelijk) afhankelijk zijn van de moeder. De vader heeft in de loop der tijd kennelijk een coping strategie ontwikkeld en geleerd om te gaan met het grillige en onvoorspelbare gedrag van de moeder. Hij lijkt aan te nemen dat ook de kinderen in staat (moeten) zijn geweest om mee te bewegen met de stemmingen van de moeder en haar gedrag (moeten) kunnen relativeren, maar vraagt daarmee van hen in wezen een te volwassen benadering van en omgang met de problematiek van de moeder. Hij overvraagt daarmee de kinderen en geeft er daarmee tevens blijk van dat hij geen inzicht heeft in de omvang en de ernst van de onveiligheid die de kinderen door het gedrag en de uitlatingen van de moeder hebben ervaren.

5.11

Op basis van de signalen van de kinderen is het hof van oordeel dat de verzorgings- en opvoedingssituatie bij de ouders thuis gedurende langere ernstig bedreigend en onveilig is geweest. Een (terug) plaatsing bij de vader acht het hof in strijd met de belangen van de kinderen. Het hof acht in dit verband niet alleen zorgelijk dat de vader, zoals hiervoor geschetst, onvoldoende zicht heeft gehad op het gedrag en uitlatingen van de moeder en de impact daarvan op de kinderen, en (mede daardoor) eerder niet voldoende in staat is geweest om de kinderen te beschermen. Evenzeer is zorgelijk dat hij ook nu nog onvoldoende oog heeft voor zijn eigen aandeel in het ontstaan en voortduren van de bedreigende en onveilige situatie. Hij vraagt aandacht voor wat de problematiek van de moeder ook voor hem heeft betekend maar gaat daarmee voorbij aan de belangen van de kinderen en zijn primaire verantwoordelijkheid voor hun veiligheid en hun welzijn. Het hof acht niet uitgesloten dat een en ander mede wordt ingegeven door onmacht aan zijn zijde zowel tijdens de relatie van partijen als in de huidige situatie waarin sprake is van uithuisplaatsing. Dit neemt niet weg dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] als kinderen moeten kunnen rekenen op zijn steun en bescherming tegen de schadelijke gedragingen en uitlatingen van de moeder. Voor de kinderen is deskundige hulpverlening en (trauma)behandeling nodig. Zij hebben voor de verwerking van de gebeurtenissen en het herkrijgen van hun vertrouwen in de vader als dagelijkse verzorger en opvoeder meer in het bijzonder ook zijn erkenning nodig van hun ervaringen met de moeder en wat dat voor hen betekent. Daarmee hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] meer nodig van de vader dan hij hen op dit moment lijkt te kunnen geven.

5.12

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof dan ook van oordeel dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Ook de vader is op dit moment niet in staat om de kinderen een opvoedingsklimaat te bieden waarin de continuïteit van en veiligheid in hun dagelijkse verzorging en opvoeding gewaarborgd is. Het hof verwacht evenmin dat de vader daartoe wel binnen de resterende termijn van de machtiging in staat zal zijn. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

5.13

Het hof gaat er van uit dat de GI de beslissing van het hof zal mededelen aan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en daarbij aan [de minderjarige1] zal uitleggen dat het hof zijn brief heeft gelezen en zijn wens om weer bij de vader te gaan wonen heeft meegewogen bij zijn beslissing maar dat het voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op dit moment beter is en nodig is om niet in die wens mee te gaan.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6.2

Gelet op de aard van de procedure, zal het hof de kosten van hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen en belanghebbenden de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 juli 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat ieder van partijen en belanghebbenden de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. G.M. van der Meer en mr. J.G. Idsardi bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 17 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.