Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4371

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
200.230.237/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebreken aan melkinstallatie; verjaringsverweer verworpen; stelplicht met betrekking tot tekortkomingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.230.237/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/117252 / HA ZA 16-253)

arrest van 21 mei 2019

in de zaak van

Maatschap [appellanten] h.o.d.n. Landbouwbedrijf [appellanten] ,

gevestigd te [A] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellanten],

advocaat: mr. H.D. Wind, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

1 Huisjes Mechanisatie V.O.F.,

gevestigd te Rogat,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [B] ,

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [B] ,

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [C] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk (in enkelvoud) te noemen: Huisjes,

advocaat: mr. L.C. van der Veer, kantoorhoudend te Meppel.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 20 november 2018 hier over. Op grond van dat arrest heeft op 12 februari 2019 met voorafgaande toestemming van partijen een enkelvoudige comparitie van partijen plaatsgevonden, ten overstaan van de raadsheer-commissaris die deel uitmaakt van de hofcombinatie die dit arrest wijst. Van de comparitie van partijen is een proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben aan het eind van de comparitie weer arrest gevraagd, te wijzen op basis van het voor het tussenarrest van 20 november 2018 overgelegde procesdossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie en de daarin genoemde nadere stukken.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2

[appellanten] heeft een boerenbedrijf. Huisjes is een leverancier van melkinstallaties. Partijen hebben op 29 mei 2008 een overeenkomst gesloten op basis waarvan

Huisjes een zogenoemde 7-6-4 driehoek melkinstallatie en de daaraan gekoppelde systemen waaronder een krachtvoersysteem, een tochtdetectiesysteem en een koeherkenningssysteem aan [appellanten] zou leveren en installeren tegen een totaalprijs van € 100.000,-. In het contract is opgenomen dat de prijs exclusief bouwkundige voorzieningen, gas, water en elektra (boven 24 V) en inclusief montage is.

2.3

In juli 2008 zijn het voersysteem en het koeherkenningssysteem geleverd en

geïnstalleerd. In januari 2009 is de melkinstallatie door Huisjes geïnstalleerd en door

[appellanten] in gebruik genomen. [appellanten] heeft vanaf de ingebruikname meerdere keren

melding bij Huisjes gemaakt van storingen aan de gehele installatie.

2.4

Op 20 november 2013 heeft de heer [D] van GEA Farm Technologies

Leeuwarden (de fabrikant van de door Huisjes geleverde installaties, hierna te noemen: GEA) naar aanleiding van een bezoek aan [appellanten] een stappenplan opgesteld om tot een oplossing te komen. Het stappenplan luidt als volgt:

“1. Huisjes zorgt ervoor dat een overzicht van de facturen naar [appellanten] verstuurd.

2. Huisjes zal hekbedieningskasten zodanig veranderen/verplaatsen dat vocht hierop geen

invloed meer kan hebben.

3. Voorwaarde voor de aanpassing door Huisjes is dat u de aarding van de installatie

vervolgens laat controleren door een bedrijf met expertise. Ons voorstel is om hiervoor het

bedrijf van der Heide uit Kollum in te schakelen te bereiken op telefoonnummer [00000]

. Dit bedrijf is gespecialiseerd in het meten van spanningen in rundveestallen. U

schakelt dit bedrijf in en mag 50% van de kosten van deze controle doorbelasten aan GEA

Farm Technologies Leeuwarden t.a.v. [E] .

4. U laat van een aantal koeien met mastitis, bacteriologisch onderzoek laten doen om te

achterhalen welke bacteriën de oorzaak zijn van de mastitis. Deze informatie moet bekend

zijn voordat een onafhankelijke expert een natte meting komt uitvoeren.

5. Na controle van de aarding laat u een natte meting uit voeren door een onafhankelijk

expert ( [F] /GD). U geeft de opdracht en mag 50% van de kosten doorbelasten aan

GEA FT Leeuwarden t.a.v. [E] .

6. Nadat de aarding en de natte meting gedaan zijn zal i.o.m. de natte meter specialist,

dealer Huisjes en GEA FT Leeuwarden bekeken worden welke stappen vervolgens gezet

moeten worden om het melken beter te laten verlopen. "

2.5

Op 14 januari 2014 heeft Huisjes overeenkomstig bovenstaand stappenplan twee

monteurs naar [appellanten] gestuurd om de hekbedieningskasten te veranderen/verplaatsen.

[appellanten] heeft hen de toegang geweigerd.

2.6

Bij brief van 12 februari 2014 heeft de gemachtigde van [appellanten] onder meer het

volgende geschreven aan Huisjes.

'Tussen u en mijn cliënt is een koopovereenkomst tot stand gekomen. U bent tekortgeschoten

in de nakoming van uw verbintenis door een systeem te leveren dat niet functioneert zoals

mijn cliënt mocht verwachten bij de aanschaf daarvan. Derhalve stel ik u in gebreke.

Bovendien stel ik u hierbij aansprakelijk voor eventueel later te bepalen schade die mijn

cliënt heeft geleden als gevolg van uw tekortkoming in de nakoming van de verbintenis.

(…)

Deze brief geschiedt ter inroeping, verwezenlijking en bewaring van rechten van mijn cliënt en meer in het bijzonder teneinde te verhinderen dat deze aanspraken getroffen zouden worden door verjaring of verval en moet worden beschouwd als een schriftelijke mededeling in de zin van artikel 3:317 BW ”

Namens [appellanten] is in die brief een voorstel gedaan om gezamenlijk over te gaan tot het benoemen van een expert.

2.7

Bij brief van 21 maart 2014 is namens Huisjes aangegeven dat zij uitvoering wil

geven aan het hiervoor onder 2.4. vermelde stappenplan, op voorwaarde dat [appellanten] een

openstaande factuur aan haar betaalt. Zij geeft in haar brief aan dat zij - vanwege het

voorliggende stappenplan - geen reden ziet om in te gaan op het voorstel van [appellanten] om

het geschil te laten beslechten door middel van een bindend advies.

2.8

Bij brief van 6 mei 2014 heeft de gemachtigde van [appellanten] aangegeven dat

[appellanten] over zal gaan tot het benoemen van een onafhankelijk expert.

2.9

Bij schrijven van 20 mei 2014 heeft Huisjes nogmaals aangegeven dat zij

uitvoering wenst te geven aan het stappenplan.

2.10

De door [appellanten] ingeschakelde deskundige, de heer [F] van Melkwinning, heeft op 5 februari 2015 een schriftelijke rapportage uitgebracht.

2.11

Bij brief van 18 maart 2015 heeft de toenmalige gemachtigde van [appellanten] Huisjes verzocht gebreken aan het koeherkenningssysteem, de voerbox, het krachtvoerberekeningssysteem, het tochtherkenningssysteem en de bedieningskasten binnen 14 dagen te verhelpen en Huisjes aansprakelijk gesteld voor de door [appellanten] geleden schade als gevolg van die tekortkomingen.

2.12

Countus Accountants en Adviseurs heeft in opdracht van [appellanten] onderzoek gedaan naar de omvang van de door [appellanten] geleden schade en zij heeft hiervan op 4 april 2016 een schaderapport uitgebracht.

2.13

Bij brief van 19 augustus 2016 is Huisjes namens [appellanten] verzocht om de door

Countus begrote schade te betalen.

2.14

De door [appellanten] ingeschakelde deskundige [F] heeft naar aanleiding van een op 22 maart 2018 verricht onderzoek op het bedrijf van [appellanten] op 23 april 2018 wederom een rapport uitgebracht.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

[appellanten] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd te verklaren voor recht dat Huisjes hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [appellanten] heeft geleden ten gevolge van ernstige tekortkomingen in de nakoming van de verplichtingen uit de koopovereenkomst door Huisjes, op grond van dwaling nietig te verklaren dat gedeelte van de koopovereenkomst dat betrekking heeft op het zogenaamde tochtdetectiesysteem, Huisjes hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 334.723,37, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 1 september 2016 en Huisjes te veroordelen tot betaling van € 15.000,-, bij wijze van terugbetaling van een gedeelte van de koopprijs aan [appellanten] ten gevolge van de partieel vernietigde overeenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag. Verder heeft [appellanten] gevorderd hoofdelijke veroordeling van Huisjes tot betaling van € 8.470,- ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en in de proceskosten.

3.2.

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 november 2017 de vorderingen van [appellanten] afgewezen, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van Huisjes, die door de rechtbank zijn vastgesteld op € 11.894,-. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat Huisjes niet in verzuim is geraakt en door [appellanten] ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om gebreken te herstellen (artikel 7:759 BW).

4. De beoordeling van de grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep en de vorderingen

4.1

[appellanten] heeft tegen het vonnis van de rechtbank drie grieven gericht, die ertoe strekken dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de vorderingen van [appellanten] alsnog worden toegewezen. Het incidenteel beroep van Huisjes strekt er toe dat de vorderingen van [appellanten] moeten worden afgewezen omdat hun rechtsvorderingen volgens Huisjes zijn verjaard op grond van artikel 7:23 lid 2/7:761 lid 1 BW.

4.2

De grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. Het incidenteel hoger beroep is overigens onnodig ingesteld, omdat Huisjes daarmee geen ander dictum nastreeft. Het hof had het in dit hoger beroep aan de orde gestelde verjaringsverweer ook zonder incidenteel hoger beroep bij de beoordeling moeten betrekken. Uit doelmatigheidsoverwegingen zal het hof dit verjaringsverweer als eerste beoordelen. Immers indien het slaagt stranden de vorderingen van [appellanten] daarop en behoeven deze geen inhoudelijke beoordeling.

Verjaring

4.3

Huisjes beroept zich voor zijn verjaringsverweer in hoger beroep op artikel 7:23 lid 2 BW en op artikel 7:761 lid 1 BW. De herstelfunctie van het hoger beroep biedt een partij de mogelijkheid tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. De oorspronkelijk gedaagde partij mag daarom zijn verweer in hoger beroep aanvullen of wijzigen, tenzij sprake is van een gedekt verweer en mits die aanvulling of wijziging tijdig is gedaan. Dat laatste staat niet ter discussie.

Uit het enkele feit dat Huisjes in eerste aanleg alleen een beroep op de algemene verjaringsregels (artikel 3:310 BW) heeft gedaan kan niet worden afgeleid dat zij het recht om in hoger beroep een aanvullend verjaringsverweer te voeren heeft prijsgegeven en dat daarom sprake is van, zoals [appellanten] dat noemt, rechtsverwerking. Van een gedekt verweer is in die omstandigheden evenmin sprake.

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat hun overeenkomst een gemengd karakter heeft en dat zowel de bepalingen uit van titel 1, afdeling 2 van boek 7 BW (koop) als de bepalingen van titel 12, afdeling 1 (aanneming van werk) daarop van toepassing zijn. Met het oordeel van de rechtbank daarover kunnen partijen zich verenigen. Weliswaar heeft [appellanten] tegen het oordeel van de rechtbank haar grief 2 in het principaal hoger beroep gericht, maar uit de toelichting daarop blijkt dat [appellanten] geen inhoudelijk bezwaar heeft tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een gemengde overeenkomst. De grief bevat twee onderdelen: voor zover wordt geklaagd over de processuele gang van zaken (omdat de rechtbank partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld zich over de kwalificatie van de overeenkomst uit te laten) heeft [appellanten] bij een oordeel daarover geen belang, gezien haar met die kwalificatie overeenstemmende inhoudelijke standpunt. Voor zover wordt geklaagd dat geen oplevering heeft plaatsgevonden, aldus dat de rechtbank ten onrechte zou hebben geoordeeld dat artikel 7:759 BW van toepassing is, komt dat hierna zonodig nog aan de orde.

4.5

Volgens Huisjes, op wie de bewijslast rust van het bevrijdende verjaringsverweer, zijn de vorderingen van [appellanten] reeds in februari 2011 verjaard, zowel op grond van artikel 7:23 lid 2 BW als op grond van artikel 7:761 lid 1 BW. Volgens Huisjes heeft [appellanten] direct na de ingebruikneming van de installatie in januari 2009 geklaagd over gebreken, zodat de vordering twee jaren na dat eerste protesteren is verjaard.

4.6

Artikel 7:23 lid 2 BW bepaalt dat rechtsvorderingen (en verweren) die gegrond zijn op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoord verjaren door verloop van twee jaren na de kennisgeving van de koper aan de verkoper dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoord. Volgens artikel 7:261 lid 1 BW verjaart elke rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk door verloop van twee jaren nadat de opdrachtgever ter zake heeft geprotesteerd.

4.7

Huisjes heeft geen concrete datum genoemd waarop [appellanten] voor het eerst over de gebreken aan de geleverde melkinstallatie en de door Huisjes verrichte installatiewerkzaamheden heeft geklaagd. Wel staat vast dat [appellanten] daarover geklaagd heeft. Huisjes volgt daarvoor de stelling van [appellanten] dat direct na ingebruikneming van de melkinstallatie gebreken zijn geconstateerd. [appellanten] heeft op de comparitie bij het hof desgevraagd verklaard dat in ieder geval binnen een half jaar na ingebruikname van de installatie problemen ontstonden. . Gezien het feit dat de installatie in januari 2009 in gebruik is genomen moet dat dus voor eind juli 2009 zijn geweest. Daaruit blijkt echter nog niet wanneer [appellanten] er over heeft geklaagd dat de geleverde installatie niet aan de overeenkomst beantwoord Het staat wel vast dat Huisjes na het klagen van [appellanten] op enig moment monteurs heeft gestuurd om te proberen de problemen op te lossen. Huisjes heeft echter niet gesteld wanneer dat is geweest. Er bestaat daarom zodanige onduidelijkheid over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn dat niet voldoende duidelijk is dat die termijn in februari 2011 is verstreken, zoals door Huisjes is gesteld. Huisjes heeft haar stellingen daarover onvoldoende onderbouwd en in zoverre niet aan haar stelplicht voldaan.

Aan bewijslevering hierover komt het hof dan ook niet toe; Huisjes heeft overigens ook geen hierop toegespitst bewijsaanbod gedaan. Voor het geval in de stellingen van Huisjes moet worden gelezen dat zij zich erop beroept dat de verjaring in ieder geval al voor
12 februari 2014 was voltooid, voegt het hof hier nog het volgende aan toe. Nu niet ter discussie staat dat de brief van 12 februari 2014 op zich naar inhoud een stuitingshandeling is, heeft die brief een lopende verjaring kunnen stuiten, tenzij de verjaringstermijn al voor
12 februari 2012 zou zijn aangevangen. Huisjes heeft niet, met feiten en omstandigheden onderbouwd, gesteld dat dit het geval is geweest. . Dat de verjaring na 12 februari 2014 steeds tijdig is gestuit tot aan het moment van dagvaarden staat niet ter discussie. Daarbij merkt het hof nog op dat de dagvaarding in eerste aanleg volgens het procesdossier waarover het hof beschikt zou zijn betekend aan Huisjes op 8 december 2017: dat moet klaarblijkelijk echter 8 december 2016 zijn, zoals door [appellanten] is gesteld, gezien de datum van de rolzitting waartegen Huisjes is opgeroepen (21 december 2016), de datum waarop Huisjes de conclusie van antwoord heeft genomen (1 februari 2017) en de datum van het bestreden vonnis.

4.8

Op grond van het voorgaande falen de grieven in het incidenteel hoger beroep en daarmee het beroep van Huisjes op verjaring.

tekortkoming

4.9

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.5 van bestreden vonnis geoordeeld dat Huisjes niet in verzuim is geraakt en niet op grond van artikel 7:759 BW in staat is gesteld gebreken te herstellen, zodat de schadevorderingen moeten worden afgewezen. Met haar grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep komt [appellanten] tegen dat oordeel op. Die grieven zijn slechts van belang indien de vorderingen van [appellanten] kans van slagen hebben, hetgeen het hof daarom eerst zal beoordelen.

4.10

Het hof is van oordeel dat [appellanten] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door Huisjes geleverde zaken die onderdeel van de melkinstallatie waren bij de aflevering daarvan in 2008 en 2009 gebreken vertoonden, aldus dat de afgeleverde zaken op dat moment niet aan de overeenkomst beantwoordden, of dat Huisjes toen fouten bij de installatie heeft gemaakt. Volgens [appellanten] was sprake van een niet goed functionerend koeherkenningssysteem, van een niet goed bruikbaar automatisch voersysteem en van onjuist geplaatste hekbedieningskasten (dagvaarding eerste aanleg in randnummer 5), maar in hoeverre dat kan worden toegeschreven aan eigenschappen van de geleverde zaken of aan installatiefouten van Huisjes heeft [appellanten] niet nader en onvoldoende toegelicht.

4.11

Een dergelijke noodzakelijke toelichting of verduidelijking ter onderbouwing van de tekortkoming van Huisjes blijkt niet uit de rapporten van [F] uit 2014 en 2018 waarop [appellanten] zich beroept of uit de bevindingen van [G] van GEA. [F] heeft in zijn eerste rapport in 2014 ten aanzien van het systeem van koeherkenning opgemerkt dat die op dat moment naar behoren werkte en dat foutmeldingen voornamelijk werden veroorzaakt door een verkeerd gebruik van de bedieningsapparatuur door onvoldoende instructie bij het gebruik van de apparatuur in de melkstal. Ten aanzien van de automatische krachtvoerberekening heeft [F] opgemerkt dat ‘vreemde dingen’ gebeuren, maar geen concrete invulling gegeven aan die ‘vreemde dingen’. Het tweede rapport van [F] uit 2018 maakt wat betreft het koeherkenningssysteem er melding van dat het systeem nauwkeurig werkt, zij het dat een koeherkenning van 99% niet wordt gehaald, maar ook dat is zonder nadere toelichting die ontbreekt onvoldoende om aannemelijk te maken dat Huisjes is tekortgeschoten, te minder nu [appellanten] niet heeft gesteld dat dit haalbaarheidspercentage tussen partijen bij het aangaan van de overeenkomst is overeengekomen. Ten aanzien van de automatische krachtvoerherkenning herhaalt [F] dat er vreemde dingen gebeuren, maar evenals in zijn eerdere rapport zonder nadere concrete invulling te geven die wijst op een tekortkoming van Huisjes.

Ook de bevinding van [F] dat het melken van de koeien nu goed gaat na doorgevoerde veranderingen, maar dat moeilijk is te bepalen welk effect deze veranderingen hebben gehad mede door het ontbreken van pulsatiemetingen ( memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep in randnummer 14) maakt onvoldoende duidelijk dat er in dat opzicht sprake is van een tekortkoming van Huisjes.

4.12

[G] heeft op 23 januari 2013 en 18 februari 2013, samen met een collega, een bezoek gebracht aan het bedrijf van [appellanten] om metingen te doen en beoordelingen te geven voor en tijdens het melken van koeien door [appellanten] . Op diens rapportages heeft [appellanten] geen toelichting gegeven, zodat niet duidelijk is wat [appellanten] daarmee beoogt en welke gevolgtrekking daaraan moet worden verbonden ter zake de door hem gestelde tekortkomingen van Huisjes.

causaal verband

4.13

Niet alleen heeft [appellanten] haar stellingen ten aanzien van een tekortkoming van Huisjes onvoldoende onderbouwd, maar ook voor het causaal verband tussen de gestelde tekortkomingen en de schade die zij stelt te hebben geleden heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Volgens [appellanten] heeft zij te kampen gehad met koeien die last hebben gekregen van mastitis, hetgeen zou hebben geleid tot een lagere melkopbrengst, maar dat dit een gevolg is van het onjuist plaatsen van de hekbedieningskasten of het koeherkennings- en voedselberekeningssysteem is door [appellanten] in het geheel niet toegelicht. Ook de overige in het rapport van Countus genoemde schadefactoren – arbeidskosten, lagere kasstroom, aankoop fosfaatrechten – zijn door [appellanten] niet in voldoende causaal verband gebracht met deze tekortkomingen. Uit het rapport zelf kan dat zonder toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid. Ook ten aanzien van het causaal verband schieten de stellingen van [appellanten] tekort. De vorderingen van [appellanten] stranden voor zover zij zijn gebaseerd op een tekortkoming van Huisjes.

dwaling

4.14

Grief 3 in het principaal hoger beroep betreft het beroep van [appellanten] op dwaling ten aanzien van het tochtherkenningssysteem. De rechtbank heeft daarover in rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis geoordeeld dat [appellanten] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat de overeenkomst met Huisjes met betrekking tot het tochtdetectiesysteem onder invloed van dwaling tot stand is gekomen, gelet op de vereisten die nodig zijn voor een geslaagd beroep op dwaling (rechtsoverweging 4.7 van het vonnis). Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank, nu [appellanten] ook in hoger beroep haar stellingen omtrent de dwaling onvoldoende met feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. Haar stelling dat [geïntimeerde4] zou zijn gevraagd of het nieuwe systeem beter functioneerde dan het systeem van Fullwood dat [appellanten] gebruikte en dat [geïntimeerde4] toen zou hebben gezegd dat het nieuwe systeem beter functioneerde dan het oude, is daarvoor onvoldoende concreet, omdat daarmee niet voldoende is toegelicht op welk specifiek punt van het nieuwe systeem [appellanten] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gekregen als gevolg van onjuiste of onvolledige mededelingen van Huisjes. Evenmin is die stelling toereikend voor het aannemen van wederzijdse dwaling. Dat geldt te meer nu Huisjes onweersproken heeft gesteld dat [appellanten] uitgebreid is voorgelicht over de werking van het systeem en dat aan [appellanten] een referentielijst met gebruikers is gegeven. Grief 3 in het principaal hoger beroep kan daarom niet slagen. .

4.15

Omdat [appellanten] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof aan bewijslevering niet toe, nog daargelaten dat [appellanten] in hoger beroep geen concreet en specifiek relevant bewijsaanbod heeft gedaan: zij heeft niet gesteld welke feiten en omstandigheden zij aanbiedt te bewijzen en wie van de genoemde getuigen over welke feiten en omstandigheden een verklaring zou kunnen afleggen. Het voorgaande brengt mee dat [appellanten] geen belang heeft bij de hiervoor in rechtsoverweging 4.4 en 4.9 genoemde beoordeling van haar grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroep: ook als die zouden slagen, kan dat nog niet leiden tot toewijzing van zijn vorderingen.

4.16

Het voorgaande brengt mee dat het hof het bestreden vonnis van de rechtbank, onder verbetering van gronden, zal bekrachtigen. Het hof zal [appellanten] in de proceskosten van Huisjes in hoger beroep veroordelen, omdat [appellanten] in het ongelijk wordt gesteld. Het hof stelt die proceskosten van Huisjes vast op een bedrag van € 5.270,- aan verschotten (het door Huisjes betaalde griffierecht) en op € 7.838,- voor salaris van de advocaat van Huisjes
(2 punten in tarief VI) in het principaal hoger beroep. Het incidenteel hoger beroep is, zoals in rechtsoverweging 4.2 is overwogen, onnodig ingesteld: dat leidt naar vaste rechtspraak niet tot een proceskostenveroordeling.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van

8 november 2017;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Huisjes vastgesteld op € 5.270,- voor verschotten en op € 7.838,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

- verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. O.E. Mulder en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

21 mei 2019.