Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4358

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
200.213.416/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat is overeengekomen? In dit geval is onvoldoende onderbouwd dat opdrachtgever er vanuit mocht gaan dat opdrachtnemer ook het opstellen van een bouwrapport zou verzorgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.416/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5048713)

arrest van 21 mei 2019

Nuovo Pensiero Yacht B.V.,

gevestigd te Huizen,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: NPY,

advocaat: mr. J.H. Fellinger, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [geïntimeerde] Yachtservice,

wonend te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.C.G. Metz, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 23 mei 2017 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 19 juli 2017; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.3

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven d.d. 29 augustus 2017,

- de memorie van antwoord d.d. 10 oktober 2017, met producties,

- een akte uitlating producties van NPY.

1.4

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.5

In een beschikking van 16 november 2017 heeft het hof het in deze zaak door NPY gedane verzoek d.d. 12 juli 2017 tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis van 4 januari 2017, voor zover van belang in hoger beroep en voor zover daartegen geen bezwaren zijn geuit, aangevuld met wat overigens nog is komen vast te staan en van belang is. Daarbij is betrokken wat NPY tegen die feitenvaststelling heeft ingebracht.

2.2

[geïntimeerde] heeft vanaf ongeveer halverwege 2013 werkzaamheden verricht in opdracht van de heer [B] (hierna: [B] ) en diens vennootschap Nuovo Pensiero Yacht B.V. (hierna: NPY), onder meer bestaande uit het verrichten van onderhoud en het begeleiden van verbouwingswerkzaamheden ten behoeve van drie schepen, te weten een zeewaardig motorjacht genaamd “Nuovo Pensiero”, toebehorende aan NPY, en een Vlet en een Draak, toebehorende aan [B] . Voor de werkzaamheden aan de “Nuovo Pensiero” ontving [geïntimeerde] een vergoeding van € 20,- excl. btw per uur en voor de Vlet en de Draak een vergoeding van € 15,- excl. btw per uur.

2.3

In een e-mailbericht van 17 januari 2014 heeft [B] over de “Nuovo Pensiero” onder meer het volgende aan [geïntimeerde] meegedeeld:

“De werkzaamheden aan Nuovo Pensiero in de periode september 2013 tot nu zijn divers en zijn daarom alleen al moeilijk vanaf een afstand te sturen en controleren.

Het is daarom dat ik jou gevraagd heb aanwezig te zijn, de werkzaamheden te monitoren en inzichtelijk te maken voor een ieder middels een nauwgezette rapportering. Het mes snijdt zo aan twee kanten denk je dan want er is ook dringend behoefte aan een rapportering die bij het schip hoort wanneer is er wat en door wie aan NP gedaan. (…)

Hierboven een opsomming van bedrijven en mensen die in de periode september 2013 / januari 2014 aan NP werkten of werken.

Jouw taak, ondersteund door Joost, was het afspreken van deze werkzaamheden met de betreffende heren en het controleren van de uitvoering er van + het bijhouden van de uren. In het begin niet van alle medewerkenden, later wel. (…)”

2.4

In augustus 2015 is de samenwerking tussen partijen in onderling overleg beëindigd.

2.5

[geïntimeerde] heeft op 9 juli 2015 aan NPY een eindfactuur over de periode 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2015 gezonden voor een bedrag van € 2.195,65 incl. btw en op 21 juli 2015 voor een bedrag van € 78,83 incl. btw.

2.6

In een e-mailbericht van 14 september 2015 heeft de advocaat van NYP en [B] , onder verwijzing naar e-mailbericht van 17 januari 2014 [geïntimeerde] gevraagd een rapportage op te leveren dat “behelst het opstellen van een verslag, per dag of per week, van de activiteiten van de ingehuurde leveranciers aan Nuovo Pensiero (NP), waardoor valt te kennen wie wat heeft gedaan aan wat. Met foto’s ter illustratie. Met dat verslag kan dan later door [ [B] ; hof] een rapport worden gemaakt van de refit van NP zodat een kapitein van NP weet wat de staat van NP is.”.

2.7

In een e-mailbericht van 21 september 2015 heeft de gemachtigde van [B] aan [geïntimeerde] onder meer het volgende geschreven:

“Ik heb met [ [B] ; hof] gesproken en een belangrijk punt waar we het vanochtend over hadden, de vorm van het te maken verslag, is aan de orde gekomen. Daarbij hebben we verkend op welke wijze we die verslaglegging op kortste manier kunnen realiseren. Is het mogelijk om jouw schrift naar een word document om te zetten zodat we efficiënt met de tijd omgaan. Of dat er een datatypist kan werken aan de omzetting, indien je handschrift het toelaat natuurlijk. Op die manier kan de tijdsinvestering beperkt blijven. Als het goed is geeft dat al een goed beeld en als daarnaast de foto’s per bedrijf kunnen worden gegroepeerd, komt er al ordening in de gegevens. Wellicht kan er dan in een apart document nog een overzicht worden gegeven per ruimte welke losse eindjes er nog zijn. Dat kan dan worden toegelicht (…) aan boord van NP. Ik ben benieuwd of je daar naar kunt kijken en laten weten welke tijdsbesteding/prijs jij denkt. (…)”

2.8

In een e-mailbericht van 29 september 2015 heeft [geïntimeerde] bericht bereid te zijn een bouwverslag op te stellen tegen vergoeding van de door hem daaraan te bestede uren. Daarop is door de gemachtigde van [B] geantwoord dat als [geïntimeerde] eerder efficiënt had gewerkt, het niet nodig was geweest om de door [geïntimeerde] opgestelde kladversie in een schrift om te zetten in een Word-document en dat het niet meer dan redelijk is om die omzetting te doen zonder meerkosten.

2.9

[geïntimeerde] heeft op 27 december 2015 aan [B] een eindfactuur gezonden voor de werkzaamheden aan de Vlet en de Draak voor een bedrag van € 3.558,55 incl. btw.

2.10

In een e-mailbericht d.d. 28 december 2015 van de gemachtigde van [B] c.s. aan [geïntimeerde] is de betalingsverplichting uit hoofde van de factuur die ziet op de “Nuovo Pensiero” opgeschort wegens het uitblijven van een zogenaamde bouwrapportage. Daarbij is tevens bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de factuur van 27 december 2015.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd de veroordeling van NPY tot betaling van € 2.195,65, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 10 augustus 2015, € 78,83, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 augustus 2015 en € 341,17 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2016, en van [B] tot betaling van € 3.558,55, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 28 december 2015 en € 428,74 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2016, met veroordeling van NPY en [B] in de kosten van de procedure.

3.2

De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter), heeft bij vonnis van 4 januari 2017 de vordering van [geïntimeerde] tegen NPY integraal toegewezen en de vordering van [geïntimeerde] tegen [B] tot een beloop van € 2.856,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 december 2015, en een bedrag van € 410,60 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. NPY en [B] zijn tot slot met de proceskosten belast.

3.3

NPY vordert in het hoger beroep de vernietiging van het vonnis van 4 januari 2017 en de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

Omvang hoger beroep

4.1

In eerste aanleg is, naast NPY, [B] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] . [B] is niet in hoger beroep gekomen. In zoverre is het bestreden vonnis niet aan hoger beroep onderworpen.

Grieven

4.2

NPY heeft twee grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. De grieven 1 en 2 richten zich in de kern tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] verplicht was een bouwrapportage te verzorgen en dat NPY daarom niet met een beroep op het ontbreken van die rapportage haar betalingsverplichting kon opschorten en daarna de overeenkomst kon ontbinden.

Inhoud overeenkomst

4.3

Tussen partijen staat de vraag centraal of tussen partijen overeenstemming is bereikt over het door [geïntimeerde] opleveren van een bouwrapportage zonder dat hij aanspraak heeft op afzonderlijke vergoeding van de door hem daaraan te besteden tijd en voorts over de vraag of die bouwrapportage een technisch bouwrapport behelst dat fungeert of kan fungeren als basis voor een ‘ships manual’ / ‘post refit manual’.

4.3.1

NPY voert aan dat [geïntimeerde] op 17 januari 2014 opdracht is gegeven een bouwrapportage op te leveren, dat [geïntimeerde] dat ook heeft gedaan in de vorm van aantekeningen in een schrift en dat van [geïntimeerde] verwacht mag worden dat hij die aantekeningen omzet in een Word-document zonder dat NPY daarvoor extra moet betalen. Naast dat de rapportage als doel had de kosten van de bouw in de hand te kunnen houden, diende die rapportage inzicht te kunnen bieden in de opbouw/samenstelling van systemen en welke schema’s kunnen worden gebruikt om eventuele calamiteiten te bestrijden. Nu [geïntimeerde] alleen tegen extra betaling een rapportage wilde opmaken, is hij in verzuim geraakt en mocht NPY haar betalingsverplichting opschorten, aldus NPY.

4.3.2

[geïntimeerde] heeft daartegen ingebracht dat hem pas in augustus 2015 is verzocht een bouwrapport van de verrichte werkzaamheden op te stellen, dat ten behoeve van de overdracht van zijn werkzaamheden aan een derde, en dat hem toen niet duidelijk was dat dat rapport een ‘ships manual’ zou moeten zijn, waarvoor [geïntimeerde] ook niet de technische opleiding heeft genoten. De aantekeningen die [geïntimeerde] heeft bijgehouden, waren ter ondersteuning van hemzelf en betroffen beschrijvingen van werkzaamheden aan boord en bijvoorbeeld te bestellen onderdelen door de technisch deskundigen die hun werkzaamheden in opdracht van NPY uitvoerden. Die beschrijvingen zijn gebaseerd op de opdrachten die door NPY via [geïntimeerde] werden doorgegeven, waarbij er dagelijks contact was met [B] en [geïntimeerde] dagelijks rapporteerde wie wat deed aan boord. Omdat de instructies verschillende disciplines betrof, noteerde [geïntimeerde] die instructies en gaf hij deze door, zodat [geïntimeerde] in die zin als boodschapper fungeerde. [geïntimeerde] hield daarbij aan de hand van urenlijsten overzicht van hoe lang en welke werkzaamheden de specialisten verrichtten. Via e-mailberichten, doorgestuurde foto’s en telefonisch overleg met [B] werd inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden werden verricht en behoefde [B] niet continue zelf aanwezig te zijn. Zijn uren en werkzaamheden zijn ook doorlopend goed bevonden en betaald, aldus [geïntimeerde] .

4.4

Voor de beantwoording van de onder 4.3 bedoelde vraag is het van belang om te bezien wat tussen partijen is overeengekomen. Het komt daarbij aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op wat zij met het oog daarop redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (ECLI:NL:HR:1981:AG4158).

4.5

Uit wat partijen over en weer hebben aangevoerd, kan de volgende gang van zaken tussen hen worden vastgesteld.

[geïntimeerde] is aanvankelijk door NPY ingezet voor schoonmaakwerkzaamheden en als helpende hand aan boord van de “Nuovo Pensiero” bij de werkzaamheden van de door NPY ingeschakelde technisch specialisten, waarbij [geïntimeerde] , die geen technische achtergrond heeft, op enig moment namens [B] boodschappen en instructies aan de technisch specialisten is gaan doorgeven. [geïntimeerde] is daarbij op vraag van NPY gaan bijhouden welke werkzaamheden door de technisch specialisten werden verricht en welke onderdelen daarbij werden gebruikt. In dat verband is [geïntimeerde] met regelmaat via door hem opgestelde lijsten, e-mailberichten, telefonisch overleg en foto’s aan [B] gaan doorgeven welke werkzaamheden door de technisch specialisten werden uitgevoerd en hoeveel tijd daarmee was gemoeid. NPY heeft, nadat [geïntimeerde] over de door Balk Shipyards uitgevoerde werkzaamheden urenoverzichten en kostenoverzichten had toegezonden, in reactie daarop in een e-mail van 10 november 2013 aan [geïntimeerde] gereageerd met, voor zover relevant, ‘Rapportering: Goed zo [geïntimeerde] , zo hoort het. Hier kan je wat mee.’

4.6

NPY gaat er vanuit dat [geïntimeerde] met de in de e-mail van 17 januari 2014 overgebrachte mededeling ‘dat er ook dringend behoefte is aan een rapportering die bij het schip hoort wanneer is er wat en door wie aan NP gedaan’, al wat aan het schip technisch zou worden uitgevoerd zodanig zou vastleggen, mede aan de hand van foto’s, dat die vastlegging als basis zou gaan dienen voor de ‘post refit manual’ van het schip, zoals NPY bij haar laatste akte stelt. NPY heeft in dat verband gewezen op de aantekeningen die [geïntimeerde] gaandeweg de werkzaamheden heeft bijgehouden. NPY heeft echter niet gesteld waaruit volgt dat [geïntimeerde] zich heeft verbonden tot de gestelde vastlegging/rapportering, die in de visie van NPY meer of anders dient te zijn dan wat [geïntimeerde] tot het beëindigen van de samenwerking aan NPY/ [B] steeds overbracht. De enkele mededeling in de e-mail van 17 januari 2014 is daarvoor onvoldoende, te minder nu [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd bestreden heeft aangevoerd dat wat hij steeds, ook na 17 januari 2014, aan NPY/ [B] is blijven doorgeven, zag op welke werkzaamheden er door de technisch specialisten was uitgevoerd, hoeveel tijd daarmee was gemoeid en welke onderdelen daarmee waren gemoeid. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] na het e-mailbericht van 17 januari 2014 - tot aan het beëindigen van de samenwerking medio augustus 2015 - van NPY op enig moment kanttekeningen of opmerkingen heeft ontvangen over de wijze en/of vorm wat [geïntimeerde] aan NPY/ [B] overbracht.

4.7

NPY heeft ook niet uitgelegd wat [geïntimeerde] concreet heeft gezegd of heeft gedaan waaruit NPY mocht afleiden dat [geïntimeerde] met de van hem verlangde vastlegging/rapportering wenste in te stemmen. Het uitblijven van opmerkingen over wat [geïntimeerde] op welke wijze rapporteerde als ook het vaststaande gegeven dat [geïntimeerde] geen technische achtergrond had en [geïntimeerde] ook optrad als ‘boodschapper’ tussen NPY/ [B] en de door NPY ingeschakelde technisch specialisten die feitelijk de werkzaamheden aan het schip uitvoerden, leveren een duidelijke aanwijzing op dat NPY pas op grond van een ondubbelzinnige uitlating en/of gedraging van [geïntimeerde] redelijkerwijs had mogen aannemen dat [geïntimeerde] bereid was een zodanige vastlegging/ rapportering te verzorgen dat die als basis kon dienen voor de ‘post refit manual’ van het schip. Over een dergelijke uitlating en/of gedraging is niets gesteld. De omstandigheid dat partijen na het eindigen van de samenwerking - zie daarvoor het onder rov. 2.7 weergegeven e-mailbericht van
21 september 2015 - (verder) overleg hebben gevoerd over de vorm van de door NPY gevraagde verslagleggingen en in dat verband hebben stil gestaan bij de vraag hoeveel tijd en welke kosten daarmee was/waren gemoeid, wijst ook in een andere richting dan NPY pleit. Bij dit alles heeft het hof ook betrokken dat de door NPY aan [geïntimeerde] verstrekte opdracht niet tussen hen is vastgelegd, dat voor [geïntimeerde] een uurtarief gold van € 20,- exclusief btw en dat de door hem voor zijn werkzaamheden verzonden facturen steeds zonder voorbehoud of protest door NPY zijn betaald.

4.8

NPY heeft nog in algemene bewoordingen aangeboden feiten en omstandigheden te bewijzen die zien op haar stelling dat [geïntimeerde] een opdracht had een bouwrapportage te maken als door NPY verlangd, maar die feiten en omstandigheden heeft zij niet geconcretiseerd. Aan dat aanbod gaat het hof dan ook voorbij.

4.9

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat NPY onvoldoende heeft onderbouwd dat onder de overeenkomst van opdracht ook viel een verplichting van [geïntimeerde] een zodanige vastlegging van dan wel rapportering over de werkzaamheden van de door NPY ingeschakelde technisch specialisten te verzorgen dat die vastlegging/rapportering kon dienen als basis voor de ‘post refit manual’ van het schip. NPY heeft dan niet het recht om van [geïntimeerde] de overdracht van zulke vastlegging/rapportering te verlangen, nog doorgelaten het antwoord op de vraag of [geïntimeerde] die overdracht zonder doorberekening van aanvullende uren zou hebben te doen. Het beroep van NPY op een opschortingsrecht moet dan ook worden verworpen. Nu voor het overige door NPY geen verweer is gevoerd tegen de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de openstaande facturen, dient het vonnis te worden bekrachtigd.

4.10

Een en ander leidt ertoe dat de grieven falen.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof NPY in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 313,- aan griffierecht en € 1.518,- aan salaris advocaat (2,0 punten x tarief I)

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Almere van 4 januari 2017, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

veroordeelt NPY in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 1.518,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. W.F. Boele, mr. I. Tubben en mr. I.F. Clement, en is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019.