Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4360

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
200.226.054/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadebegroting. Omdat het hof, ook na een tussenarrest, nog niet beschikt over alle voor de schadebegroting noodzakelijke gegevens, wordt de zaak verwezen naar de schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.226.054/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5651390 CV EXPL 17-593)

arrest van 21 mei 2019

in de zaak van

Investment Drenthe B.V.,

gevestigd te De [C] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Investment,

advocaat: mr. H.J. Berends, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J. Doornbos, kantoorhoudend te Groningen.


Het hof neemt het tussenarrest van 4 december 2018 hier over.

1
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof Investment in de gelegenheid gesteld een akte te nemen.

1.2

Vervolgens hebben partijen de volgende processtukken gewisseld:
- een akte uitlating en overlegging producties aan de zijde van Investment;
- een akte aan de zijde van [geïntimeerde] .

1.3

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd en de processtukken ingediend, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2
2. De verdere bespreking van de grieven

2.1

In het tussenarrest van 4 december 2018 heeft het hof bepaald dat Investment rechthebbende is op de vordering van [B] (hierna: [B] ) en/of Diamond Invest B.V. (hierna: Diamond) op [geïntimeerde] in verband met de vernieling van het toegangshek op het erf van het adres [a-straat 1] te [C] (hierna: het hekwerk). Ook heeft het hof bepaald dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door het toegangshek te vernielen en aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. Over de begroting van de schade heeft het hof overwogen dat de schade kan worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer van het hekwerk, de marktwaarde. Om de schade te kunnen begroten, heeft het hof Investment om aanvullende informatie gevraagd.

2.2

Investment heeft aanvullende informatie verstrekt, maar heeft zich ook uitgelaten over de overwegingen van het hof over de wijze van schadebegroting en over de stelplicht en bewijslast.

2.3

Anders dan Investment betoogt, ziet het hof geen reden om in dit geval een andere maatstaf te hanteren dan de marktwaarde. Zoals het hof onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:208) heeft overwogen, is het uitgangspunt dat wanneer, zoals hier, een zaak geheel en al verloren gaat voor de rechthebbende doordat herstel niet mogelijk of niet economisch verantwoord is, deze door dit verlies een nadeel lijdt in zijn vermogen gelijk aan de waarde van de zaak, die kan worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer, de 'marktwaarde'. Behoudens bijzondere, door de rechthebbende te stellen omstandigheden, wordt daarmee recht gedaan aan het uitgangspunt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de positie moet worden gebracht waarin hij zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis zou hebben verkeerd.
De door Investment nu aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen uitzondering op het hiervoor vermelde uitgangspunt. Ze kunnen wel een rol spelen bij de bepaling van de marktwaarde. Wanneer het hekwerk inderdaad beschikt over de kwaliteiten die Investment het hekwerk toedicht (speciaal gemaakt, met afwijkende maatvoering, van aanzienlijk sterker materiaal dan gebruikelijk en met speciale motoren), zal dat tot uitdrukking zijn gekomen in de nieuwprijs, terwijl de gestelde uitstekende staat van het hekwerk ("in zowel technisch als visueel opzicht in nieuwstaat") van invloed is op een eventueel toe te passen afschrijving.

2.4

Investment betoogt dat het bewijsrisico betreffende de waarde van het hekwerk op [geïntimeerde] moet worden afgewenteld. Uitgangspunt is dat ten aanzien van het bestaan en de omvang van de schade in beginsel de gewone bewijsregels gelden maar dat de rechter ingevolge artikel 6:97 BW bevoegd is de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard van deze schade in overeenstemming is of de schade te schatten indien deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld (vgl. Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483). Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv vloeit voort dat stelplicht en bewijslast van de (omvang van de) schade op de benadeelde rusten. Daarbij geldt dat aan stelplicht en bewijslast onder omstandigheden - bijvoorbeeld voor wat betreft het bewijs van de hypothetische situatie - niet al te hoge eisen kunnen worden gesteld.

2.5

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het betoog van Investment over het afwentelen van het bewijsrisico in zijn algemeenheid niet opgaat. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval ook geen reden om Investment te volgen. De waarde van het hekwerk kan worden vastgesteld op grond van informatie die zich in het 'domein' van Investment bevindt, niet in dat van [geïntimeerde] . Het gaat ook niet om informatie over een hypothetische situatie. Het enkele feit dat [geïntimeerde] de schade heeft veroorzaakt, rechtvaardigt niet om het risico van het ontbreken van deze informatie voor rekening van [geïntimeerde] te laten komen.

2.6

Het hof stelt vast dat Investment geen factuur heeft overgelegd betreffende de aanschaf van het hekwerk. Volgens Investment heeft zij deze factuur niet (meer). [geïntimeerde] heeft er terecht op gewezen dat in de advertentie op marktplaats, waarbij het beschadigde hekwerk te koop is aangeboden, is vermeld "Nieuwprijs ruim 12.000,- euro factuur aanwezig". Die vermelding is, zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet te verenigen met de stelling van Investment dat zij geen factuur heeft en dat zij die, ondanks allerlei inspanningen, ook niet heeft kunnen verkrijgen. Investment heeft ook geen andere informatie overgelegd waaruit de waarde van het hek kan worden afgeleid, zoals jaarrekeningen van haarzelf of van Investment waarin de aanschafwaarde van het hek (bijvoorbeeld uit de specificatie van de posten inventaris of gebouwen) blijkt.

2.7

Investment heeft slechts summiere informatie verstrekt over een eventuele verzekeringsuitkering. Zij heeft aangegeven dat zij noch Diamond Invest noch [B] een verzekeringsuitkering heeft ontvangen en heeft een polis van een garageverzekering overgelegd. Volgens haar biedt deze polis geen dekking voor de schade aan het hekwerk.
Dat laatste vindt het hof begrijpelijk. Minder begrijpelijk is dat alleen een polis van een garageverzekering is overgelegd, maar niet van een opstalverzekering. Dat een dergelijke verzekering niet is afgesloten voor het pand, is onwaarschijnlijk. Investment heeft geen verklaring overgelegd van haar tussenpersoon, of van haar verzekeraar, inhoudende dat de schade aan het hek niet is gemeld of niet is uitgekeerd. Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat zij geen verzekeringsuitkering heeft ontvangen.

2.8

De slotsom is dat Investment, ondanks dat het hof haar daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, de informatie om de schade aan het hekwerk te kunnen begroten niet heeft aangereikt. Dàt schade is geleden in verband met de vernieling van het hekwerk staat buiten kijf. De schade kan echter nog niet worden begroot, waarbij het hof aantekent dat het geen reden ziet tot schatting omdat niet kan worden uitgesloten dat meer informatie voorhanden is en alsnog beschikbaar gesteld kan worden.

2.9

Het hof ziet in een en ander aanleiding om de zaak, ambtshalve, te verwijzen naar de schadestaat. In de schadestaatprocedure heeft Investment dan de gelegenheid om alsnog alle voor de begroting van de schade relevante informatie over te leggen.

2.10

Het hof zal het vonnis in conventie vernietigen en de zaak verwijzen naar de schadestaat. Het vonnis in reconventie zal, gelet op wat in het tussenarrest is overwogen, worden bekrachtigd, ook voor wat betreft de proceskosten.
Bij deze uitkomst - waarbij Investment op een aantal punten in het gelijk is gesteld, maar een schadestaatprocedure noodzakelijk is omdat Investment, ondanks de gegeven instructie, niet alle relevante informatie in het geding heeft gebracht en niet deugdelijk heeft onderbouwd waarom zij dat niet heeft gedaan - zal het hof de proceskosten van het geding in hoger beroep compenseren. Over de proceskosten in eerste aanleg heeft het hof in het tussenarrest overwogen dat Investment, omdat zij toen nog geen rechthebbende was, terecht in deze proceskosten is veroordeeld.

2.11

Uit het voorgaande volgt dat grief 1 slaagt, dat Investment bij de bespreking van grief 2 geen belang heeft en dat grief 3 faalt.
2.12 Aan bewijslevering door getuigen komt het hof niet toe. Het
- overigens weinig specifieke (zo ontbreken de namen van getuigen) – bewijsaanbod van Investment zal dan ook worden gepasseerd. Het hof merkt daarbij op dat Investment weliswaar bewijs aanbiedt van de marktwaarde van het hek, maar niet aangeeft wie daarover een verklaring kan afleggen.

3
3. De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 1 augustus 2017 voor zover in reconventie en in conventie betreffende de proceskosten gewezen;

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis voor zover in conventie gewezen, behoudens voor wat betreft de proceskosten,
en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die Investment heeft geleden vanwege de vernieling door [geïntimeerde] op 22 augustus 2016 van het hekwerk op het perceel [a-straat 1] te de [C] , welke schadevergoeding is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten van het geding in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. I.F. Clement en mr. M. Willemse en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.