Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:442

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
18/00094
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:146, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Specifieke zorgkosten. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-02-2019
FutD 2019-0300
V-N Vandaag 2019/254
V-N 2019/22.15 met annotatie van Redactie
NTFR 2019/400
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00094

uitspraakdatum: 22 januari 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 januari 2018, nummer AWB 16/7398, ECLI:NL:RBGEL:2018:146, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard en de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018 en is geschorst, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot een compromis te komen. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.6.

Op 31 oktober 2018 heeft de Inspecteur een compromisvoorstel naar belanghebbende verstuurd, waarvan hij een afschrift aan het Hof heeft verzonden. Belanghebbende heeft het Hof bij brief van 12 november 2018 laten weten het compromisvoorstel niet te accepteren en heeft het Hof verzocht uitspraak te doen. Het Hof heeft partijen op 15 november 2018 een formulier gestuurd en hen verzocht daarop aan te geven of zij een nadere zitting wensen. In de begeleidende brief is aangegeven dat het Hof voornemens is zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak te doen. Voorts is partijen in die brief gewezen op het recht ter nadere zitting te worden gehoord en is aangegeven dat als partijen het formulier niet binnen twee weken retourneren, het Hof ervan zal uitgaan dat partijen geen nadere zitting wensen. Van de Inspecteur is op 26 november 2018 een formulier retour ontvangen, waarin hij te kennen heeft gegeven dat hij niet om een nadere zitting verzoekt. Belanghebbende heeft het formulier niet (binnen twee weken) geretourneerd. Het Hof heeft vervolgens, gelet op het bepaalde in artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht, beslist dat het nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1960 en is gehuwd met mevrouw [A] .

2.2.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 26.176. Dit inkomen is opgebouwd uit een WAO-uitkering van € 25.470 en een uitkering van Stichting aanvullingsfonds bouwnijverheid van € 706. Na aftrek van de persoonsgebonden aftrek van € 6.515 bedraagt het belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, van belanghebbende volgens de aangifte € 19.661.

2.3.

De opgevoerde persoonsgebonden aftrek houdt uitsluitend verband met specifieke zorgkosten. Belanghebbende heeft de persoonsgebonden aftrek als volgt berekend:

Uitgaven voor hulpmiddelen

1.200

Uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit

700

Extra uitgaven voor kleding- en beddengoed

310

Genees- en heelkundige hulp

5.170

Totaal

7.380

Af: drempel uitgaven specifieke zorgkosten

865

Persoonsgebonden aftrek

6.515

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende vragen gesteld over de persoonsgebonden aftrek en hem verzocht deze aftrek te onderbouwen. Belanghebbende heeft de vragen van de Inspecteur niet inhoudelijk beantwoord. Evenmin heeft hij bewijsstukken verstrekt. De Inspecteur heeft de aftrekpost inzake de specifieke zorgkosten gecorrigeerd en met dagtekening 8 juni 2016 de onderhavige aanslag IB/PVV 2013 vastgesteld naar een verzamelinkomen van € 26.176. Tevens is belanghebbende bij beschikking belastingrente van € 224 in rekening gebracht. De daartegen gerichte bezwaren heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar afgewezen. Belanghebbende heeft tegen die beslissingen beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.5

Op 2 juni 2017 heeft het eerste onderzoek ter zitting bij de Rechtbank plaatsgevonden. In het proces-verbaal van die zitting is onder meer het volgende opgenomen (waarbij belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’ en de Inspecteur als ‘verweerder’):

“Rechter geeft aan dat hij begrijpt hoe eiser zich vast voelt te zitten in een woud van brievenschrijverij en dat hij daar graag een oplossing voor wil vinden. Hij vraagt of de aangiftes 2010, 2011 en 2012 definitief zijn vastgesteld. Eiser en verweerder bevestigen dat. Voor 2014 en 2015 zijn de aangifte wel vastgesteld, maar verweerder kan niet bevestigen of 2014 en 2015 definitief zijn vastgesteld en of daar specifieke zorgkosten in voorkomen.

De rechter legt aan verweerder de vraag voor hoe hij aankijkt tegen 2013, rekening houdende met de kosten die in de omliggende jaren zijn opgenomen en mogelijk zijn goedgekeurd.

Verweerder kan niet bevestigen of de zorgkosten in alle jaren zijn goedgekeurd.

Aan eiser houdt de rechter voor dat er voor 2013 geen stukken in het dossier aanwezig zijn op basis waarvan de aftrek kan worden verleend.

De rechter vraagt beide partijen of ze akkoord kunnen gaan met het aanhouden van de behandeling, waarbij verweerder de gelegenheid krijgt om te kijken naar de aftrek van zorgkosten in de aangiftes 2010, 2011, 2012, 2014 en 2015 en dan een standpunt zal bepalen over de aftrek van de zorgkosten in 2013. Verweerder gaat akkoord.

Eiser wil graag toevoegen dat er niet meer inhoudelijk naar de zorgkosten in de aangiftes wordt gekeken. De partner [van belanghebbende] vindt dat de zorgkosten waarvoor geen bewijsstukken hoeven worden aangeleverd sowieso moeten worden meegenomen.

Partijen gaan akkoord met het voorstel.”

2.6

De Rechtbank heeft het onderzoek geschorst. In het schorsingsbesluit dat op 13 juni 2017 naar partijen is verzonden, is onder meer het volgende opgenomen:

“De behandeling van het beroep is geschorst omdat verweerder bereid is gevonden de persoonsgebonden aftrek voor uitgaven van specifieke zorgkosten die in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 is opgenomen opnieuw te beoordelen. Daarvoor wordt verweerder in de gelegenheid gesteld om de aangiften IB/PVV van eiser voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2014 en 2015 te bekijken, enkel om vast te stellen of in die aangiftes een persoonsgebonden aftrek voor uitgaven van specifieke zorgkosten in aanmerking is genomen. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat wanneer uit de definitief vastgestelde aangiftes IB/PVV voor de genoemde jaren blijkt dat een persoonsgebonden aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten in aanmerking is genomen, hij de rechtbank zal informeren voor welk gedeelte hij bereid is deze aftrek in de aangifte IB/PVV 2013 alsnog te accepteren. Verweerder zal deze aftrek in de definitieve aangiftes niet inhoudelijk beoordelen.”

2.7

De Inspecteur heeft op 15 juni 2017 een nader stuk bij de Rechtbank ingediend. Daarin heeft hij geschreven dat uit nader onderzoek is gebleken dat belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2012 de volgende specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht: € 75 (2010), € 4.337 (2011) en € 5.890 (2012). De aanslagen zijn conform de aangiften vastgesteld, zonder dat onderzoek is gedaan naar de aanvaardbaarheid van de afgetrokken bedragen. Voorts heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende in de jaren 2014 en 2015 bedragen van € 6.567 (2014) en € 7.827 (2015) aan specifieke zorgkosten in aftrek heeft gebracht. Ook die aangiften zijn zonder nader onderzoek gevolgd en de aanslagen zijn conform de aangiften van belanghebbende vastgesteld. De Inspecteur heeft in het nadere stuk geconcludeerd dat de aftrek van specifieke zorgkosten in de jaren 2010 tot en met 2012, 2014 en 2015 nimmer inhoudelijk is onderzocht, dat de aanvaarding van de aftrek in geen van die jaren is gebaseerd op een ingenomen standpunt en dat daarom geen lijn is door te trekken naar het jaar 2013. Voor het jaar 2013 dient daarom volgens hem geen aftrek van specifieke zorgkosten te worden verleend.

2.8

Belanghebbende heeft in een brief van 25 juni 2017 op het nadere stuk van de Inspecteur gereageerd. Vervolgens heeft bij de Rechtbank een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 1 december 2017. De Rechtbank heeft op 15 januari 2018 uitspraak gedaan. Het beroep van belanghebbende is daarin ongegrond verklaard.

2.9

Op 12 maart 2018 heeft de Inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 2014 en 2015 aan belanghebbende opgelegd en de in die jaren eerder in aftrek aanvaarde specifieke zorgkosten nagevorderd. De tegen die navorderingsaanslagen gerichte bezwaren van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar van 13 september 2018 ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van de door hem in zijn aangifte IB/PVV 2013 opgevoerde specifieke zorgkosten. Indien die vraag ontkennend dient te worden beantwoord, is voorts in geschil of de Inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat belanghebbende niettemin recht heeft op aftrek van die specifieke zorgkosten.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte specifieke zorgkosten in aftrek gebracht. Op hem rust, bij betwisting door de Inspecteur, de last aannemelijk te maken dat hij de gestelde uitgaven voor specifieke zorgkosten heeft gedaan en dat deze uitgaven op hem hebben gedrukt. Belanghebbende heeft daarvan geen verifieerbare gegevens verstrekt. Hij heeft daarom naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat hij in zoverre recht heeft op de geclaimde aftrek.

4.2.

Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank op 2 juni 2017 bij hem het vertrouwen heeft gewekt de zorgkosten in 2013 alsnog in aftrek toe te laten, in lijn met de vastgestelde aftrek van zorgkosten in 2010, 2011, 2012, 2014 en 2015 (hierna: de omliggende jaren). Aangezien uit het nadere onderzoek van de Inspecteur is gebleken dat de zorgkosten in die jaren volledig in aftrek zijn toegelaten houdt de toezegging, aldus belanghebbende, in dat ook in 2013 volledige aftrek moet worden verleend. Voor een inhoudelijke beoordeling van de geclaimde aftrek is volgens belanghebbende, gelet op deze toezegging geen plaats meer. Belanghebbende zoekt steun voor dit standpunt in de in 2.5 en 2.6 weergegeven passages van het proces-verbaal van de zitting van 2 juni 2017 en het schorsingsbesluit van de Rechtbank. Het vertrouwen dat door de Inspecteur is gewekt dient in rechte te worden beschermd, aldus belanghebbende.

4.3.

De Inspecteur bestrijdt het standpunt van belanghebbende en stelt, naar het Hof begrijpt, dat ter zitting van de Rechtbank door hem ‘slechts’ is toegezegd dat alleen wanneer de aftrek van specifieke zorgkosten in één of meerdere van de omliggende jaren na onderzoek akkoord is bevonden, hij een lijn zou doortrekken naar 2013 en een evenredige aftrek van zorgkosten in dat jaar zou accepteren. Aangezien uit het nadere onderzoek is gebleken dat de aangiften van de omliggende jaren zonder inhoudelijke beoordeling zijn gevolgd, kan dit er niet toe leiden dat in 2013 aftrek wordt verleend. De eerder verleende aftrek van zorgkosten in de jaren 2014 en 2015 is bovendien inmiddels nagevorderd, aldus de Inspecteur.

4.4.

Bij de beoordeling van het beroep op het vertrouwensbeginsel neemt het Hof in aanmerking dat beide partijen ervan uitgaan dat het proces-verbaal en het schorsingsbesluit geen onjuiste weergaven bevatten van hetgeen ter zitting van de Rechtbank op 2 juni 2017 is besproken. Het Hof zal deze documenten daarom als uitgangspunt nemen bij het beantwoorden van de vraag of de Inspecteur bij belanghebbende vertrouwen heeft gewekt op de wijze zoals door belanghebbende is gesteld. Daarbij merkt het Hof nog op dat, aangezien de zitting van 2 juni 2017 door andere medewerkers van de Belastingdienst is bijgewoond dan de personen die de procedure nadien (in beroep en hoger beroep) hebben overgenomen, het verstandig was geweest wanneer de later optredende ambtenaren van de Belastingdienst, nu de interpretatie van hetgeen op die zitting is voorgevallen in geschil is, navraag hadden gedaan bij de medewerkers die bij de betreffende zitting aanwezig zijn geweest. Het valt te betreuren dat dat in casu niet is geschied.

4.5.

Aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat voor zijn uitleg aanknopingspunten zijn te vinden in de stukken. In het proces-verbaal is immers te lezen dat de Inspecteur niet kan verklaren of de zorgkosten in de omliggende jaren zijn ‘goedgekeurd’. Naar het oordeel van het Hof ligt het voor de hand dat met een ‘goedkeuring’ een inhoudelijke toets van de genoemde aftrekpost is bedoeld, zodat hierin steun zou kunnen worden gevonden voor de uitleg van de Inspecteur. Het is echter ook mogelijk, zoals de Inspecteur ter zitting van het Hof heeft beaamd, dat belanghebbende – een zelfverklaarde leek op het gebied van belastingrecht – de term ‘goedkeuring’ als het enkele volgen van zijn aangiften heeft opgevat, welke uitleg steun geeft aan belanghebbendes standpunt.

4.6.

Het Hof stelt vervolgens vast dat een discrepantie is waar te nemen tussen het proces-verbaal van de zitting en het door de Rechtbank opgemaakte schorsingsbesluit. In het proces-verbaal is namelijk te lezen dat de Inspecteur de aftrek van zorgkosten van de omliggende jaren zal bekijken en dan een standpunt zal bepalen over de aftrek van zorgkosten in 2013. In het schorsingsbesluit staat dat de Inspecteur heeft verklaard dat als blijkt dat in de omliggende jaren aftrek van zorgkosten is vastgesteld, hij zal aangeven welke aftrek hij in 2013 alsnog zal accepteren en vervolgens, dat de Inspecteur de aftrek in de definitieve aangiftes – het Hof gaat ervan uit dat hier bedoeld is: aanslagen – niet inhoudelijk zal beoordelen. Het schorsingsbesluit lijkt derhalve verder te gaan dan het proces-verbaal van de zitting. De Inspecteur heeft desgevraagd ter zitting van het Hof deze discrepantie onderschreven. Partijen hebben voor deze discrepantie geen verklaring kunnen geven.

4.7.

De uitlatingen van de Inspecteur, zoals weergegeven in het proces-verbaal en het schorsingsbesluit, in onderlinge samenhang bezien, kunnen objectief en redelijkerwijs bezien (vanuit het perspectief van een belastingplichtige) zo worden opgevat dat wanneer er zonder nader inhoudelijk onderzoek volledige aftrek van zorgkosten is verleend in de omliggende jaren, een navenante aftrek in 2013 door de Inspecteur zal worden verleend. Gelet hierop, alsmede op de omstandigheid dat belanghebbende inhoudelijk niet deskundig is, dient naar het oordeel van het Hof het voordeel van de twijfel op dit punt, in het kader van de behandeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel, aan belanghebbende te worden gegund. De voorwaarde voor aftrek die volgens de Inspecteur is gesteld, namelijk dat voor 2013 alleen aftrek kan volgen als de aftrek van zorgkosten van de omliggende jaren is toegestaan na een inhoudelijke toets en standpuntbepaling, blijkt onvoldoende uit de geciteerde passages. De Inspecteur heeft deze voorwaarde naar het oordeel van het Hof onvoldoende kenbaar gemaakt. Het Hof merkt nadrukkelijk nog op dat het hier gegeven oordeel van het Hof dat de Inspecteur vertrouwen heeft gewekt met betrekking tot de aftrek van specifieke zorgkosten alleen geldt voor het jaar 2013. Het proces-verbaal en het schorsingsbesluit zien immers alleen op verklaringen die de Inspecteur in het kader van aftrek in het jaar 2013 heeft gedaan. Belanghebbende kan derhalve voor andere jaren niet hierop een beroep doen.

4.8.

Voor zover de Inspecteur zich op het standpunt stelt dat belanghebbendes opvatting met betrekking tot de in de procedure bij de Rechtbank gedane uitlatingen van de Inspecteur zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende aan die uitlatingen geen vertrouwen kan ontlenen, althans niet een vertrouwen dat in rechte dient te worden beschermd, verwerpt het Hof dit standpunt. Van een dergelijke strijdigheid is naar het oordeel van het Hof geen sprake, aangezien de Inspecteur in de gegeven omstandigheden bevoegd was (alnog) de aftrek van kosten te accepteren.

4.9.

Ter zake van de hoogte van de in aanmerking te nemen zorgkosten in 2013 oordeelt het Hof als volgt. Bij de aanslagen voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2014 en 2015 zijn de opgevoerde zorgkosten volledig in aftrek toegestaan. Belanghebbende mocht daarom, gelet op de wijze waarop hij de uitlatingen van de Inspecteur heeft opgevat en redelijkerwijs mocht opvatten, redelijkerwijs ervan uitgaan dat de door hem in 2013 opgevoerde zorgkosten eveneens geheel voor aftrek in aanmerking zouden komen. Daaraan doet niet af dat de Inspecteur reeds op 2 december 2016 vragenbrieven naar belanghebbende heeft gestuurd over de - op dat moment reeds bij (primitieve) aanslagen vastgestelde - aftrek van zorgkosten over 2014 en 2015, noch dat hij het onderzoek daarnaar later, nadat de Rechtbank uitspraak had gedaan over 2013, heeft voortgezet en uiteindelijk de aftrek van die kosten in 2014 en 2015 door middel van navorderingsaanslagen heeft gecorrigeerd.

4.10.

Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de belastingrente tot een te hoog bedrag is berekend. Gelet op het in 4.9 overwogene dient de aanslag te worden vastgesteld overeenkomstig de aangifte en de reeds opgelegde voorlopige aanslag. De beschikking belastingrente dient te worden vernietigd. De door belanghebbende opgeworpen klachten over de hoogte van de belastingrente behoeven verder geen behandeling.

4.11.

Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding omdat de zaak in zijn visie reeds op of vlak na 2 juni 2017 had moeten zijn afgedaan. Hij verzoekt om schadevergoeding voor het verloop tussen de periode 2 juni 2017 en algehele voldoening van de afspraken. Het Hof vat het verzoek van belanghebbende op als een verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met het overschrijden van de redelijke termijn, waarbij aan de in de jurisprudentie gegeven kaders zal worden getoetst. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt, uitspraak doet. Voor de berechting in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het gerechtshof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld (HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.3.1, 3.4.2 en 3.4.3). Het bezwaarschrift is op 12 juli 2016 door de Inspecteur ontvangen. De Rechtbank heeft op 15 januari 2018 uitspraak gedaan. Daarmee is de tweejaarstermijn in eerste aanleg niet overschreden. Evenmin is de tweejaarstermijn in hoger beroep overschreden, nu het Hof met deze uitspraak binnen een jaar na het ingediende hogerberoepschrift, van 5 februari 2018, uitspraak heeft gedaan. Voor toekenning van een immateriëleschadevergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

4.12.

Belanghebbende heeft voorts verzocht om schadevergoeding vanwege de ten onrechte opgelegde navorderingsaanslagen over 2014 en 2015, alsmede om dwangsommen in verband met het niet tijdig beslissen op (bezwaren tegen de) definitieve aanslagen over 2014 en 2015. Aangezien de onderhavige procedure enkel ziet op de aanslag over 2013, is het Hof niet bevoegd deze verzoeken van belanghebbende te behandelen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 258 voor de kosten in beroep (reiskosten en verletkosten van twee zittingen Rechtbank) en € 129 voor de kosten in hoger beroep (reiskosten en verletkosten zitting Hof) ofwel in totaal op € 387. Voor vergoeding van andere kosten biedt het Besluit proceskosten bestuursrecht geen ruimte.

Tevens dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden van € 46 bij de Rechtbank en € 126 bij het Hof, in totaal derhalve € 172.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.661,

– vernietigt de beschikking belastingrente,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 387,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 46 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 126 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Gladpootjes, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. In zijn plaats tekent mr. R. den Ouden.

De beslissing is op 22 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, Namens de voorzitter,

(J.H. Riethorst) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 januari 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.